ECLI:NL:RBOBR:2026:541

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
11547370
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6 WAMArtikel 4.1.4 algemene voorwaarden Univé
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering verzekerde wegens verzekeringsfraude en handhaving registratie in fraude-registers

De verzekerde had een allrisk autoverzekering bij Univé en meldde schade na een aanrijding. Univé weigerde de schadevergoeding omdat uit meerdere onderzoeken bleek dat een groot deel van de schade niet door de gemelde aanrijding was veroorzaakt, wat duidt op fraude.

Univé voerde diverse technische en chemisch-fysische onderzoeken aan die aantoonden dat de schade deels door een verticaal object was veroorzaakt en niet door de aanrijding met de andere auto. De verzekerde betwistte deze rapporten, maar kon deze onvoldoende onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de verzekerde bewust onjuiste informatie had verstrekt met het doel een hogere schadevergoeding te verkrijgen, wat fraude oplevert. De registratie van de verzekerde in het interne en externe fraude-register en bij het Verbond van Verzekeraars is daarom gerechtvaardigd.

De vorderingen tot schadevergoeding, ongedaanmaking van de registraties en vergoeding van incassokosten worden afgewezen. De verzekerde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van de verzekerde worden afgewezen wegens bewezen verzekeringsfraude en de registratie in fraude-registers blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11547370 \ CV EXPL 25-874
Vonnis van 22 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T. van Riel,
tegen
N.V. UNIVÉ SCHADE,
statutair gevestigd in Zwolle, kantoorhoudende in Assen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Univé,
gemachtigde: mr. G. Loman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 31 bijlagen,
- de conclusie van antwoord met 6 bijlagen,
- de brief namens [eiser] met bijlage 32.
1.2.
Op 30 oktober 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling (een zitting) met partijen, in aanwezigheid van hun gemachtigden, besproken. De gemachtigde van [eiser] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser] had zijn auto allrisk verzekerd bij Univé. Op 22 april 2022 heeft [eiser] bij Univé een schade gemeld naar aanleiding van een aanrijding op 21 april 2022. Door Univé is de schadeclaim afgewezen, omdat volgens haar uit meerdere onderzoeken volgt dat een groot deel van de schade aan de voorzijde van de auto niet te herleiden is tot de door [eiser] gemelde aanrijding. Univé vindt daarom dat [eiser] fraude heeft gepleegd en zij heeft daarom de gegevens van [eiser] in verschillende (incidenten)registers opgenomen. [eiser] weerspreekt dat hij Univé onjuist heeft ingelicht en vordert in deze procedure alsnog vergoeding van de schade aan zijn auto, ter hoogte van € 9.826,47. Ook wil hij dat de registraties ongedaan gemaakt worden.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het gelijk in deze procedure aan de zijde van Univé ligt. Met de onderzoeksrapporten heeft Univé voldoende onderbouwd dat zij door [eiser] (bewust) onjuist is geïnformeerd. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om deze rapporten te kunnen ontkrachten, zodat zijn vorderingen zullen worden afgewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] had een allrisk autoverzekering bij Univé voor zijn auto, van het merk Mercedes-Benz (type CL-klasse 500, kleur zilver). De algemene voorwaarden (versie 3) en de voorwaarden autoverzekering (versie 5) zijn op de verzekering van toepassing verklaard. Voor zover relevant staat in de algemene voorwaarden het volgende opgenomen:
4.1.4 U pleegt fraude
Wij vergoeden geen schade als u fraudeert. Heeft u gefraudeerd met schade en hebben wij deze schade vergoed? Dan moet u deze aan ons terugbetalen. Daarnaast:
  • Kunnen wij al uw verzekeringen direct stopzetten als wij fraude ontdekken. U krijgt geen premie terug.
  • Moet u de kosten van het onderzoek naar de fraude aan ons terugbetalen.
  • Kan SODA u een schadevergoeding laten betalen. Meer hierover leest u op so-da.nl
  • Kunnen wij uw persoonsgegevens opnemen in onze eigen database en in landelijke registers. Meer hierover leest u in onze privacyverklaring op unive.nl/privacy.”
