ECLI:NL:RBOBR:2026:880

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
01.357694.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling en openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor drie feiten: medeplegen van zware mishandeling op 9 november 2024, openlijke geweldpleging op dezelfde datum en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel op 15 november 2025. De mishandelingen betroffen meerdere slachtoffers die zwaar lichamelijk letsel opliepen, waaronder fracturen in het aangezicht die operatief moesten worden behandeld.

De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met een medeverdachte bewust en nauw samenwerkte bij het plegen van de mishandelingen en openlijke geweldpleging. Het bewezenverklaarde geweld vond plaats in de openbare ruimte en leidde tot blijvend letsel bij de slachtoffers. De verdediging betwistte het aandeel van verdachte bij het primaire feit en de ernst van het letsel bij het derde feit, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante begeleiding, middelenbeheersing en een contactverbod met een slachtoffer. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, vermeerderd met wettelijke rente, en werd verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.357694.24
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres 1] ,
thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 december 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 januari 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer fracturen in het aangezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal, met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer fracturen in het aangezicht ten gevolge heeft gehad;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven , openlijk, te weten op of aan de [adres 2] , in elk op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het
- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen,
- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of te schoppen;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 15 november 2025 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] meermaals, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of lichaam te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer fracturen in het aangezicht, ten gevolge heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Aan verdachte zijn twee incidenten ten laste gelegd, te weten het medeplegen van een zware mishandeling en openlijke geweldpleging op 9 november 2024 ten aanzien van aangevers [slachtoffer] en [slachtoffer 2] , en een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg van aangever [slachtoffer 3] op 15 november 2025.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vanwege het geringere aandeel van verdachte in de mishandeling. Voor het overige heeft de officier van justitie gerekwireerd om tot een bewezenverklaring te komen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank eveneens verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair aan verdachte ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiaire en onder feit 2 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2.
Feitenvaststelling 9 november 2024 ten aanzien van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] en [slachtoffer 2] in de vroege ochtend van 9 november 2024 met een verkeersbord op straat liepen in de [adres 2] in Eindhoven . Op enig moment zijn zij medeverdachte (hierna: [verdachte 2] ) tegengekomen en werden zij door hem aangesproken. Vrijwel direct daarna komt ook verdachte (hierna: [medeverdachte] ) aangerend. Op basis van de beschrijving van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] [slachtoffer 2] duwt, waarna [slachtoffer] tussen beiden komt. Hierop slaat [medeverdachte] [slachtoffer] tegen het hoofd waardoor hij op zijn linkerknie terechtkomt. Tegelijkertijd slaat [verdachte 2] [slachtoffer 2] tegen het hoofd waardoor hij ten val komt. [slachtoffer] probeert weg te lopen, waarop [medeverdachte] hem opnieuw met een vuist tegen het hoofd slaat. Vervolgens wordt [slachtoffer] door [medeverdachte] meermalen geschopt en geslagen tegen het hoofd. [verdachte 2] voegt zich bij [medeverdachte] en slaat [slachtoffer] ook met een vuist tegen het hoofd. Tot slot wordt [slachtoffer 2] nog meerdere keren met de vuist tegen het hoofd geslagen door [medeverdachte] .
Verdachte heeft erkend dat hij, net als zijn medeverdachte, geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] .
Feit 1
(Mede)plegen van mishandeling.
Uit de hierboven aangehaalde feiten blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer] .
De volgende vraag is of er sprake is van medeplegen van deze mishandeling tussen [medeverdachte] en [verdachte 2] . De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte 2] . Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
[verdachte 2] is de eerste die [slachtoffer] en [slachtoffer 2] heeft aangesproken, terwijl [medeverdachte] zodra hij zich bij het gezelschap voegt meteen de eerste duw uitdeelt. [medeverdachte] slaat als eerste, [verdachte 2] deelt vlak daarna een eerste klap uit. Beiden hebben, om beurten, zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer] geslagen. Daarbij heeft zowel [verdachte 2] als [medeverdachte] met de vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen. Daarmee hebben zij het geweld in nauwe en bewuste samenwerking uitgevoerd en beiden ook bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Het feit dat [verdachte 2] minder vaak heeft geslagen dan [medeverdachte] maakt dat niet anders. Voor medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van beide verdachten gelijkwaardig is
Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer] .
De vraag is of het gepleegde geweld ten aanzien van [slachtoffer] heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel, in welk geval het feit als zware mishandeling kan worden gekwalificeerd.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] drie fracturen in het aangezicht heeft opgelopen. Hij heeft hiervoor een operatie moeten ondergaan waarbij hij onder narcose is gebracht en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de botstructuur blijvend is veranderd. De rechtbank oordeelt dat dit letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dit is door de verdediging ook niet betwist.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde: het medeplegen van zware mishandeling.
Openlijk geweld feit 2.
