ECLI:NL:RBOVE:2013:3054

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 december 2013
Publicatiedatum
4 december 2013
Zaaknummer
Awb 13/439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.F. Bijloo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ArarArt. 37 Arar
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening van WIA-uitkering met bezoldiging ambtenaar na ontslag niet onrechtmatig

Eiseres, werkzaam als groepsfunctionaris I bij de Belastingdienst, viel in oktober 2001 uit wegens ziekte en was vanaf 11 september 2003 niet meer werkzaam. Na een eervol ontslag wegens arbeidsongeschiktheid in 2005, dat later door de Centrale Raad van Beroep werd vernietigd, werd haar dienstverband en salaris hersteld. Vanaf 1 februari 2009 ontving zij zowel salaris als WAO-uitkering. Verweerder besloot in 2012 de WIA-uitkering te verrekenen met haar salaris, wat door eiseres werd bestreden.

De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep het ontslagbesluit van 2005 vernietigde, maar de terugbrenging van haar bezoldiging op grond van artikel 37 van Pro het Arar in stand liet. Het dienstverband en salaris werden hersteld naar de situatie voorafgaand aan het ontslag, en de grondslag voor doorbetaling van bezoldiging bleef onveranderd. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke samenloopbepaling in artikel 45, eerste lid van het Arar, die verrekening van uitkeringen met bezoldiging regelt, van toepassing is.

Eiseres' stelling dat de wetgever geen anticumulatiebepaling voor haar situatie heeft opgenomen, wordt verworpen. De rechtbank concludeert dat de verrekening van de WIA-uitkering met haar bezoldiging rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verrekening van haar WIA-uitkering met haar bezoldiging wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: Awb 13/439

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres]

wonende te Almelo, eiseres,
en
de Staatssecretaris van Financiën,
verweerder.
13/439
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2012 heeft verweerder besloten om de eiseres toegekende uitkering ingevolge de Wet Arbeid en Inkomen (verder: WIA) met ingang van 1 februari 2012 te verrekenen met de door haar ontvangen bezoldiging. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 17 januari 2013 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is ter zitting van 24 september 2013 behandeld. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Raydt.