In de begrippenlijst van de algemene voorwaarden wordt het begrip fraude vervolgens als volgt toegelicht:
Fraude
Als u ons opzettelijk misleidt met het doel voordeel te behalen voor uzelf of een ander. Bijvoorbeeld als wij een schade vergoeden, waar u of een ander eigenlijk geen recht op heeft. Of u probeert ons te misleiden. Het maakt niet uit hoe u dit probeert.
Als u ons via iemand anders misleidt, is dit ook fraude. Of als u iemand anders de gelegenheid geeft ons te misleiden met het doel voordeel te behalen.”
3.2.
Op 22 april 2022 heeft [eiser] een schade gemeld op zijn verzekering. [eiser] heeft hierbij aangegeven dat hij op 21 april 2022 een aanrijding heeft gehad met de auto van
[A] (van het merk Fiat, kleur zwart). [eiser] heeft schade aan de voorzijde van zijn auto gemeld. Volgens [eiser] is alle schade aan de voorzijde van de auto het directe gevolg van de aanrijding.
3.3.
Omstreeks 28 april 2022 heeft ABS Oostendorp Autoschade Den Bosch de gemelde schade aan de auto van [eiser] gecalculeerd op een bedrag van € 9.826,47.
3.4.
Een schade-expert van Univé heeft de schademelding beoordeeld. Daarbij concludeerde de schade-expert dat er sprake was van verschillende schadebeelden, waaronder aanrijding met een paal, zodat volgens de schade-expert niet alle schade die door [eiser] gemeld was, het gevolg kon zijn van de aanrijding met [A] .
3.5.
Univé heeft naar aanleiding van deze beoordeling, door [C] een technisch onderzoek laten uitvoeren. Verder is een tactisch onderzoek uitgevoerd door de afdeling Veiligheidszaken van Univé. In het kader van dit tactisch onderzoek hebben zowel [eiser] als [A] verklaringen over de schadetoedracht afgelegd.
3.6.
Naar aanleiding van de verklaringen heeft Univé een aanvullend technisch onderzoek laten verrichten door [C] . De conclusie van dit onderzoek was gelijk aan die van de eerdere onderzoeken, te weten dat de verticale beschadiging duidt op een botsing met een verticaal vast object.
3.7.
Univé heeft [eiser] per brief van 26 juli 2022 geïnformeerd over de onderzoeksbevindingen. Ook heeft zij daarin vermeld dat zij voornemens is om de schadeclaim af te wijzen, omdat zij van oordeel is dat [eiser] Univé met betrekking tot de oorzaak van de schade een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Univé heeft [eiser] echter eerst in staat gesteld om daarop te reageren.
3.8.
Naar aanleiding van de reactie van [eiser] heeft Univé een aanvullend,
chemisch-fysisch, onderzoek door [B] laten uitvoeren, welk onderzoek de uitkomsten van de eerdere onderzoeken heeft bevestigd. [eiser] kon (en kan) zich niet verenigen met de conclusie van het onderzoeksrapport.
3.9.
Op 24 februari 2023 heeft Univé zich per brief op het standpunt gesteld dat [eiser] verzekeringsfraude heeft gepleegd. Als gevolg hiervan heeft Univé de schadeclaim van [eiser] afgewezen. Ook heeft zij [eiser] opgenomen in het (interne) incidentenregister en het extern verwijzingsregister en heeft zij het CBV van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gebracht. Tot slot heeft Univé aanspraak gemaakt op een vergoeding van de onderzoekskosten die zij heeft gemaakt (zijnde € 5.757,73).
3.10.
Op verzoek van [eiser] heeft vervolgens een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Hierbij zijn [eiser] en een viertal andere getuigen gehoord over de toedracht van de schade.
3.11.
Vervolgens heeft [eiser] Univé bij brieven van 18 juni 2024 en 16 oktober 2024 gesommeerd om tot vergoeding van de schade over te gaan. Univé heeft aan deze sommaties geen gehoor gegeven.