De vraag is dan of er ook sprake is van openlijke geweldpleging tegenover [slachtoffer] en [slachtoffer 2] met letsel voor [slachtoffer 2] tot gevolg.
De rechtbank overweegt dat het geweld tegen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte, namelijk op straat in een uitgaansgebied, waardoor is voldaan aan het vereiste van openlijkheid. De rechtbank overweegt dat [verdachte 2] en [medeverdachte] , zoals hiervoor reeds overwogen onder feit 1, tezamen en in vereniging geweld richting beide slachtoffers hebben gebruikt, waardoor zij beiden een voldoende bijdrage hebben geleverd aan het geweld. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Geen eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en 2. Openlijke geweldpleging heeft niet alleen het belang van de bescherming van personen, maar ook de bescherming van de openbare orde ten doel, zodat de strafbepalingen verschillende belangen beogen te beschermen. Daar komt bij dat de mishandeling, tenlastegelegd onder feit 1, alleen [slachtoffer] betreft, terwijl de openlijke geweldpleging, tenlastegelegd onder feit 2, ook [slachtoffer 2] betreft. De rechtbank zal in de strafoplegging wel rekening houden met de samenhang tussen feit 1 en 2.
Feit 3.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever [slachtoffer 3] op 15 november in Eindhoven is tegengekomen. Verdachte heeft [slachtoffer 3] vervolgens twee keer tegen het hoofd geslagen. Dit erkent verdachte ook.
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank verwijst eerst naar de algemene overwegingen ten aanzien van zwaar lichamelijk letsel zoals hierboven reeds opgenomen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ook een lange periode van herstel of onzekerheid over de mate van het herstel kan maken dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op deze gezichtspunten stelt de rechtbank vast dat er sprake is geweest en mogelijk nogmaals zal zijn van operatief ingrijpen vanwege botbreuken van de kaak; er is een plaatje geplaatst om de breuken te herstellen. Dat plaatje moet mogelijk nog een keer vervangen worden. Bovendien blijkt uit de vordering van de benadeelde partij dat aangever een knik in het kaakgewricht heeft en onduidelijk is of deze nog zal slijten. Dat maakt dat er onzekerheid bestaat over de periode en mate van herstel. De rechtbank concludeert dan ook dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel en komt ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelenbijlage opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten fracturen in het aangezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermaals, met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan;
T.a.v. feit 2:
op 9 november 2024 te Eindhoven , openlijk, te weten aan de [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het
- meermalen, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen,
- meermalen, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of te schoppen;
T.a.v. feit 3:
op 15 november 2025 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] meermaals, tegen het hoofd te slaan,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten fracturen in het aangezicht, ten gevolge heeft gehad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering geadviseerd en een contactverbod met aangever [slachtoffer 3] .
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de verdediging verzocht om bij een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 maanden met een groot deel voorwaardelijk, zo spoedig mogelijk een beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis te nemen zodat verdachte zaken omtrent zijn woning die ontruimd moet worden met de woningbouwvereniging kan afhandelen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling, openlijk geweld en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge De slachtoffers van de zware mishandeling en openlijke geweldpleging van 9 november 2024 waren onderweg naar huis na een feestje en troffen eerst [verdachte 2] , die hen opdroeg het bord dat zij bij zich hadden aan hem af te staan. Nadat zij dat weigerden, zijn zij beiden door [verdachte 2] en [medeverdachte] , die zich inmiddels bij zijn halfbroer had gevoegd, tegen het hoofd geslagen en geschopt waardoor er (zwaar) lichamelijk letsel is ontstaan. [slachtoffer] heeft drie breuken in zijn gezicht opgelopen, waaraan hij moest worden geopereerd en waardoor zijn botstructuur voor altijd veranderd is. De rechtbank overweegt dat het geweld vanuit verdachte en medeverdachte is ontstaan en zonder enige aanleiding is gepleegd. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk, en zeer kwalijk. Nog los van de fysieke klachten die met name [slachtoffer] heeft overgehouden aan de mishandeling, is gebleken dat de onverwachte agressie die op hen is losgelaten een enorme impact heeft gehad op de beide slachtoffers.
Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft een tweede incident plaatsgevonden, met aangever [slachtoffer 3] . Verdachte heeft daarbij zo hard met zijn vuist tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen, dat daardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Ondanks het feit dat er sprake was van een schorsing heeft verdachte niet geschuwd om fors geweld te gebruiken. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Het zeer gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om al dan niet samen met anderen zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2025 van verdachte
De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op de adviesrapportage van de reclassering van 19 januari 2026. Daarin wordt het risico op recidive ingeschat als hoog. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante begeleiding en beheersing van het middelengebruik.
