ECLI:NL:RBOVE:2013:2437
Rechtbank Overijssel
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming en verlaging minimale verkoopwaarde woning na echtscheiding
Partijen zijn ex-echtgenoten en gezamenlijk eigenaar van een woning die zij samen met een hypotheek van €150.000 hebben gekocht. Na echtscheiding is door de rechtbank bepaald dat de woning zo spoedig mogelijk verkocht moet worden, waarbij de man medewerking moet verlenen. De vrouw vordert in kort geding dat de man de woning ontruimt en dat de minimale verkoopprijs wordt verlaagd van €130.000 naar €90.000.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw een spoedeisend belang heeft, mede vanwege haar wens tot schuldsanering. De man betwist de grondslag van de ontruimingsvordering en ontkent een weigerachtige houding. Uit bewijs blijkt dat de man bereid is mee te werken aan verkoop onder voorwaarde van taxatie. De rechter oordeelt dat het blijven wonen in de woning op zich geen onrechtmatig handelen is en dat onvoldoende concrete feiten zijn gesteld om ontruiming te rechtvaardigen.
Wat betreft de verlaging van de minimale verkoopprijs, oordeelt de voorzieningenrechter dat de vrouw onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor de nieuwe waarde van €90.000. Er is te veel onduidelijkheid en nader taxatieonderzoek is nodig, wat niet in kort geding kan worden gedaan. De vorderingen worden daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vorderingen tot ontruiming en verlaging van de minimale verkoopprijs worden afgewezen.