ECLI:NL:RBOBR:2026:978

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/3625 en 24/3622
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:3 AtwArt. 5:41 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:72a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging boetes voor transportondernemingen wegens overschrijding redelijke termijn bij overtreding Arbeidstijdenwet

De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde aan twee transportondernemingen boetes op wegens het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden, waarbij chauffeurs op meerdere momenten zonder bestuurderskaart vervoerswerkzaamheden verrichtten. De ondernemingen betwistten de boetes en voerden aan dat hen geen verwijt kon worden gemaakt omdat zij de verantwoordelijkheid hadden gedelegeerd aan een hoofdplanner.

De rechtbank oordeelde dat de ondernemingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke hadden gedaan om overtredingen te voorkomen. De wettelijke verplichting tot correcte registratie rust op de werkgever, en het ontbreken van toezicht op de hoofdplanner leidde tot verwijtbaarheid.

Partijen waren het eens over de overschrijding van de redelijke termijn, maar verschilden over het moment van aanvang. De rechtbank stelde vast dat de termijn begon bij de toezending van de inspectierapporten in juli 2022. Gezien de overschrijding matigde de rechtbank de boetes met 20%, waardoor de boetes voor de ondernemingen werden verlaagd.

De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en stelde de boetes vast op €34.800,- en €17.400,-. Tevens veroordeelde zij de minister tot terugbetaling van griffierechten en proceskosten aan de ondernemingen.

Uitkomst: Boetes bevestigd maar met 20% gematigd wegens overschrijding redelijke termijn, boetes vastgesteld op €34.800,- en €17.400,-.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/3625 en SHE 24/3622

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , uit [vestigingsplaats] , hierna [eiser 1] (AWB 24/3625)

[eiser 2]., uit [vestigingsplaats] , hierna [eiser 2] (24/3622)
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. O. Lenselink),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigde: mr. P.L. Man en mr. J.J. Langenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door de minister aan [eiser 1] en [eiser 2] opgelegde boetes wegens overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de boetebesluiten juist zijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers terecht beboet heeft voor de overtredingen van de Atw. Omdat de redelijke termijn is overschreden worden de boetes wel verlaagd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De minister heeft aan [eiser 1] met het besluit van 16 april 2024 een (gemaximeerde) boete van € 43.500,- opgelegd wegens tien overtredingen van artikel 4:3, eerste lid van de Atw. De minister heeft aan [eiser 2] met het besluit van 16 april 2024 een boete opgelegd van € 21.750,- wegens zes overtredingen van datzelfde artikel. Met de bestreden besluiten van 17 september 2024 op de bezwaren van eisers is de minister bij de boetebesluiten gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten.
2.2.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 januari 2025 tegelijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en de minister.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] exploiteren een transportbedrijf. Eisers zijn op hetzelfde adres gevestigd en vallen onder dezelfde beheervennootschap die wordt bestuurd door dezelfde bestuurders.
3.1.
Op 30 november 2021 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bedrijfsinspecties gedaan bij eisers gericht op (onder andere) de rij- en rusttijden volgens de Atw in het tijdvak van 3 mei 2021 tot en met 30 mei 2021. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de op ambtsbelofte opgemaakte boeterapporten van de ILT van 30 juni 2022.
3.2.
Op grond van de bevindingen in de boeterapporten heeft de minister de boetebesluiten genomen. [eiser 1] wordt verweten dat vijf chauffeurs in het genoemde tijdvak ten behoeve van haar werkzaamheden hebben verricht, terwijl ten aanzien van deze werkzaamheden een deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden ontbrak. De chauffeurs hebben op in totaal tien momenten vervoerswerkzaamheden verricht zonder gebruik te maken van hun bestuurderskaart. Voor [eiser 2] geldt ditzelfde verwijt voor twee chauffeurs, op in totaal zes momenten.
3.3.
Met de bestreden besluiten is de minister bij de boetebesluiten gebleven. Gelet op de ernst van de overtredingen, de verwijtbaarheid en de overige omstandigheden heeft de minister een boete van € 4.400,- per overtreding passend en geboden gevonden. Op grond van Beleidsregel 2019 is de boete voor [eiser 1] vervolgens gemaximeerd op € 43.500,- en de boete van [eiser 2] op € 21.750,- .

