ECLI:NL:RBOBR:2026:878

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
01-357605-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling, openlijke geweldpleging en vernieling met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 9 november 2024 heeft verdachte samen met een medeverdachte meerdere slachtoffers mishandeld in Eindhoven, waarbij één slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep door fracturen in het aangezicht die een operatie vereisten. Daarnaast pleegde verdachte openlijk geweldpleging en mishandeling tegen andere personen op dezelfde dag. Op 20 juli 2025 vernielde verdachte de voordeur van een woning en drong wederrechtelijk binnen, wat leidde tot lichamelijk letsel bij een aanwezige.

De rechtbank stelde vast dat verdachte en medeverdachte in nauwe en bewuste samenwerking handelden, waardoor medeplegen bewezen werd. Het letsel bij het zwaar mishandelde slachtoffer werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. De rechtbank verwierp de verdediging en achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie eiste 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een straf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder gedragsinterventie agressiebeheersing en begeleiding.

De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan de slachtoffers, deels met wettelijke rente en stelde verdachte hoofdelijk aansprakelijk. Sommige vorderingen werden gedeeltelijk of geheel afgewezen wegens onvoldoende rechtstreeks verband met de feiten. De voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 10 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met oplegging van schadevergoedingen en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.357605.24 en 01.256199.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 13 januari 2026.
Nadat de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 01-357605-24 op de terechtzitting van 27 januari 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-357605-24 feit 1:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer fracturen in het aangezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, atlhans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer fracturen in het aangezicht ten gevolge heeft gehad;
T.a.v. 01-357605-24 feit 2:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven, openlijk, te weten op of aan de [adres] , in elk op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het
- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te schoppen,
- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 5] te slaan en/of schoppen,

terwijl dit (door hem gepleegde) geweld lichamelijk letsel (te weten een wond aan de wenkbrauw), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad;