4.De vorderingen van [eiser]

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - om Univé, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:
Primair:
tot betaling van een bedrag van € 9.826,47, zijnde een vergoeding van de schade aan de auto (op grond van nakoming van de verzekeringsovereenkomst), te vermeerderen met de wettelijke rente;
de inschrijving c.q. registratie van [eiser] in het (interne) incidentenregister en de melding c.q. registratie voor de duur van vier jaar in het externe verwijzingsregister en de melding aan het CBV van het Verbond van Verzekeraars met terugwerkende kracht ongedaan te maken, en daarvan aan [eiser] schriftelijk bewijs te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
Subsidiair:
i. tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 9.826,47 (op grond van artikel 6 WAM Pro), te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zowel primair als subsidiair:
tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, ter hoogte van € 1.048,25, te vermeerderen met de wettelijke rente;
in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Univé heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. Zij concludeert - samengevat - om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het uitgangspunt is dat schade als gevolg van een aanrijding verzekerd is
5.1.
Primair maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de schade aan zijn auto. Daarmee vraagt [eiser] om nakoming van de verzekeringsovereenkomst tussen partijen. Het is daarom allereerst aan [eiser] om aan te tonen dat sprake is van een verzekerde gebeurtenis, die vergoeding van zijn schade rechtvaardigt.
5.2.
Vaststaat dat de auto van [eiser] allrisk bij Univé was verzekerd. Tussen partijen is niet in geschil dat schade aan een allrisk verzekerde auto, die is ontstaan door een aanrijding, in de hoofdregel onder de dekking van de verzekering valt. Dat er op
21 april 2022 een aanrijding heeft plaatsgevonden waarbij de auto van [eiser] betrokken was, is op zichzelf evenmin in geschil. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel sprake is van een verzekerde gebeurtenis.
Het is aan Univé om aan te tonen dat de schade toch niet gedekt is
5.3.
Vervolgens is het aan Univé om voldoende gemotiveerd te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat de gemelde schade toch niet gedekt is. Univé heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, zodat zijn schadeclaim op grond van artikel 4.1.4 van de algemene voorwaarden terecht is afgewezen. In dit artikel is onder meer bepaald dat Univé geen schade vergoedt als de melder fraudeert.
Wat heeft Univé aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van fraude?
5.4.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat [eiser] fraude heeft gepleegd, heeft Univé het volgende aangevoerd. [eiser] heeft zowel tegenover de onderzoeker van de afdeling Veiligheidszaken van Univé als bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat alle schade aan de voorzijde van zijn auto het gevolg was van de aanrijding. Volgens Univé is deze informatie aantoonbaar onjuist, omdat uit meerdere onderzoeken iets anders blijkt. Univé onderbouwt deze stelling als volgt:
 De schade-expert van Univé die de schade aan de auto heeft beoordeeld, heeft aangegeven dat sprake is van verschillende schadebeelden, waaronder een aanrijding met een paal;
 Op 7 juni 2022 heeft [C] een rapport opgesteld naar aanleiding van een stereomicroscopisch onderzoek, waarbij sporen op drie SPURFIX-folies zijn onderzocht. De deskundige (een forensisch analist) heeft - samengevat - gerapporteerd dat er geen sporen zijn aangetroffen die duiden op contact met een ander motorrijtuig. Wel is voertuigeigen lak en vermoedelijk vuil aangetroffen. De expert concludeert dat het hoofdzakelijke verticale schadebeeld in combinatie met de vastgestelde sporen duiden op contact met een verticaal vaststaand object dat ‘vervuild’ is geweest;
 [C] heeft vervolgens een aanvullend onderzoek ingesteld naar de beschadigingen aan de voertuigen van [eiser] en [A] en de door de hen geschetste schadetoedracht. In het rapport van 17 juli 2022 concludeert de expert dat slechts één beschadiging aan de auto van [eiser] (in afbeelding 18 van het rapport gemarkeerd met een pijl) te herleiden is tot de aanrijding. De andere (verticale) beschadiging duidt volgens de deskundige vanwege zijn aard en indeuking op een zogeheten verticaal vast object. Ook de beschadigingen aan de auto van [A] vallen niet te herleiden tot de op het schadeformulier vermelde beschadigingen;
 [C] heeft door [B] aanvullend een chemisch-fysisch onderzoek laten verrichten naar de aanwezige materialen op de SPURFIX-folies. Op 16 december 2022 rapporteert [C] dat [B] tot de conclusie komt dat het sporen-technisch aantoonbaar is, dat een contact tussen de Mercedes en een ijzeren paal in het bereik (folie 3) aan de linker voorzijde van de auto heeft plaatsgevonden.