Beoordeling door de rechtbank

Kan eisers een verwijt van de overtredingen worden gemaakt?
4. Eisers betwisten de overtredingen niet. Eisers betogen primair dat hen geen verwijt van de overtredingen kan worden gemaakt. Ter onderbouwing daarvan stellen eisers dat zowel de hoofdplanner als de betrokken chauffeurs wisten dat gebruik moest worden gemaakt van de bestuurderskaart. Zij zijn hierin nalatig geweest. Eisers hebben de betrokken personen hierop aangesproken. De hoofdplanner is niet langer in dienst.
4.1
Op grond van artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Het is in dit verband aan eisers om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was hebben gedaan om de overtredingen te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers er niet in geslaagd om dit aannemelijk te maken. Het is de keuze van eisers geweest om de verantwoordelijkheid voor het voeren van een deugdelijke registratie en het houden van toezicht daarop volledig te delegeren aan haar werknemers en dan in het bijzonder aan de (kennelijk voor beide eisers werkzame) hoofdplanner. Deze keuze ontslaat eisers echter niet van hun verplichtingen op grond van de Atw. De wettelijke verplichting rust immers op eisers als werkgever, niet op de ondergeschikten van eisers. Dat de bestuurders van eisers door bezigheden buiten de bedrijven niet zelf in de gelegenheid zijn om toe te zien op het voeren van een deugdelijke registratie maakt niet dat eisers de overtreding niet verweten kan worden. Op geen enkele wijze is gebleken dat de bedrijfsprocessen op een dusdanige manier waren ingericht dat er alles aan gedaan is om een deugdelijke registratie te voeren. Van enige controle op de werkzaamheden van de hoofdplanner is bijvoorbeeld al niet gebleken. Het betoog slaagt niet.
4.2.
Ook het subsidiaire betoog, namelijk dat eisers slechts een verminderd verwijt kan worden gemaakt, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers door hun keuze om de controle op de registratie volledig over te laten aan hun hoofdplanner en daar verder zelf niet meer op te toe te zien, het risico aanvaard op fouten. Dat de hard- en softwarevoorzieningen op zichzelf al toereikend zijn om een deugdelijke registratie te kunnen veronderstellen volgt de rechtbank niet. De voorzieningen moeten namelijk wel gebruikt worden en de bedrijfsvoering moet zo worden ingericht dat op dit gebruik ook wordt toegezien. Dat eisers dit deden en hierbij een sluitend beschreven bedrijfsproces met controlemechanismen hanteerden, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. De minister heeft terecht gevonden dat de overtredingen volledig aan eisers verweten kunnen worden.
Matiging boete wegens overschrijding van de redelijke termijn?
5. Partijen zijn het erover eens dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Partijen verschillen van mening over de duur van de overschrijding en in het bijzonder over het moment waarop in deze zaken de redelijke termijn is begonnen. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaken de redelijke termijn omstreeks 27 juli 2022 is aangevangen. Dit zijn de data van de inspectierapporten van 26 juli 2022 ( [eiser 1] ) en 27 juli 2022 ( [eiser 2] ) waarin zonder voorbehoud staat vermeld dat door het Bureau Bestuurlijke Boete van de ILT een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan eisers zal worden toegezonden. [1] De minister heeft ter zitting desgevraagd verteld dat de inspectierapporten omstreeks die data ook aan eisers zijn toegezonden. Met de toezending van de inspectierapporten aan eisers heeft het bestuursorgaan een handeling verricht waaraan eisers de verwachting mochten ontlenen dat het bestuursorgaan hen een boete zou opleggen. Voor een eerdere datum, zoals door eisers bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat op 12 mei 2022 ook al een vergelijkbare boeteaanzegging is gedaan blijkt niet uit de gedingstukken.
5.1.
Uitgaande van de aanvang van de redelijke termijn omstreeks 27 juli 2022 is de redelijke termijn van - in dit geval - twee jaar omstreeks 27 juli 2024 verstreken. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en (bijna) zeven maanden. De boete zal in verband hiermee gematigd worden. In een geval waarin de redelijke termijn met meer dan een jaar is overschreden, handelt de Afdeling voor de matiging van de boete naar bevind van zaken [2] . De rechtbank vindt in dit geval een matiging met 20% passend en geboden. Voor een verdergaande compensatie, omdat het bestuursorgaan niet binnen dertien weken na het opmaken van de boeterapporten over het opleggen van een bestuurlijke boete heeft beslist, ziet de rechtbank geen aanleiding. Tussen het boeterapport en de aanvang van de redelijke termijn zit namelijk maar één maand en met een (afgeronde) matiging van 20% wordt hiervoor al voldoende compensatie geboden. Dat betekent dat [eiser 1] een boete van € 34.800,- aan de minister zal moeten betalen. Voor [eiser 2] komt dit neer op een boete van € 17.400,-.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn gegrond wat betreft de hoogte van de boetes. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 6 van Pro het EVRM. Zij zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb de hoogte van de boetes vaststellen op respectievelijk € 34.800,- ( [eiser 1] ) en € 17.400,- ( [eiser 2] ) en bepalen dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
6.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister de door [eiser 1] en [eiser 2] afzonderlijk betaalde griffierechten terugbetalen. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eisers voldoen. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert een wegingsfactor 0,5, omdat de beroepen alleen gegrond zijn vanwege de schending van artikel 6 van Pro het EVRM en de boetes op die grond moeten worden gematigd. Verder hanteert de rechtbank een wegingsfactor 1, omdat sprake is van twee samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro voornoemd Besluit. Dit betekent dat de proceskosten verdeeld worden over deze twee zaken. Dit betekent dat de minister aan [eiser 1] en [eiser 2] afzonderlijk een bedrag van € 467,- moet betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de boetebesluiten voor zover daarbij de boetes zijn vastgesteld op € 43.500,- ( [eiser 1] ) en € 21.750,- ( [eiser 2] );
- stelt de boetes vast op € 34.800,- ( [eiser 1] ) en € 17.400,- ( [eiser 2] );
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan [eiser 1] moet vergoeden;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan [eiser 2] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiser 1] tot een bedrag van € 467,-; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiser 2] tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzitter, en mr. R. van den Munckhof en mr. R.P.A. Kraaijeveld, leden, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.RVS:2025:1415, r.o. 4.3.