T.a.v. 01-357605-24 feit 3:
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven [slachtoffer 6] heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen;
T.a.v. 01-256199-25 feit 1:
hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en/of een muur van de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
T.a.v. 01-256199-25 feit 2:
hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Eindhoven in de woning aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Aan verdachte zijn twee geweldsincidenten op 9 november 2024 ten laste gelegd, te weten de mishandeling van aangever [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), en het medeplegen van zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en openlijke geweldpleging ten aanzien van aangevers [slachtoffer 1] en aangever [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ). Daarnaast is aan verdachte ten laste gelegd het op 20 juli 2025 wederrechtelijk binnendringen van een woning en het vernielen van de deur en/of muur van deze woning.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van 01.357605.24 feit 1 en feit 2.
Feitenvaststelling 9 november 2024 ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] .
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] in de vroege ochtend van 9 november 2024 met een verkeersbord op straat liepen in de [adres] in Eindhoven. Op enig moment zijn zij medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) tegengekomen en werden zij door hem aangesproken. Vrijwel direct daarna komt ook verdachte (hierna: [verdachte] ) aangerend. Op basis van de beschrijving van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] [slachtoffer 5] duwt, waarna [slachtoffer 1] tussen beiden komt. Hierop slaat [verdachte] [slachtoffer 1] tegen het hoofd waardoor hij op zijn linkerknie terechtkomt. Tegelijkertijd slaat [medeverdachte] [slachtoffer 5] tegen het hoofd waardoor hij ten val komt. [slachtoffer 1] probeert weg te lopen, waarop [verdachte] hem opnieuw met een vuist tegen het hoofd slaat. Vervolgens wordt [slachtoffer 1] door [verdachte] meermalen geschopt en geslagen tegen het hoofd. [medeverdachte] voegt zich bij [verdachte] en slaat [slachtoffer 1] ook met een vuist tegen het hoofd. Tot slot wordt [slachtoffer 5] nog meerdere keren met de vuist tegen het hoofd geslagen door [verdachte] .
Verdachte heeft erkend dat hij, net als zijn medeverdachte, geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] .
Feit 1
(Mede)plegen van mishandeling.
Uit de hierboven aangehaalde feiten blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer 1] .
De volgende vraag is of er sprake is van medeplegen van deze mishandeling tussen [verdachte] en [medeverdachte] . De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
[medeverdachte] is de eerste die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] heeft aangesproken, terwijl [verdachte] zodra hij zich bij het gezelschap voegt meteen de eerste duw uitdeelt. [verdachte] slaat als eerste, [medeverdachte] deelt vlak daarna een eerste klap uit. Beiden hebben, om beurten, zowel [slachtoffer 5] als [slachtoffer 1] geslagen. Daarbij heeft zowel [medeverdachte] als [verdachte] met de vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geslagen. Daarmee hebben zij het geweld in nauwe en bewuste samenwerking uitgevoerd en beiden ook bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Het feit dat [medeverdachte] minder vaak heeft geslagen dan [verdachte] maakt dat niet anders. Voor medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van beide verdachten gelijkwaardig is
Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 1] .
De vraag is of het gepleegde geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel, in welk geval het feit als zware mishandeling kan worden gekwalificeerd.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] drie fracturen in het aangezicht heeft opgelopen. Hij heeft hiervoor een operatie moeten ondergaan waarbij hij onder narcose is gebracht en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de botstructuur blijvend is veranderd. De rechtbank oordeelt dat dit letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dit is door de verdediging ook niet betwist.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde: het medeplegen van zware mishandeling.
Openlijk geweld feit 2.
De vraag is dan of er ook sprake is van openlijke geweldpleging tegenover [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] met letsel voor [slachtoffer 5] tot gevolg.
De rechtbank overweegt dat het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte, namelijk op straat in een uitgaansgebied, waardoor is voldaan aan het vereiste van openlijkheid. De rechtbank overweegt dat [medeverdachte] en [verdachte] , zoals hiervoor reeds overwogen onder feit 1, tezamen en in vereniging geweld richting beide slachtoffers hebben gebruikt, waardoor zij beiden een voldoende bijdrage hebben geleverd aan het geweld. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Geen eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en 2. Openlijke geweldpleging heeft niet alleen het belang van de bescherming van personen, maar ook de bescherming van de openbare orde ten doel, zodat de strafbepalingen verschillende belangen beogen te beschermen. Daar komt bij dat de mishandeling, tenlastegelegd onder feit 1, alleen [slachtoffer 1] betreft, terwijl de openlijke geweldpleging, tenlastegelegd onder feit 2, ook [slachtoffer 5] betreft. De rechtbank zal in de strafoplegging wel rekening houden met de samenhang tussen feit 1 en 2.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelenbijlage opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. 01-357605-24 feit 1 primair:
op 9 november 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten fracturen in het aangezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen;
T.a.v. 01-357605-24 feit 2:
op omstreeks 9 november 2024 te Eindhoven, openlijk, te weten aan de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het
- meermalen, tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te schoppen,
- meermalen, tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 5] te slaan en/of schoppen,

terwijl dit geweld lichamelijk letsel (te weten een wond aan de wenkbrauw), voor die [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad;