Slachtoffer [slachtoffer 3] heeft de rechtbank verzocht om een contactverbod. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, in die zin dat het als bijzondere voorwaarde zal gelden zoals in de beslissing vermeld.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank neemt daarbij de oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging als strafbepaling met de zwaarste hoofdstraf als uitgangspunt. Hierbij wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden in geval van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door bijvoorbeeld te trappen tegen het hoofd. De rechtbank overweegt dat nu het gaat om meer dan één slachtoffer bij de openlijke geweldpleging, en de rechtbank ook tot een bewezenverklaring komt van een andere mishandeling, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te noemen duur: 12 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Door de verdediging is verzocht om een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank dat niet aan de orde.
De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Bovendien overweegt de rechtbank dat de gevangenisstraf voor verdachte van gelijke hoogte dient te zijn als de gevangenisstraf die aan de medeverdachte zal worden opgelegd omdat de delicten waarvoor zij worden veroordeeld in aard en ernst vergelijkbaar zijn.
De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd, en het contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 3] .
Alles overziend legt de rechtbank aldus aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. En daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante begeleiding, beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank dat de ernstige bezwaren en de gronden onverkort aanwezig zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen, zeker nu er sprake is van wederom een ernstig geweldsdelict dat tijdens de schorsing is gepleegd namelijk ten opzichte van [slachtoffer 3] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot vergoeding van de schade ingediend. De vordering bestaat uit € 456,00 materiële schade, € 5.500,00 immateriële schade en € 65,54 proceskosten. Ter terechtzitting zijn de proceskosten door de benadeelde partij vermeerderd tot € 73,26. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente te vergoeden en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen en verdachte daarvoor hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde reiskosten als onderdeel van de materiële schade, en de proceskosten na vermeerdering die ook bestaan uit reiskosten, dat de benadeelde partij volgens vaste jurisprudentie geen reiskosten mag vorderen in geval van bijstand door een gemachtigde. Daarvan is in dit geval sprake, waardoor de rechtbank deze posten zal afwijzen.
Ten aanzien van de overige materiële kosten overweegt de rechtbank dat deze voldoende zijn onderbouwd en dat het rechtstreekse schade betreft. De rechtbank zal deze posten van in totaal € 201,84 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat deze eveneens voor vergoeding in aanmerking komt nu deze voldoende is onderbouwd, het rechtstreekse schade betreft en de hoogte van het gevorderde bedrag van € 5.500,00 de rechtbank, mede gelet op de Rotterdamse schaal ook redelijk voorkomt. De rechtbank vermeerdert deze post met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit (zware mishandeling) samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 70,78 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente te vergoeden en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering volledig toe te wijzen. De officier van justitie heeft eveneens verzocht om verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen ten aanzien van de schade.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de dag der algehele voldoening. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vordering voldoende is onderbouwd en dat het rechtstreekse schade betreft. Bovendien is het gevorderde bedrag aan immateriële schade, mede gelet op de Rotterdamse schaal, redelijk.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit (openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel tot gevolg) samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] is een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering te matigen tot € 3.000,00 omdat de verdediging zich op het standpunt stelt dat niet de juiste categorie van de Rotterdamse schaal is gebruikt ter onderbouwing van de omvang van de schade. Er is geen blijk van een medische eindtoestand.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2025 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering voldoende is onderbouwd met medische stukken waaronder CT-scans en een verwijzing naar de Rotterdamse schaal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij ook gebruik gemaakt van de juiste categorie gelet op de ernst van het letsel, namelijk de derde (III; lichtste) categorie onder “breuken van de kaak” die uitgaat van volledig herstel terwijl dat in geval van [slachtoffer 3] nog onzeker is. Bovendien betreft het rechtstreekse schade als gevolg van de mishandeling door verdachte.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de
misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
* zware mishandeling, gepleegd in vereniging;
t.a.v. feit 2
* openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
t.a.v. feit 3:
* mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straf:
* een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 maanden;
beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot
6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een
proeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils, op het adres Dr. Cuyperslaan 80 , Eindhoven , tel. 088-0901140 ;
- dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie i-Respect van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing of cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Ambulante Begeleiding van het Leger des Heils of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel mogelijk na het opstarten van het traject. De begeleiding is gericht op het aanbrengen van stabiliteit op de (praktische) leefgebieden;
- dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- een contactverbod met [slachtoffer 3] , geboren op [2005] ;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt op de volgende
maatregelen:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.701,84 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 201,84 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
t.a.v. feit 2:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.070,78 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 70,78 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
t.a.v. feit 3:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 6.000,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.701,84 euro, bestaande uit 201,84 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
wijst de vordering voor het overige af;
stelt verdachte hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de schade;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij of zijn medeverdachte heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.070,78 euro, bestaande uit 70,78 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
stelt verdachte hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de schade;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij of zijn medeverdachte heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 6.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.F.A.M. de Graauw, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. G.M. Blanken, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 10 februari 2026.