ECLI:NL:RBOVE:2013:CA0305
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonvordering en vergoeding na minnelijke beëindiging arbeidsovereenkomst
De kantonrechter heeft geoordeeld over een geschil tussen een werknemer en werkgever na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De werknemer vorderde een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en betaling van achterstallig loon inclusief wettelijke verhoging en rente.
De arbeidsovereenkomst eindigde per 1 augustus 2011 via een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat er geen grond was voor een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag omdat de beëindiging minnelijke was overeengekomen zonder opzegging. Verder werd vastgesteld dat de werkgever terecht de loonbetaling stopzette van 20 mei tot 4 juli 2011 vanwege het niet meewerken aan re-integratie, maar dat de loonbetaling vanaf 28 juni 2011 weer had moeten worden hervat.
Daarnaast werd geoordeeld dat de werkgever onterecht een deel van het loon had ingehouden voor leaseautokosten, met name de omzetbelasting en kosten van een vervangende auto die niet als extra kosten konden worden doorbelast. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het onbetaald gelaten loon en een wettelijke verhoging van 10%, terwijl de vordering tot vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag werd afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen; werkgever moet achterstallig loon en onterecht ingehouden bedragen betalen met wettelijke verhoging en rente.