T.a.v. 01-357605-24 feit 3:
op 9 november 2024 te Eindhoven [slachtoffer 6] heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] meermalen, tegen het hoofd te schoppen;
T.a.v. 01-256199-25 feit 1:
op 20 juli 2025 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van de woning aan de [adres 2] , die aan een ander, toebehoorde heeft vernield;
T.a.v. 01-256199-25 feit 2:
op 20 juli 2025 te Eindhoven in de woning aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op te leggen, met aftrek van het voorarrest en waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een forse taakstraf op te leggen met een korte voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich op 9 november 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling na een avond stappen. Omdat hij in de veronderstelling was dat het slachtoffer met de politie aan het bellen was vanwege hem, heeft hij het slachtoffer tegen het hoofd geschopt. Achteraf bleek die veronderstelling niet eens te kloppen, maar ook als dit het geval was geweest acht de rechtbank het onbegrijpelijk en zeer kwalijk dat verdachte het slachtoffer op deze wijze heeft mishandeld. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer daar geen fysieke klachten aan heeft overgehouden. Het gebeurde heeft, begrijpelijkerwijs, veel indruk gemaakt op het slachtoffer.
Slechts enkele minuten later heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling en openlijk geweld met lichamelijk letsel tot gevolg. De slachtoffers van de zware mishandeling en openlijke geweldpleging waren onderweg naar huis na een feestje en troffen eerst [medeverdachte] , die hen opdroeg het bord dat zij bij zich hadden aan hem af te staan. Nadat zij dat weigerden, zijn zij beiden door [medeverdachte] en [verdachte] , die zich inmiddels bij zijn halfbroer had gevoegd, tegen het hoofd geslagen en geschopt waardoor er (zwaar) lichamelijk letsel is ontstaan. [slachtoffer 1] heeft drie breuken in zijn gezicht opgelopen, waaraan hij moest worden geopereerd en waardoor zijn botstructuur voor altijd veranderd is. De rechtbank overweegt dat het geweld vanuit verdachte en medeverdachte is ontstaan en zonder enige aanleiding is gepleegd. De rechtbank acht ook dit onbegrijpelijk, en zeer kwalijk. Nog los van de fysieke klachten die met name [slachtoffer 1] heeft overgehouden aan de mishandeling, is gebleken dat de onverwachte agressie die op hen is losgelaten een enorme impact heeft gehad op de beide slachtoffers.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de deur van een woning en het wederrechtelijk binnendringen van deze woning. Ook deze gebeurtenis vond plaats na een avond stappen. Nadat hij een plens water over zich heen had gekregen vanaf een dakterras, heeft verdachte de deur ingetrapt van de woning waarvan hij dacht dat deze mogelijk bij het dakterras hoorde, om “verhaal te halen”. Dit bleek de verkeerde deur te zijn: binnen werd een vrouw uit haar slaap gerukt doordat een onbekende de voordeur van haar woning intrapte en vervolgens haar woning instormde. De andere persoon waar verdachte mee was, heeft het slachtoffer vervolgens ook nog geslagen. Verdachte heeft met zijn handelen wederom niet nagedacht over de gevolgen voor het aanwezige slachtoffer in de woning en wederom zijn anderen geconfronteerd met een agressie die blijkbaar bij verdachte kan ontstaan als er bij hem, zoals hij het zelf heeft genoemd, “een knop omgaat”. Dit feit heeft ook nog eens plaatsgevonden tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Het zeer gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om al dan niet samen met anderen zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2025 van verdachte.
De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op de adviesrapportage van de reclassering van 10 januari 2026. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante begeleiding, begeleid wonen, het aflossen van schulden en beheersing van het middelengebruik. Ter terechtzitting heeft de rechtbank mevrouw [toezichthouder] toezichthouder bij de reclassering, gehoord als deskundige. Kort gezegd heeft zij verklaard dat verdachte meewerkt met het reclasseringstoezicht tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en dat hij open staat voor wat hem wordt aangeboden. De rechtbank houdt hiermee rekening en acht het van belang dat er begeleiding en behandeling voor verdachte komt, teneinde recidive te voorkomen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank neemt daarbij de oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging als strafbepaling met de zwaarste hoofdstraf, als uitgangspunt. Voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door bijvoorbeeld te trappen tegen het hoofd geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank overweegt dat nu het gaat om meer dan één slachtoffer bij de openlijke geweldpleging, en de rechtbank ook tot een bewezenverklaring komt van een andere mishandeling en bovendien van vernieling en het wederrechtelijk binnendringen van een woning, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te noemen duur: 12 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Door de verdediging is verzocht om een forse taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank dat dus niet aan de orde.
De rechtbank zal wel een lichtere straf opleggen dan geëist omdat de op te leggen straf de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking brengt.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de gevangenisstraf voor verdachte van gelijke hoogte dient te zijn als de gevangenisstraf die aan de medeverdachte zal worden opgelegd omdat de delicten waarvoor zij worden veroordeeld in aard en ernst vergelijkbaar zijn.
De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.
Alles overziend legt de rechtbank aldus aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. En daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante begeleiding, begeleid wonen, het aflossen van schulden en beheersing van het middelengebruik.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank dat er geen gronden voor het in stand laten van de tot op heden geschorste voorlopige hechtenis zijn. Dit mede gelet op het uitgangspunt dat men in beginsel in vrijheid mag afwachten totdat een uitspraak onherroepelijk is. De rechtbank heft de voorlopige hechtenis op.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is een vordering tot vergoeding van de schade ingediend. De vordering bestaat uit € 456,00 materiële schade, € 5.500,00 immateriële schade en € 65,54 proceskosten. Ter terechtzitting zijn de proceskosten door de benadeelde partij vermeerderd tot € 73,26. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente te vergoeden en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen en verdachte daarvoor hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde reiskosten als onderdeel van de materiële schade, en de proceskosten na vermeerdering die ook bestaan uit reiskosten, dat de benadeelde partij volgens vaste jurisprudentie geen reiskosten mag vorderen in geval van bijstand door een gemachtigde. Daarvan is in dit geval sprake, waardoor de rechtbank deze posten zal afwijzen.
Ten aanzien van de overige materiële kosten overweegt de rechtbank dat deze voldoende zijn onderbouwd en dat het rechtstreekse schade betreft. De rechtbank zal deze posten van in totaal € 201,84 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat deze eveneens voor vergoeding in aanmerking komt nu deze voldoende is onderbouwd, het rechtstreekse schade betreft en de hoogte van het gevorderde bedrag van € 5.500,00 de rechtbank, mede gelet op de Rotterdamse schaal ook redelijk voorkomt. De rechtbank vermeerdert deze post met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit (zware mishandeling) samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 70,78 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente te vergoeden en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering volledig toe te wijzen. De officier van justitie heeft eveneens verzocht om verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen ten aanzien van de schade.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de dag der algehele voldoening. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vordering voldoende is onderbouwd en dat het rechtstreekse schade betreft. Bovendien is het gevorderde bedrag aan immateriële schade, mede gelet op de Rotterdamse schaal, redelijk.
Motivering van de hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit (openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel tot gevolg) samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 6] is een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 199,33 materiële schade en € 750,00 immateriële schade. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente te vergoeden en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de materiële schade omdat niet vast is komen te staan dat deze in rechtstreeks verband staat met het ten laste gelegde. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht om deze toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de gevorderde materiële schade in voldoende rechtstreeks verband staat met het aan verdachte ten laste gelegde. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank acht de immateriële schade wel toewijsbaar omdat het rechtstreekse schade betreft die bovendien voldoende is onderbouwd en de rechtbank ook, mede gelet op de Rotterdamse schaal, redelijk voorkomt. De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

