ECLI:NL:RBONE:2013:CA0302
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden moeder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de moeder van eiser. Eiser vordert op grond van artikel 7:268 BW Pro voortzetting van de huurovereenkomst, stellende dat hij en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden en hij sinds maart 2010 in de woning woonde. Gedaagde betwist dit en stelt dat eiser pas in oktober 2011 introk en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond.
De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf oktober 2011 in de woning woont en daar zijn hoofdverblijf heeft. De kernvraag is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, mede omdat eiser zijn inschrijving als woningzoekende handhaafde en in 2011 meerdere keren een spoedwoning wenste, wat niet verenigbaar is met een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld tot ontruiming van de woning. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen omdat de wetgever ontruiming pas toelaat nadat de vordering onherroepelijk is beslist. De machtiging tot inschakeling van de sterke arm wordt eveneens afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning zonder uitvoerbaarheid bij voorraad.