ECLI:NL:RBOBR:2026:702

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/3756
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wet brpArt. 2.23 Wet brpArt. 2.45 Wet brpArt. 6:16 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor inschrijving briefadres wegens onvoldoende onderzoek college

Verzoeker diende een aanvraag in voor inschrijving op een briefadres bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het college wees deze aanvraag af omdat verzoeker niet duidelijk kon maken waar hij daadwerkelijk verbleef en onvoldoende verifieerbare informatie had verstrekt. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de verblijfsplaats van verzoeker, met name naar zijn verblijf in een park in de gemeente. Het onderzoek was onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Verzoeker had bovendien een spoedeisend belang, omdat hij zonder briefadres geen verzekering kon afsluiten, geen uitkering kon aanvragen en geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel kon realiseren. Ook had hij medische zorg nodig, wat door een huisartsbrief werd onderbouwd.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van verzoeker zwaarder weegt dan het algemeen belang van het college. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, met als gevolg dat verzoeker per 24 december 2025 moest worden ingeschreven op het briefadres. Tevens werd het betaalde griffierecht en proceskosten aan verzoeker vergoed.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.F.C. Veelenturf en griffier drs. J.A. Meijer-Habraken op 3 februari 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en gelast het college verzoeker in te schrijven op het briefadres vanwege onvoldoende onderzoek en spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3756

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N.L. van der Velden),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, het college
(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om toewijzing van een briefadres. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 zijn de standpunten van partijen weergegeven. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 5.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor toewijzing van een briefadres. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 december 2025 afgewezen.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het besluit

3. Verzoeker heeft op 10 november 2025 een aanvraag ingediend bij het college om te worden ingeschreven op een briefadres in de basisregistratie personen van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Verzoeker wil een briefadres op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] . Volgens verzoeker woont zijn ex-schoonfamilie op dit adres en heeft hij vroeger ook al ingeschreven gestaan op dit adres. De bewoner van het adres heeft verzoeker toestemming gegeven om het adres als briefadres te gebruiken. Verzoeker heeft aangegeven dat hij dakloos is en een briefadres nodig heeft om zich te kunnen verzekeren tegen ziektekosten, een uitkering te kunnen ontvangen en om zich te kunnen inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK).

