In deze zaak vordert een handelsonderneming dat de gemeente het executoriaal beslag op een Mercedes Benz auto opheft en de auto teruggeeft. De auto was verkocht aan de zoon van de gedaagde, waarna deze op naam van de gedaagde werd gesteld. De gemeente had beslag gelegd wegens een dwangbevel aan de gedaagde.
De eiser stelt een eigendomsvoorbehoud te hebben op de auto, waardoor de gemeente volgens haar ten onrechte verhaal zoekt op een zaak die aan haar toebehoort. De gemeente voert verweer dat de Wet op het consumentenkrediet van toepassing zou zijn, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is omdat de eiser geen kredietgever is.
De rechtbank stelt vast dat de authenticiteit en rechtsgeldigheid van de betalingsovereenkomst met het eigendomsvoorbehoud onvoldoende is aangetoond. De overeenkomst oogt gekunsteld en ongeloofwaardig, mede omdat de eiser het kentekenbewijs niet heeft gehouden, waardoor de auto op naam van de gedaagde is gesteld. De gemeente mocht daarom aannemen dat de gedaagde rechthebbende was ten tijde van het beslag.
De vordering wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.