Overwegingen

1.
In geschil is de vraag of verweerders beslissing om de WIA-uitkering van eiseres te verrekenen met haar bezoldiging in rechte in stand dient te worden gelaten.
2.
Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres was werkzaam als groepsfunctionaris I bij de Belastingdienst. In oktober 2001 is zij in die functie uitgevallen wegens ziekte. In december 2001 heeft zij haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Vanaf 11 september 2003 heeft eiseres deze werkzaamheden niet meer verricht.
Bij besluit van 8 november 2002 is eiseres ingaande 21 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder: WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 3 november 2004 is de mate waarin eiseres arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht ingaande 9 september 2004 vastgesteld op 55 tot 65%. Na bezwaar is die beslissing op 7 oktober 2005 herroepen en is de arbeidsongeschiktheid van eiseres gesteld op 65 tot 80%. De WAO-uitkering werd door het UWV tot 1 september 2005 op machtiging van eiseres uitbetaald aan de Belastingdienst.
Bij besluit van 15 juli 2005 heeft verweerder eiseres ingaande 1 september 2005 eervol ontslag verleend op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.
Bij besluiten van 29 november 2005 zijn eiseres naar aanleiding daarvan door het UWV ingaande 1 september 2005 de volgende uitkeringen toegekend:
  • een loongerelateerde werkloosheidsuitkering voor de duur van 2,5 jaar;
  • een suppletie-uitkering voor de duur van 66 maanden;
  • een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering.
In haar uitspraak van 30 oktober 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep het ontslagbesluit van 15 juli 2005 vernietigd.
Het dienstverband en de salarispositie van eiseres is daarna door verweerder hersteld naar de rechtsverhouding zoals die voorafgaand aan de ontslagdatum bestond.
Vanaf 1 februari 2009 heeft verweerder het reguliere salaris van eiseres ad € 3.151,30 netto (€ 5.444,46 bruto) wederom maandelijks aan haar uitbetaald. Vanaf dezelfde datum heeft ook het UWV maandelijks ad € 1.088,81 netto (€ 1.420,93 bruto) aan WAO-uitkering aan eiseres uitbetaald. In februari 2009 heeft verweerder voorts € 102.011,77 netto (€ 161.820,62 bruto) aan achterstallig salaris aan eiseres betaald.
In maart 2009 heeft het UWV € 65.800,26 netto aan achterstallige WAO- (€ 55.809,84) en WW-uitkering over de periode van 1 september 2005 tot 1 maart 2009 op de rekening van de Belastingdienst gestort. Wegens de daaraan voorafgegane intrekking van de machtiging daartoe heeft de Belastingdienst dit bedrag in april 2009 weer teruggeboekt naar het UWV.
Bij besluit van 20 januari 2012 heeft verweerder besloten het brutosalaris van eiseres ingaande 1 februari 2012 te verminderen met haar bruto WAO-uitkering. Eiseres heeft op 23 februari 2012 tegen die beslissing bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder besloten onverschuldigd betaald salaris van eiseres terug te vorderen voor een brutobedrag ad € 169.198,53, bestaande uit:
  • € 55.809,84 wegens genoten WAO-uitkering over de periode 1 september 2005 tot 1 maart 2009;
  • € 44.995,94 wegens genoten WW-uitkering over de periode 1 september 2005 tot 1 februari 2009;
  • € 68.422,75 wegens genoten WAO-uitkering over de periode 1 maart 2009 tot 1 februari 2012.
Op 1 december 2012 is eiseres vervolgens nogmaals ontslag verleend. Tegen dit ontslag heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij de beslissing op bezwaar van 17 januari 2013 heeft verweerder zijn besluit van 20 januari 2012 op de grondslag van artikel 45, eerste lid van het Arar gehandhaafd.
3.
In haar beroepschrift tegen dit laatste besluit stelt eiseres dat de grondslag ontbreekt om haar WAO-uitkering (thans: WIA-uitkering) vanaf 1 februari 2012 (tot 1 december 2012) te verrekenen met haar salaris. Eiseres voert in dat verband aan dat de wettelijke samenloopbepaling als gegeven in artikel 45, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (verder: Arar) niet op haar situatie van toepassing is.
Artikel 45, eerste lid van het Arar bepaalt, dat bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, deze uitkering in mindering wordt gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de artikelen 47 of 48 betreft.
Eiseres stelt hiertoe dat:
  • arbeidsongeschiktheid (om diverse genoemde redenen) niet de oorzaak is van het niet verrichten van haar werkzaamheden, als gevolg waarvan geen sprake is van een recht krachtens hoofdstuk VI van het Arar;
  • de wetgever voor situaties als de onderhavige niet heeft voorzien in een anticumulatiebepaling. Het ontbreken daarvan leidt in de visie van eiseres niet tot onredelijke uitkomsten, omdat zij bij een normaal carrièreverloop in de toekomst zou hebben kunnen doorstromen naar een schaal in de hogere functies.
Eiseres vordert van de rechtbank gegrondverklaring van het beroep en veroordeling van verweerder tot uitbetaling van de ten onrechte verrekende bedragen over de periode van 1 februari 2012 tot 1 december 2012, vermeerderd met wettelijke rente en vergoeding van overige nader vast te stellen schade, alsmede proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase en griffierecht.
De rechtbank stelt vast, dat de Centrale Raad van Beroep bij zijn uitspraak van 30 oktober 2008 onherroepelijk heeft beslist, dat de rechtsgevolgen van verweerders besluit van 16 december 2004, waarin is beslist dat de bezoldiging van eiseres op de grond van artikel 37 van Pro het Arar ingaande 1 januari 2005 wegens arbeidsongeschiktheid wordt teruggebracht naar 80%, in stand worden gelaten. De Centrale Raad van Beroep heeft het destijds ingebrachte betoog van eiseres dat haar arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsziekte verworpen. De rechtbank stelt voorts vast, dat verweerder het dienstverband van eiseres en haar salarispositie naar aanleiding van het bij die onherroepelijke uitspraak eveneens vernietigde ontslagbesluit volledig heeft hersteld naar de situatie zoals die voorafgaand aan de aanvankelijke ontslagdatum (1 september 2005) bestond, welke rechtsverhouding tot het uiteindelijke ontslag van eiseres op 1 december 2012 onveranderd is gebleven.
Hieruit volgt dat de grondslag voor aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging van eiseres tot haar ontslag op 1 december 2012 op basis van arbeidsongeschiktheid, niet zijnde een beroepsziekte, onveranderd artikel 37 van Pro het Arar is gebleven. Eiseres kan dan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat arbeidsongeschiktheid niet de oorzaak is van het feit dat zij haar werkzaamheden sedert 11 september 2003 niet meer heeft verricht, noch dat haar aanspraak op doorbetaling van bezoldiging niet stoelde op het bepaalde in hoofdstuk VI van het Arar.
De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar stelling dat de wetgever voor de onderhavige situatie niet heeft voorzien in een anticumulatiebepaling. Van een samenloop van een ander recht dan het recht waarop hoofdstuk VI van het Arar betrekking heeft is immers zoals hiervoor is overwogen immers geen sprake. Voorts kan de tekst van artikel 45 van Pro het Arar naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat de daarin genoemde uitkeringen, die eiseres op grond van dezelfde dienstbetrekking daadwerkelijk heeft ontvangen, in geval van een samenloop van een recht krachtens hoofdstuk VI van het Arar in mindering worden gebracht op dat recht.
Verweerders beslissing om de WIA-uitkering van eiseres te verrekenen met haar bezoldiging dient in rechte dan ook in stand te worden gelaten.
4.
Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, en door hem en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk opwww.raadvanstate.nlvoor meer informatie over het indienen van digitaal beroep