5.5.
De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat Univé voldoende gemotiveerd gesteld heeft dat niet alle schade die door [eiser] is gemeld, ook daadwerkelijk het gevolg is van de aanrijding. De door Univé overgelegde onderzoeksrapporten, ter onderbouwing van haar stelling, zijn deugdelijk gemotiveerd. De gestelde schadetoedracht is door middel van verschillende onderzoeksmethoden geanalyseerd en de conclusie is eenduidig.
[eiser] heeft de stellingen van Univé onvoldoende gemotiveerd betwist
5.6.
[eiser] heeft aangevoerd dat de door Univé overgelegde rapporten onzorgvuldig en ondeugdelijk zijn en dat deze op onjuiste gronden tot stand zijn gekomen. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Overwogen wordt dat [eiser] de bevindingen in de onderzoeksrapporten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [eiser] heeft overwegend blote stellingen aangevoerd, zonder deze te onderbouwen met bijvoorbeeld een rapport van een andere deskundige, die zijn standpunt ondersteunt. Gelet op de uitvoerig onderbouwde rapporten die Univé in het geding heeft gebracht, is dit onvoldoende. Bovendien heeft Univé een rapport van [C] van 18 maart 2025 overgelegd, waarin de deskundige de kritiek van [eiser] gemotiveerd weerlegt. Hieronder zal daar nader op ingegaan worden.
(i) het technisch onderzoek
5.7.
Ten aanzien van de opmerking van [eiser] dat de Spurfix-folies pas 25 dagen na de aanrijding zijn afgenomen, heeft de deskundige aangevoerd dat deze periode relatief gebruikelijk is, en dat bij een afnametermijn van een maand over het algemeen (ruim) voldoende relevant materiaal wordt vastgesteld. Er zijn door [eiser] geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om hieraan te twijfelen. [eiser] heeft benadrukt dat de afnametermijn het mogelijk maakt dat de beschadigingen aan de auto in de tussenliggende periode nader zijn ‘ingekleurd’ door andere sporen of dat de schade tijdens het vervoeren of gedurende de stallingsperiode zijn ontstaan, maar [eiser] heeft deze stelling niet nader onderbouwd en dit verklaart niet waarom er geen sporen van een ander motorrijtuig zijn aangetroffen.
(ii) het aanvullend technisch onderzoek
5.8.
Ook de bevindingen naar aanleiding van het aanvullend technisch onderzoek zijn onvoldoende gemotiveerd betwist.
- [eiser] heeft aangevoerd dat de deskundige bij het aanvullend technisch onderzoek van
17 juli 2022 op basis van slechts 2 foto’s conclusies heeft verbonden aan het schadebeeld. Door de deskundige is dit gemotiveerd betwist. Zo heeft hij verklaard dat het bij een technisch onderzoek gebruikelijk is dat beeldmateriaal van de schadecalculatie en de sporenafname voor de beoordeling wordt aangeleverd. Dit betroffen bij het eerstelijns optische onderzoek in totaal 22 foto’s. In het tweede rapport zijn 14 aanvullende foto’s ter beschikking gesteld. Dat er van de Fiat maar 1 foto ter beschikking stond, houdt ermee verband dat de Fiat de middag van, dan wel de dag na het ongeval, al naar de autosloperij was gebracht.
- [eiser] stelt dat de deskundige de botspositie van de auto’s op onjuiste gronden heeft vastgesteld. Deze komt onder meer niet overeen met de vrijwel identieke situatieschetsen van [eiser] en [A] en de overige getuigenverklaringen. De deskundige heeft dit weersproken, door aan te voeren dat voor het bepalen van de botsstand bij een schadebeeldanalyse, de ‘diepere’ contactvlakken bij de Mercedes en Fiat de basis zijn. Eventuele situatieschetsen dienen daarbij als grove leidraad, omdat de schetsen van de werkelijkheid kunnen verschillen en dus niet altijd waarheidsgetrouw zijn. Dat de methode die de deskundige heeft gebruikt om de botspositie vast te stellen ondeugdelijk is, is de kantonrechter niet gebleken. [eiser] heeft dit onvoldoende concreet gemaakt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de referentievoertuigen evident niet passend zouden zijn bij de aanrijding van [eiser] .
