ECLI:NL:RBOVE:2014:1084

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 maart 2014
Publicatiedatum
6 maart 2014
Zaaknummer
08.770199-13 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 10 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling zware mishandeling broer met mes op woonwagenkamp

Op 25 juli 2013 ontstond op een woonwagenkamp in Deventer een ruzie tussen twee broers waarbij de verdachte zijn broer met een mes in het gezicht stak. Het mes werd nooit gevonden. De verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag, maar de rechtbank achtte dit niet bewezen omdat niet duidelijk was wat voor mes werd gebruikt en welke handelingen precies werden verricht.

De broer van de verdachte verklaarde meerdere keren dat hij met een stanleymes was gestoken, wat werd ondersteund door getuigenverklaringen, een letselrapport en foto's. De verdachte stelde dat het letsel veroorzaakt was door een sleutelbos met een scherpe sleutelhanger, maar dit werd niet geloofd door de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het subsidiair ten laste gelegde feit van zware mishandeling met een mes in het gezicht wettig en overtuigend bewezen was. De verdachte werd veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf. Een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd niet opgelegd vanwege onvoldoende bewijs van een geestelijke stoornis en de weigering van verdachte om mee te werken aan onderzoek.

De rechtbank hield rekening met het strafrechtelijk verleden van de verdachte en het feit dat hij herhaaldelijk geweldsmisdrijven had gepleegd. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de straf. Daarnaast werd de teruggave van inbeslaggenomen kleding en schoenen gelast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf voor zware mishandeling met een mes, vrijgesproken van poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Kamer te Zwolle
Parketnummer: 08.770199-13 (P)
Uitspraak: 6 maart 2013

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie
tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1953 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [woonplaats]
thans gedetineerd te HvB Zwolle, te Zwolle

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Schaap, advocaat te Arnhem.
Als officier van justitie was aanwezig mr. M.R. van Nes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 25 juli 2013 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] voornoemd een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp in het gezicht en/of in de hals en/of in
de zij te steken en/of snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 25 juli 2013 te Deventer, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (blijvend zichtbare en ontsierende littekens in het gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp in het gezicht en/of in de hals en/of in de zij/buikstreek te steken/snijden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder 1 primair ten laste is gelegd, in de vorm van poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Volgens verdachte is er een worsteling tussen hem en [slachtoffer], zijn broer, ontstaan om de sleutelbos van verdachte die zijn broer wilde meenemen. Aan de sleutelbos zat een cilindersleutel met een braam en een sleutelhanger in de vorm van een vis met een scherpe kant. Het letsel van [slachtoffer] is volgens verdachte waarschijnlijk ontstaan omdat hij tijdens de worsteling door de cilindersleutel dan wel de scherpe kant van de sleutelhanger is geraakt. Volgens de raadsvrouw is deze verklaring van verdachte voor het letsel van [slachtoffer] geloofwaardig, te meer ook omdat het mes waarmee [slachtoffer] gestoken zou zijn niet is gevonden. Bovendien is [slachtoffer] op zijn verklaring dat verdachte hem met een mes heeft gestoken, teruggekomen bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris. Volgens de verdediging is er geen sprake geweest van opzet. Om die reden dient verdachte volgens de raadsvrouw ook van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel omdat er geen sprake is van een blijvend litteken in het gelaat van [slachtoffer].

