ECLI:NL:RBONE:2013:BY8107
Rechtbank Oost-Nederland
- Kort geding
- Zweers
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens verjaring en ondeugdelijke vordering na cessie
In deze zaak vorderden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de opheffing van conservatoir beslag dat door MBS Raad was gelegd op hun aandelen, vorderingen bij banken en onroerende zaken. MBS Raad baseerde haar vordering op een door de curator overgenomen vordering uit faillissementen van betrokken vennootschappen, stellende dat sprake was van onrechtmatige daad en bedrog.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering van MBS Raad voorshands verjaard was op grond van artikel 7:23 lid 2 BW Pro, omdat niet binnen twee jaar na de klachtprocedure een procedure was gestart. Hoewel MBS Raad stelde dat de vordering was gebaseerd op een ander feitencomplex dan de verkoopovereenkomst van 2002, achtte de voorzieningenrechter het verweer van verjaring kansrijk.
Daarnaast werd de geldigheid van de cessie betwist, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat mededeling van de cessie aan de debiteuren was gedaan door betekeningsexploot, zodat de cessie voorshands als geldig werd aangenomen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de verwijten van MBS Raad zich overwegend binnen de overeenkomst van 2002 bewegen en niet kwalificeren als een zelfstandig onrechtmatig handelen. Daarom werden de beslagen opgeheven, een onbepaald verbod op nieuwe beslagen afgewezen en MBS Raad veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven wegens verjaring en ondeugdelijkheid van de vordering, en MBS Raad wordt veroordeeld in de proceskosten.