- Volgens [eiser] is de deskundige bovendien ten onrechte ervan uitgegaan dat de aanrijding met een geringe snelheid heeft plaatsgevonden, omdat [A] met een snelheid van circa
50 km/u reed, zodat de botsing aantoonbaar een behoorlijke impact had. Op basis van die onjuiste voorstelling heeft de deskundige volgens [eiser] de foutieve conclusie getrokken dat de verticale schade niet te herleiden is tot het schade-evenement. Ook deze stelling heeft de deskundige weerlegd. Weliswaar erkent de deskundige dat de werkelijke snelheid wellicht iets hoger kan hebben gelegen dan in de referentieproef, maar hij concludeert dat een snelheid van 50 km/u met de Fiat - zoals [eiser] stelt - niet van toepassing is, omdat de eindposities van de voertuigen dan anders zouden zijn en in dat geval ook van andere schades zou moeten worden uitgegaan. Deze objectieve benadering weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder dan de stelling van [eiser] dat [A] heeft verklaard
50 km/u te hebben gereden.
- Dat sprake zou zijn van een verticaal vast object is volgens [eiser] slechts een aanname. Op de plaats waar de auto van [A] tegen de auto van [eiser] is gebotst, zit een scherp uitstekende stalen constructie, wat (ook) de verticale schade kan verklaren. De deskundige merkt in reactie daarop op dat één van de verticale schades (de schade onder de koplamp, aangeduid met een pijl in afbeelding 18 in het rapport) bij het schade-evenement te plaatsen is, maar dat dit niet geldt voor de grotere verticale schade, die doorloopt tot aan de motorkap. Daartoe is nogmaals een hoogtevergelijking uitgevoerd, waarbij de schade ter hoogte van de verticale onderdelen van de Fiat-constructie is geplaatst. De schade die doorloopt tot op de motorkap, kan volgens de deskundige niet gerelateerd worden aan het schade-evenement, omdat deze boven de raakvlakken van de voertuigen uitsteekt. Ook valt de schade onder de kentekenplaat van de Mercedes bij deze botsstand buiten het contactbereik en lijken de twee verticale schades verder uit elkaar te liggen dan de constructie-delen van de Fiat. De aard en indeuking van de schade bij de motorkap duiden juist op een verticaal vast object. Daarmee acht de kantonrechter ook dit aspect door de deskundige afdoende onderbouwd.
(iii) het (aanvullend) chemisch-fysisch onderzoek
5.9.
Ook de opmerkingen die door [eiser] zijn gemaakt naar aanleiding van het chemisch-fysisch onderzoek, zijn door de deskundige beantwoord:
- Volgens [eiser] volgt uit dit onderzoek slechts een mogelijke (andere) verklaring van de herkomst van de zwarte partikels op de folies, zodat dit geen bewijs kan opleveren van de stelling dat niet alle schade bij de aanrijding ontstaan is. De deskundige heeft in zijn reactie van 18 maart 2025 echter nader toegelicht dat uit het onderzoek naar voren komt dat de samenstelling van deze zwarte sporen met name uit een hoog ijzergehalte bestond, en duidelijke overeenstemming met de samenstelling van een ijzeren paal vertoont. Als deze sporen van interne voertuigonderdelen afkomstig zouden zijn, zou het in de lijn der verwachting liggen dat eveneens sporen van externe onderdelen (zoals) lak worden aangetroffen. De deskundige acht het daarom niet aannemelijk dat de ijzersporen uit de zwarte lak van de Fiat afkomstig zijn, omdat eventuele metaal-elementen in een voertuiglak uit aluminium zijn opgebouwd. De kantonrechter acht dit een afdoende verklaring.
- Ten aanzien van de opmerking van [eiser] dat het niet meer dan logisch is dat op alle drie de folies elementen van een ijzeren paal zouden moeten zijn terug te vinden, wat uitdrukkelijk niet het geval is, merkt de deskundige het volgende op. Vanwege een kostenafweging heeft het chemisch onderzoek zich gericht op folie 3, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat op de overige folies geen soortgelijke sporen aangetroffen zouden zijn. Daarvoor zou nader onderzoek nodig zijn geweest.