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het primair ten laste gelegde als volgt [1] .
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 februari 2014, inhoudende dat hij met [slachtoffer] in een worsteling is geraakt, waarbij een sleutel(bos) de verwondingen heeft veroorzaakt, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft eerst ter terechtzitting deze verklaring voor het letsel gegeven, terwijl hij eerder (onder meer) bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet wist hoe de verwondingen zijn ontstaan. Voorst is voor die verklaring geen enkele steun in de stukken te vinden en past deze toedracht niet zonder meer bij het letsel van aangever. Bovendien heeft aangever [slachtoffer] op afzonderlijke momenten tegenover verschillende verbalisanten verklaard dat hij met een mes is gestoken door verdachte.
Zo komen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], nadat zij op 25 juli 2013 om 04:51 uur een melding hebben ontvangen om naar het kampje van de familie [familie] aan de [straat] te Deventer te rijden, [slachtoffer] met meerdere verwondingen tegen op de Handelskade te Deventer en horen zij [slachtoffer] tegen hen zeggen dat hij door zijn broer [verdachte], zijnde verdachte, was neergestoken met een mes. Verdachte zou hem gestoken hebben in zijn nek en gezicht. Volgens de verbalisanten heeft hij voorts gezegd dat hij direct aangifte wilde doen tegen zijn broer [2] . Voorts verklaren een tweetal andere verbalisanten, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], dat zij op 25 juli 2013 omstreeks 06:10 uur naar het ziekenhuis zijn gegaan, waar zij [slachtoffer] met letsel in zijn gezicht en hals zien liggen. Nadat aan hem wordt gevraagd wat er vannacht is gebeurd, vertelt hij dat er tussen hem en verdachte buiten een vechtpartij is ontstaan en dat hij door verdachte in zijn hals, oog, arm en buik is gestoken met een stanleymes. Verdachte zou tegen hem hebben gezegd “ik snijd je kop eraf”. [3] Verder heeft [slachtoffer] in zijn aangifte op 25 juli omstreeks 6.50 uur tegenover weer een andere verbalisant [verbalisant 5] verklaard dat verdachte met een stanleymes in zijn richting heeft uitgehaald en dat hij daarmee werd geraakt. Verdachte zou een paar keer op hem hebben ingestoken. Voorts heeft hij ook toen verklaard dat verdachte zou hebben gezegd “ik snijd je kop je eraf”. [4]
Aangever [slachtoffer] is op zijn verklaring, dat hij door zijn broer met een stanleymes is gestoken bij de rechter-commissaris teruggekomen, maar de rechtbank acht die laatste verklaring ongeloofwaardig. Aangever heeft namelijk zoals hiervoor is weergegeven drie keer eerder kort na het incident tegenover verschillende verbalisanten verklaard door verdachte te zijn gestoken. Zijn verklaring bij de rechter-commissaris dat hij zich niets meer kan herinneren lijkt te zijn ingegeven door andere motieven nu hij voorts bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet zou verklaren als hij het zich wel zou kunnen herinneren, dat hij vindt dat zijn broer nu te lang heeft vast gezeten en dat hij hoopt dat zijn broer niet zo zwaar wordt aangepakt. Bovendien heeft getuige [getuige] verklaard dat zij zag dat verdachte en aangever met elkaar aan het worstelen waren en dat zij, toen zij het kampje afliep, aangever hoorde roepen dat hij gestoken was. [5]
De verklaring van aangever dat verdachte hem met een stanleymes heeft gestoken, wordt voorts ondersteund door een letselrapport [6] waarin de verwondingen van aangever worden beschreven als snijverwondingen en door de foto’s in het dossier [7] . De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan de verklaring van aangever dat hij door verdachte met een (stanley)mes is gestoken te twijfelen. De enkele omstandigheid dat gedurende het politieonderzoek niet het mes is aangetroffen waarmee is gestoken, doet aan het voorgaande niet af. Het verweer van de raadsvrouw dat aangever niet op zijn verschoningsrecht is gewezen en dat daarom de verklaringen van aangever buiten beschouwing moeten worden gelaten, verwerpt de rechtbank. De opsporingsambtenaren zijn namelijk wettelijk niet verplicht een getuige uitdrukkelijk te wijzen op de onder omstandigheden bestaande mogelijkheid zich te verschonen van het beantwoorden van bepaalde aan hem gestelde vragen (Hoge Raad 30 augustus 2005, NJ 2005, 543).
Gelet op het vorenstaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte aangever met een (stanley)mes heeft gestoken. De vraag is of verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van het mes, meer in het bijzonder onder meer de lengte en scherpte van het lemmet, en de precieze aard van de handelingen die daarmee zijn verricht, op basis van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet kunnen worden vastgesteld. Daardoor is niet komen vast te staan dat verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gepoogd heeft zijn broer opzettelijk van het leven te beroven.
Voorts is onder primair -impliciet subsidiair- een poging tot zware mishandeling ten laste gelegd.
Met betrekking tot de verwoningen in de zij en in de hals van het slachtoffer overweegt de rechtbank -in lijn met het hiervoor overwogene- dat niet is komen vast te staan dat verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen, nu de aard van het mes en de aard van de handelingen die daarmee zijn verricht niet kunnen worden vastgesteld.
Evenmin acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd zijn broer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door in zijn
gezichtte steken, nu naar het oordeel van de rechtbank -zoals uit het navolgende zal blijken- sprake is van een voltooid delict op dat punt.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde als volgt.
Verdachte heeft, zoals hiervoor is overwogen, met een mes verwondingen in het gelaat van het slachtoffer aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank roept het handelen van verdachte, namelijk het tijdens een worsteling met aangever stekende bewegingen maken met een mes onder meer ter hoogte van het gelaat van aangever, ongeacht de grootte en scherpte van het lemmet of de precieze aard van de handelingen die met het mes zijn uitgevoerd, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven. Van algemene bekendheid is immers dat het gelaat een uiterst kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat bij het eerder regel dan uitzondering is dat blijvende littekens het gevolg zijn. Ook verdachte moet dit hebben geweten. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet anders zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Die aanmerkelijke kans heeft zich blijkens het letselrapportage – waarin staat dat er sprake is van blijvende zichtbare littekens in het gelaat – in het onderhavige geval ook heeft verwezenlijkt, zodat er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voltooid delict.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat
hij op 25 juli 2013 te Deventer aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (blijvend zichtbare en ontsierende littekens in het gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes in het gezicht te steken.
Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.
STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Het bewezen verklaarde levert op:
Zware mishandeling,
strafbaar gesteld bij artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw in het kader van de op te leggen straf betoogd dat een behandeltraject voor verdachte niet eerder van de grond is gekomen. De maatregel van terbeschikkingstelling is daarom niet aan de orde. De verdediging verzoekt een voorwaardelijke straf met als daaraan verbonden voorwaarde dat verdachte zich laat behandelen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 december 2013;
- een beknopt reclasseringsadvies d.d. 13 februari 2014;
- een rapportage Pro Justitia van het Pieter Baan Centrum d.d. 17 februari 2014, opgemaakt door L. Vermeulen, GZ-psycholoog en M.F. de Vries, psychiater;
- de overige stukken in het persoonsdossier van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door zijn broer met een mes snijverwondingen toe te brengen in diens gelaat. Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem blijvende littekens in diens gelaat bezorgd.
Met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een verdachte weigert medewerking te verlenen aan gedragsdeskundig onderzoek niet in de weg staat aan het opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, indien door de rechtbank kan worden vastgesteld dat verdachte lijdt aan een geestelijke stoornis.
Naar aanleiding van de verdenking van het thans bewezen verklaarde feit is getracht meer inzicht te verkrijgen in de persoon van verdachte. In het rapport van het Pieter Baan Centrum, wordt weliswaar geconcludeerd dat sprake is van een stoornis in de vorm van alcoholafhankelijkheid, maar niet gesteld kan worden dat er sprake was van invloed van die stoornis op het ten laste gelegde (en thans bewezenverklaarde) feit.
De rechtbank wijst -naast voornoemde stukken- op een psychiatrisch onderzoek van
23 augustus 2013 en een psychologisch onderzoek van 2 september 2013. Aan geen van deze onderzoeken heeft verdachte medewerking willen verlenen, waardoor slechts in beperkte mate conclusies kunnen worden getrokken over (mogelijke) persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Een advies met betrekking tot de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel van terbeschikkingstelling ontbreekt dan ook in deze rapporten. Datzelfde geldt voor het advies van de reclassering. Gelet op de weigerende houding van verdachte, ook desgevraagd ter terechtzitting, acht de rechtbank het in het kader van de onderhavige strafzaak niet zinvol daaromtrent een nieuw advies te laten uitbrengen.
Bij de stukken bevindt zich voorts nog een psychiatrisch onderzoek uit 2007, waarin wordt geconcludeerd dat er geen indicatie voor klinische behandeling dan wel terbeschikkingstelling bestaat. Voor het overige bevat het dossier geen stukken waaruit blijkt of en op welke wijze in het verleden is gepoogd om verdachte te behandelen, dan wel te begeleiden. Hoewel verdachte als veelpleger is aangemerkt, is niet gebleken dat door het openbaar ministerie het vorderen van een minder ingrijpende sanctie dan de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zoals een ISD-maatregel, is overwogen. De rechtbank is op basis van de informatie waarover zij thans beschikt nog onvoldoende overtuigd van de noodzaak om de terbeschikkingstelling van verdachte met dwangverpleging te gelasten.
De rechtbank zal, gelet op de herhaaldelijke weigering van verdachte om medewerking te verlenen aan hulpverlenende instanties, volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een feit als het onderhavige zou gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, in beginsel, uitgaande van een first offender, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden gerechtvaardigd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is echter in dit geval een fors hogere gevangenisstraf geboden. Verdachte is immers geen first offender. In tegendeel. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte een justitieel verleden van ruim veertig jaren kent, waarbij hij vele malen wegens (zeer) ernstige geweldsmisdrijven is veroordeeld tot veelal langdurige gevangenisstraffen. Kennelijk hebben die veroordelingen hem niet van het begaan van het thans bewezen verklaarde feit afgehouden. De rechtbank betrekt voorts (in het nadeel van verdachte) in haar oordeel dat verdachte weliswaar ter terechtzitting heeft verklaard zich in een vrijwillig kader te willen laten behandelen voor zijn alcoholafhankelijkheid, maar in dat verband niet eerder zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.
De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde kleding en schoenen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Beslissing

De rechtbank verklaart het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.
Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
20(
twintig) maanden.
De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Beslag

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen kleding en schoenen aan verdachte.
Aldus gewezen door mr. Y. Cenik, voorzitter, mrs. F.E.J. Goffin en E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 maart 2014.
Mr. Leentjes voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, onderdeel uitmakende van het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, onder dossiernummer PL04DC/2013-061702, opgemaakt op 30 juli 2013.
2.Pagina 25.
3.Pagina 27
4.Pagina 6.
5.Pagina 21 en 22.
6.Letselrapportage d.d. 4 september 2013, opgemaakt door de forensische arts S.J.Th. van Kuijk.
7.Pagina 29 en 30.