ECLI:NL:RBOBR:2026:801

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/752
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 22.8 OmgevingswetArt. 2 Bomenverordening Geldrop-Mierlo 2019Art. 6 Bomenverordening Geldrop-Mierlo 2019Art. 2.2 lid 1 onder g Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergunning voor kappen en snoeien van haagbeuken bij herontwikkeling woongebied

Eiseres maakte bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo voor het kappen van een haagbeuk en het snoeien van een andere haagbeuk nabij haar woning. Zij stelde dat de belangen bij het vellen van de bomen niet opwegen tegen de waarde die deze bomen hebben voor haar woon- en leefklimaat en dat het vellen niet noodzakelijk is.

De rechtbank oordeelde dat het college de vergunning op redelijke gronden heeft verleend. Het college stelde dat de bomen vanwege de voorgenomen herontwikkeling van het bedrijventerrein tot woongebied en de bouw van een appartementencomplex niet te handhaven zijn zonder schade. De snoei van de boom tegenover de woning is volgens het college een duurzame en technisch verantwoorde oplossing om overlast te beperken.

De rechtbank vond dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het vellen en snoeien noodzakelijk is en dat de belangenafweging rechtvaardig is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en zorgen over wateropvang werden verworpen. De vergunning blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het kappen en snoeien van haagbeuken wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/752 OW/ALG/OPA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo, het college,

(gemachtigde: mr. B.A.P.M. Achterbergh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het kappen van een haagbeuk en het snoeien van een haagbeuk nabij de [adressen] in [plaats] . Eiseres is het niet eens met de verlening van deze vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft vervolgens op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
3. Op 8 mei 2024 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend door de
gemeente Geldrop-Mierlo voor het rooien van twee haagbeuken ten hoogte van de
[adressen] in [plaats] . De kadastrale aanduiding betreft [nummer] . Op
26 juni 2024 is een omgevingsvergunning voor het rooien van een haagbeuk en het snoeien van een haagbeuk verleend. De vergunning is verleend onder de voorwaarde dat herplant van twee bomen dient plaats te vinden binnen drie jaar na het rooien van de bomen. In het bestreden besluit is dit aangepast naar het herplanten van twee nieuwe bomen binnen een jaar na het rooien van de boom. Het vellen van de bomen houdt verband met de voorgenomen herontwikkeling van De Bleekvelden, waarbij een bedrijventerrein tot een woongebied wordt getransformeerd. Op het terrein direct naast de bomen is een appartementencomplex voorzien. Door graafwerkzaamheden bestaat er volgens het college een grote kans op wortelschade bij de haagbeuk tegenover [huisnummer] . Naar verwachting zal deze haagbeuk bij realisatie van het bouwplan meer dan 50% van zijn wortels gaan verliezen, waardoor deze niet meer te handhaven valt. Daarnaast komt het appartementencomplex dichter bij de grens van het perceel te staan dan het bestaande bedrijfsgebouw. Hiermee zullen de takken van de haagbeuk tegenover [huisnummer] tegen het gebouw aankomen, aldus het college. Daarom is de gemeente voornemens om meer dan 20% van de kroon van deze boom te snoeien.

