ECLI:NL:RBOBR:2026:6
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot vergoeding van loon en schadevergoeding in het kader van een samenwerkingsovereenkomst
In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant, zijn twee partijen betrokken bij een geschil over een samenwerking en de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen. De eiser, vertegenwoordigd door mr. Ö. Kenç, vordert een verklaring dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, en vraagt om betaling van een bedrag van € 8.692,70 aan loon, alsook schadevergoeding en proceskosten. De gedaagde, vertegenwoordigd door mr. G. Debije, betwist deze vorderingen en stelt dat de eiser geld heeft verduisterd uit de kassa van de onderneming die hij tijdelijk heeft geëxploiteerd.
De kantonrechter heeft op 8 januari 2026 geoordeeld dat de samenwerking tussen partijen niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. De rechter concludeert dat er geen (redelijk) loon verschuldigd is en dat er evenmin sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De vordering tot vergoeding van de verduisterde omzet wordt afgewezen omdat de eiser niet heeft voldaan aan de stelplicht. In de tweede procedure, waarin de gedaagde vorderingen indient tegen de eiser, wordt eveneens geoordeeld dat de vorderingen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.