De standpunten van partijen

4. Het college heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat uit de Wet basisregistratie personen (Wet brp) volgt dat verzoeker verplicht is zich in te schrijven op het adres waar hij het meest verblijft. Volgens het college heeft verzoeker niet duidelijk kunnen maken wat zijn actuele woonsituatie is. Verzoeker heeft onvoldoende verifieerbare informatie overgelegd waaruit zijn woonsituatie blijkt. Ook na controle heeft het college de woon- en leefsituatie van verzoeker niet betrouwbaar kunnen vaststellen.
4.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het besluit van het college op een onjuiste wettelijke grondslag berust. In het besluit verwijst het college naar artikel 1.1, onder o van de Wet brp, maar dit artikel ziet op het woonadres. Verzoeker heeft gevraagd om een briefadres, zoals bedoeld in artikel 1.1, onder p van de wet. Hiermee heeft het college een verkeerd juridisch spoor gevolgd en hoogstwaarschijnlijk ook een onjuist onderzoek verricht. Het besluit is daarom genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij heeft verklaard dakloos te zijn en dat het op weg van het college had gelegen onderzoek te doen naar de door verzoeker genoemde verblijfplaatsen. Niet gebleken is dat het college dit op een juiste manier heeft gedaan. Daar komt bij dat van iemand met een zwervend bestaan niet kan worden gevraagd dat hij maanden later exact kan aangeven waar hij heeft verbleven. Er is geen sprake geweest van een gedegen en zorgvuldig onderzoek. Hiermee is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Verder is verzoeker van mening dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker kan zich niet verzekeren, geen uitkering aanvragen en hij wordt feitelijk belet om arbeid te verrichten. Daarmee wordt verzoeker uitgesloten van essentiële maatschappelijke voorzieningen. De persoonlijke omstandigheden van verzoeker zijn niet kenbaar in de besluitvorming betrokken. Verzoeker heeft gewezen op de Handreiking Briefadressen en het voorkomen van dakloosheid. Hierin is beschreven dat het ontbreken van volledige inlichtingen geen reden mag zijn om inschrijving op een briefadres te weigeren. De Circulaire Adresonderzoek BRP benadrukt dat het briefadres de aangewezen oplossing is als geen sprake is van een woonadres. Tot slot heeft verzoeker een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
Is sprake van onverwijlde spoed (ook wel spoedeisend belang genoemd)?
5.1.
Het besluit houdt in dat verzoeker geen gebruik kan maken van een briefadres en dat hij geen (ziektekosten)verzekering af kan sluiten, geen uitkering aan kan vragen en zich niet kan inschrijven in de KvK. Omdat verzoeker met een verklaring van zijn huisarts heeft onderbouwd medische zorg nodig te hebben, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed
.
Is het besluit rechtmatig?
6. Aan de hand van de gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de afwijzing van de aanvraag om een briefadres.
6.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
6.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het doel van de Wet Brp is dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. In artikel 2.23, eerste lid, van de Wet Brp is bepaald dat, indien het woonadres ontbreekt, het college op aangifte een briefadres als adres verstrekt. Op grond van artikel 2.45 van de Wet brp is verzoeker verplicht om op verzoek van het college de inlichtingen te geven die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de Brp.
6.3.
In de Gemeentelijke regeling briefadres 2017 van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (de regeling) is in artikel 2, eerste lid, onder a opgenomen dat een reden voor de aangifte van een briefadres het ontbreken van een woonadres vanwege dak- of thuisloosheid kan zijn. In artikel 6, aanhef en onder a is vervolgens (voor zover hier van belang) opgenomen dat het in ieder geval niet mogelijk is om ingeschreven te worden op een briefadres als de aangever een woonadres heeft.
6.4.
Van belang is daarom dat het college onderzoekt of de aanvrager van een briefadres geen woonadres heeft. Daarbij worden de inlichtingen die de aanvrager geeft over zijn verblijfsplaats in aanmerking genomen.
6.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dit onderzoek onvoldoende zorgvuldig verricht. Volgens het college zou verzoeker tijdens een gesprek met twee medewerkers van de gemeente op 14 november 2025 hebben gezegd dat hij voornamelijk, zo’n 6,5 dag per week in een park in [plaats] verblijft. Het college heeft verklaard dat de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) van de gemeente hebben gecontroleerd of verzoeker daar inderdaad verblijft, maar dat zij hem daar niet hebben aangetroffen. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet op welke manier het onderzoek is uitgevoerd. Zo blijkt niet hoe vaak, op welk(e) tijdstip(pen) en waar precies is gecontroleerd. Tijdens de zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat ook in de avonduren is gecontroleerd, maar niet is toegelicht door wie die controles zijn uitgevoerd, hoe vaak die controles zijn uitgevoerd en wat de bevindingen daarvan waren. Tijdens de zitting heeft het college verder desgevraagd verklaard ook navraag te hebben gedaan bij de politie of daar meldingen over verzoeker bekend waren, maar dat dat niet het geval was. Ook van deze navraag bij de politie en de reactie daarop zijn geen stukken opgenomen in het dossier. Nog daargelaten dat verzoeker tijdens de zitting heeft verklaard dat hij tijdens het gesprek bij de gemeente ook andere locaties zou hebben genoemd waar hij verblijft, zoals het winkelcentrum in [plaats], en het college daar volgens verzoeker ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht, oordeelt de rechtbank dat het college in elk geval onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het mogelijke verblijf van verzoeker in het park in [plaats].
6.6.
Het college heeft nog aangevoerd dat verzoeker onvoldoende informatie heeft gegeven over zijn verblijfsplaats(en) en daarover onduidelijk is geweest. De rechtbank volgt het college daarin niet. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft verzoeker in elk geval één verblijfplaats genoemd waar het college onvoldoende onderzoek naar heeft verricht. Dat van verzoeker in dit geval meer had mogen worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de Vereniging van Directeuren van Overheidsorganen voor Sociale arbeid (Divosa) een Handreiking briefadressen en het voorkomen van dakloosheid (de Handreiking) heeft opgesteld. De Handreiking geeft colleges richtsnoeren en handvatten voor het onderzoek bij aanvragen voor een briefadres. In de Handreiking is onder meer vermeld:
“Afwijzing van inschrijving kan alleen als iemand niet (rechtmatig) in Nederland verblijft. De burger heeft een inlichtingenplicht, maar mag niet in een onmogelijke bewijspositie worden gebracht op straffe van uitschrijving/ niet inschrijving. Kortom: vragen staat vrij, uitschrijven/ niet-inschrijven niet.
Onredelijke bewijsposities kunnen ontstaan bij uitgebreide uitvraag van bewijslast. Wees zeer terughoudend met het verzoeken om het ontstaan van de dakloosheid aan te tonen met bijvoorbeeld: een opzegging van de huur; foto’s van de locatie waar ze overnachten; bankafschriften die laten zien op welke plek ze boodschappen doen; bewijsstukken die laten zien welke inspanningen de aanvrager pleegt om een huis te vinden, zoals een inschrijving bij Woningnet; wekelijks overzicht van verblijfplekken.”
6.7.
Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsplaats(en) van verzoeker en dat het bestreden besluit om die reden onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopige oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd.
6.8.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een briefadres nodig heeft om noodzakelijke medische hulp te kunnen krijgen. Dat verzoeker medische zorg nodig heeft blijkt uit de door verzoeker overgelegde brief van de huisarts. Uit deze brief blijkt ook dat verzoeker geen verzekering tegen ziektekosten heeft en zijn situatie daarom erg complex is. Naast het gebrek aan medische zorg heeft verzoeker benoemd dat hij zonder briefadres geen inkomen heeft en geen uitkering kan krijgen. Deze belangen van verzoeker weegt de voorzieningenrechter zwaarder dan het door het college gestelde algemeen belang.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven en dat verzoekers bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet op dat oordeel moet aan voormeld individueel belang van verzoeker bij het verkrijgen van een briefadres een zwaarder gewicht worden toegekend dan aan het door de het college beoogde algemeen belang.
7.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat verzoeker in het gelijk wordt gesteld. De voorlopige voorziening houdt in dat de voorzieningenrechter het college gelast verzoeker per 24 december 2025, de datum van het verzoek om voorlopige voorziening, in te schrijven met een briefadres op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] . Deze inschrijving geldt in ieder geval tot 6 weken nadat het college een beslissing op het bezwaar van verzoeker heeft genomen.
7.2.
Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,– aan hem terug moet terugbetalen.
7.3.
Ook krijgt verzoeker een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) met een waarde per punt van € 934,– en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,–.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • treft de voorlopige voorziening zoals omschreven in punt 7.1 van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 194,– aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,– aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.