Toetsingskader

4.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gelezen in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2 van Pro de Bomenverordening Geldrop-Mierlo 2019 (de Bomenverordening) is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden.
Onder vellen wordt op grond van artikel 1, onder r, van de Bomenverordening verstaan: rooien; kappen; verplanten; het voor meer dan 20% snoeien van de kroon of verwijderen van het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Het toetsingskader voor een vergunning voor het vellen van houtopstanden is opgenomen in artikel 6 van Pro de Bomenverordening.
4.1.
Op basis van artikel 6, eerste lid, van de Bomenverordening kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.
Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Bomenverordening kan een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 2 worden Pro geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:
a. natuur- en milieuwaarden;
b. landschappelijke waarden;
c. cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads- en dorpsschoon;
e. waarden voor leefbaarheid.
Toetsing
5. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van de in de aanvraag genoemde bomen te verlenen, betreft een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college kan bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen alle relevante belangen meewegen. Dit betekent dat het college bij de beslissing om een omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van een houtopstand te verlenen beleidsruimte heeft. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De bestreden besluitvorming6. Het college heeft in het besluit van 26 juni 2024 over de in artikel 6, tweede lid, van de Bomenverordening genoemde waarden gesteld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die duiden op de aanwezigheid van beschermde soorten. Verder zijn de bomen niet kenmerkend voor de aanwezige landschapstypen in de gemeente. De bomen vallen niet in de bomenstructuur en groenstructuur. Ook betreffen het geen herdenkings- of herinneringsbomen en hebben de bomen geen bijzondere uitstraling of schoonheidsbeleving. Wel hebben de bomen waarde voor de leefbaarheid. Er zijn weinig andere bomen in de omgeving die dit deel van de straat aankleden. Omdat er twee nieuwe bomen worden herplant die ervoor zorgen dat de waarde van de leefbaarheid in stand wordt gehouden, heeft het college toch een omgevingsvergunning voor het vellen van de bomen verleend ten behoeve van de herinrichting van de openbare ruimte.
Bespreking beroepsgronden
7.
Eiseres stelt dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen omdat de belangen bij het vellen van de bomen niet opwegen tegen de belangrijke waarde die deze twee bomen hebben voor haar woon- en leefklimaat. Volgens eiseres is het vellen van de twee bomen niet nodig. De boom die wordt behouden en gesnoeid vormt volgens eiseres namelijk geen beletsel voor de nieuwbouw. Zij vreest dat de boom alsnog zal doodgaan door het rigoureuze snoeien. Verder wijst zij erop dat de te kappen boom de vernieuwing van het rioolstelsel ook heeft overleefd, zodat te verwachten valt dat die boom nu ook de bouwwerkzaamheden zal overleven.
7.1. Het college heeft over de noodzaak tot het snoeien van de boom tegenover de woning van eiseres gesteld dat bij de beoordeling of sprake is van overlast moet worden uitgegaan van de nieuwbouw. Het appartementencomplex komt tot aan de erfgrens, waardoor de boom te dicht op het gebouw komt te staan en de takken het appartementencomplex zullen gaan raken. Op grond van paragraaf 5.3 van het Groenbeleidsplan 2014-2024 is de aangewezen maatregel van de gemeente bij overlast als gevolg van overhangende takken het inkorten of snoeien van takken als dit een duurzame en boomtechnisch verantwoorde oplossing is. Het college wil de kroon gaan snoeien in een cyclus van drie jaar. Hierdoor kan de boom tussentijds telkens herstellen, hetgeen de levensvatbaarheid vergroot. Ten aanzien van de te kappen boom heeft het college gesteld dat direct naast de boom een diepe bouwput komt, waarbij de wortels van deze boom deels bloot komen te liggen. Dit zal een dusdanig effect hebben op de boom, dat hij niet te behouden is. Nu de boom tegenover het woonhuis van eiseres wordt gesnoeid en niet gekapt, wat aanvankelijk de bedoeling was, zal de impact op de privacy van eiseres beperkt zijn, aldus het college.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het vellen van de bomen, in de vorm van kappen en snoeien, noodzakelijk is bij realisering van het voorziene appartementencomplex. De rechtbank is verder niet gebleken dat de bomen zodanige waarden hebben als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Verordening, dat het college niet heeft mogen besluiten tot het vellen van de bomen. Het college heeft, om eiseres tegemoet te komen, besloten om een van de twee bomen niet te kappen maar enkel te snoeien en verder heeft het college de herplant van twee bomen verplicht gesteld ter compensatie.
Hoewel het voor de rechtbank invoelbaar is dat eiseres liever volwassen, niet sterk teruggesnoeide bomen voor haar woning heeft, heeft het college in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang bij woningbouw dan aan het belang van eiseres bij het niet vellen van de bomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiseres wijst er verder op dat er afspraken zouden zijn gemaakt over de omvang van de snoeiwerkzaamheden en dat de voorgenomen snoei van de boom tegenover haar woning, zo heeft de rechtbank begrepen, nu ingrijpender zal zijn dan afgesproken.
8.1.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat eiseres een beroep doet op het vertrouwensbeginsel.
8.2.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij of zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe [1] .
8.3.
De rechtbank is niet gebleken dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan aan eiseres of gedragingen zijn verricht waaruit eiseres heeft mogen afleiden dat er geen snoei van meer dan 20% van de kroon zou plaatsvinden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt hierom al niet.
9. Verder vreest eiseres voor een verminderde wateropvang in de buurt door de toename van verharding wegens de voorziene bebouwing. De nu aanwezige volwassen bomen kunnen een grote rol spelen om water op te vangen bij enorme plensbuien. Dit heeft het college ten onrechte niet meegenomen in zijn belangenafweging.
9.1.
Het college heeft hierover gesteld dat de wortels van de te kappen boom door de voorziene werkzaamheden dusdanig beschadigd zullen raken, dat het vermogen van de boom om bij te dragen aan de waterberging aangetast zal worden. Daarom is het beter om deze boom te vervangen door een nieuwe boom met intacte wortels, aldus het college.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat verminderde wateropvang geen toetsingscriterium is in artikel 6, tweede lid, van de Verordening. Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat het college heeft kunnen stellen dat uit het oogpunt van waterberging beter een nieuwe boom kan worden geplant.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. Voor zover eiseres vreest dat de gemeente zich niet houdt aan de voorwaarden van de verleende omgevingsvergunning, zoals de herplantplicht, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie van handhaving is en eiseres hiertoe een verzoek kan indienen indien de herplantplicht niet wordt nageleefd.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en daarmee de verleende omgevingsvergunning voor het vellen van twee bomen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1, eerste lid, onder a

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit.
(…).
Artikel 22.8
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.

Bomenverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2019

Artikel 2Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 onder g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

Voetnoten

1.Zie daartoe de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:448.