ECLI:NL:RBOBR:2026:978
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verlaging boetes voor transportondernemingen wegens overschrijding redelijke termijn bij overtreding Arbeidstijdenwet
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde aan twee transportondernemingen boetes op wegens het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden, waarbij chauffeurs op meerdere momenten zonder bestuurderskaart vervoerswerkzaamheden verrichtten. De ondernemingen betwistten de boetes en voerden aan dat hen geen verwijt kon worden gemaakt omdat zij de verantwoordelijkheid hadden gedelegeerd aan een hoofdplanner.
De rechtbank oordeelde dat de ondernemingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke hadden gedaan om overtredingen te voorkomen. De wettelijke verplichting tot correcte registratie rust op de werkgever, en het ontbreken van toezicht op de hoofdplanner leidde tot verwijtbaarheid.
Partijen waren het eens over de overschrijding van de redelijke termijn, maar verschilden over het moment van aanvang. De rechtbank stelde vast dat de termijn begon bij de toezending van de inspectierapporten in juli 2022. Gezien de overschrijding matigde de rechtbank de boetes met 20%, waardoor de boetes voor de ondernemingen werden verlaagd.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en stelde de boetes vast op €34.800,- en €17.400,-. Tevens veroordeelde zij de minister tot terugbetaling van griffierechten en proceskosten aan de ondernemingen.
Uitkomst: Boetes bevestigd maar met 20% gematigd wegens overschrijding redelijke termijn, boetes vastgesteld op €34.800,- en €17.400,-.