Namens de benadeelde partij Bouchée is een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 500,00 immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering te matigen tot € 250,00.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren of de vordering af te wijzen, nu het geen rechtstreekse schade betreft.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat onvoldoende is gebleken dat deze is ontstaan als rechtstreeks gevolg van het door verdachte gepleegde feit. De toelichting ziet immers voornamelijk op de mishandeling die is gepleegd door een medeverdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 138, 141, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de
misdrijven:
t.a.v. 01.357605.24 feit 1 primair:
* zware mishandeling, gepleegd in vereniging;
t.a.v. 01.357605.24 feit 2:
* openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
t.a.v. 01.357605.24 feit 3:
* mishandeling;
t.a.v. 01.256199.25 feit 1:
* opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
t.a.v. 01.256199.25 feit 2:
* in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straf:
* een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 maanden;
beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot
6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een
proeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Jeugdcoach of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding is reeds gestart en is gericht op het op orde brengen van de praktische leefgebieden en het bestendigen van stabiliteit;
- dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in begeleid wonen instelling Sint Annaklooster Rentree of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of (soft)drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt op de volgende
maatregelen:
t.a.v. 01.357605.24 feit 1 primair, feit 2:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 5.701,84 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 201,84 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
t.a.v. 01.357605.24 feit 2:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.070,78 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 70,78 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
t.a.v. 01.357605.24 feit 3:
* de
maatregel van schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 6] , van een bedrag van 750,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 750,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 5.701,84 euro, bestaande uit 201,84 euro materiële schade en 5.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
wijst de vordering voor het overige af;
stelt verdachte hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de schade;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij of zijn medeverdachte heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.070,78 euro, bestaande uit 70,78 euro materiële schade en 1.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
stelt verdachte hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de schade;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij of zijn medeverdachte heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] , van een bedrag van 750,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 09 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van verdachte en stelt deze op nihil;
heft op de voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.F.A.M. de Graauw, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. G.M. Blanken, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 10 februari 2026.