ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1168
Rechtbank Overijssel
- Kort geding
- W.K.F. Hangelbroek
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke opheffing beslag op WIA-uitkering wegens onjuiste beslagvrije voet
Eiser, een alleenstaande man die op een zolderkamer bij zijn broer en diens gezin woont, ontvangt een WIA-uitkering waarop de Rabobank beslag heeft gelegd. De Rabobank heeft bij de berekening van de beslagvrije voet uitgegaan van de norm voor een gezamenlijke huishouding, gelijkgesteld aan de norm voor gehuwden.
Eiser vordert gedeeltelijke opheffing van het beslag met terugwerkende kracht, stellende dat hij niet in een gezamenlijke huishouding leeft zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand (Wwb). Hij voert aan dat hij geen bijdrage levert aan de gezamenlijke huishouding en dat er geen sprake is van wederzijdse verzorging met zijn broer en diens gezin.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in een gezamenlijke huishouding leeft. Dit blijkt onder meer uit zijn leefpatroon, medicatiegebruik, de huurovereenkomst voor slechts een kamer en het ontbreken van financiële verstrengeling. Daarom had de beslagvrije voet volgens de alleenstaande norm moeten worden vastgesteld.
De vordering tot terugbetaling van te veel ingehouden bedragen wordt afgewezen omdat eiser dit niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt en mogelijk zelf informatie heeft achtergehouden. De rechtbank bepaalt dat het beslag gedeeltelijk wordt opgeheven voor zover het de juiste beslagvrije voet overschrijdt en dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het beslag op de WIA-uitkering wordt gedeeltelijk opgeheven omdat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld volgens de gezamenlijke huishouding norm in plaats van de alleenstaande norm.