ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2045
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.W.M. Hendriks
- H. Bloebaum
- B.J.T. Bouma
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mensenhandel jegens echtgenote
Verdachte werd beschuldigd van mensenhandel gepleegd tegen zijn echtgenote, waarbij hij haar zou hebben gedwongen tot prostitutie door dwang, geweld en misbruik van haar kwetsbare positie. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk.
De verdediging voerde aan dat verdachte en zijn echtgenote gezamenlijk hadden besloten tot prostitutie om financiële middelen te genereren en dat er geen sprake was van dwang. Ook werden onderzoekswensen en vermeende verzuimen bij de aanhouding aangevoerd.
De rechtbank concludeerde dat de belastende verklaringen van getuigen vooral terug te voeren zijn op de verklaringen van de aangeefster zelf en dat er geen onafhankelijk bewijs was dat dwang of geweld aannemelijk maakte. De verklaringen van verdachte stonden lijnrecht tegenover die van aangeefster en er was onvoldoende bewijs om het ten laste gelegde te bewijzen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. De inbeslaggenomen goederen werden teruggegeven aan de rechthebbende en de civiele vordering van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van mensenhandel jegens zijn echtgenote.