5.10.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de door Univé ingebrachte deskundigenrapporten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de bevindingen in de door Univé ingebrachte onderzoeksrapporten in twijfel te trekken. Zij acht deze consistent, coherent en deugdelijk onderbouwd. Daartegenover staan slechts de stellingen van [eiser] zelf, waarbij het aan onderbouwing ontbreekt en die door de deskundige van [C] bovendien in belangrijke mate weerlegd zijn.
De verklaringen die tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Overwogen wordt dat de getuigenverklaringen in dit geval niet kunnen opwegen tegen de objectieve onderzoeksbevindingen die door Univé in het geding zijn gebracht. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de getuigenverklaringen met name betrekking hebben op de schadetoedracht en (op de verklaring van [eiser] zelf na) niet expliciet en specifiek genoeg ingaan op de schade zelf. Gelet op alles wat in het geding is gebracht, kan de eigen verklaring van [eiser] dat de auto voor de aanrijding van
21 april 2022, in ieder geval aan de voorzijde, geheel schadevrij was, niet gevolgd worden. Dat [eiser] foto’s heeft overgelegd van zijn auto omstreeks eind januari 2022, waarop geen zichtbare schade te zien is, doet daar niet aan af. Dat zegt namelijk niets over de staat van de auto ten tijde van de aanrijding.
Voldoende vast is komen te staan dat [eiser] fraude heeft gepleegd
5.11.
Voor fraude is het onvoldoende dat een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. Die onjuiste voorstelling van zaken moet namelijk bewust zijn gegeven, met het doel om een voordeel te behalen of om Univé te benadelen. De kantonrechter is van oordeel dat aan de definitie van fraude, zoals opgenomen in de begrippenlijst van de algemene voorwaarden, is voldaan. Daartoe wordt als volgt overwogen. Desgevraagd heeft [eiser] meermaals expliciet verklaard dat zijn auto vóór de aanrijding aan de voorzijde schadevrij was. Door Univé is echter voldoende onderbouwd dat de langgerekte, verticale schade die tot over de bumper loopt niet tot de aanrijding te herleiden valt. De omvang van deze schade is dusdanig, dat het niet aannemelijk is dat [eiser] deze schade eventueel over het hoofd kan hebben gezien. Dit rechtvaardigt de conclusie dat [eiser] bewust verkeerde informatie heeft verstrekt aan Univé over de toedracht van de schade, met als doel alle schade aan de auto vergoed te krijgen.
Tussenconclusie: Univé heeft de schademelding terecht afgewezen
5.12.
De tussenconclusie luidt dat Univé de schademelding op grond van artikel 4.1.4 van de algemene voorwaarden terecht heeft afgewezen, omdat met voldoende zekerheid vast is komen te staan dat [eiser] fraude heeft gepleegd.
Univé mocht de gegevens van [eiser] opnemen in de van toepassing zijnde registers
5.13.
De vraag die resteert, is of Univé de gegevens van [eiser] mocht opnemen in het (interne) incidentenregister (IVR), in het externe verwijzingsregister (EVR) en een melding mocht maken bij het CVB (onderdeel van het Verbond van Verzekeraars). De kantonrechter beantwoordt die vraag positief en overweegt daartoe het volgende.
5.14.
Vooropgesteld wordt dat aan het opnemen van persoonsgegevens in het EVR hogere eisen zijn gesteld dan aan de andere registraties, omdat een opname in het EVR meer verstrekkende consequenties heeft. Daarom zal de kantonrechter allereerst beoordelen of de gegevens van [eiser] door Univé terecht in het EVR zijn opgenomen. Aan welke vereisten een registratie moet voldoen, volgt uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (hierna te noemen: het Protocol). Ingevolge artikel 5.2.1 van het Protocol kan registratie in het EVR - samengevat - plaatsvinden als de gedraging van de betrokken persoon (in dit geval [eiser] ) een bedreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen van de verzekeraar, in voldoende mate vaststaat dat [eiser] betrokken is bij die gedraging en Univé bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht heeft genomen. [eiser] heeft aangevoerd dat niet aan deze voorwaarden is voldaan, omdat geen sprake is van verzekeringsfraude en er geen sprake is van benadeling, zodat Univé geen gerechtvaardigd belang heeft bij de registratie. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de registratie disproportioneel is, omdat hij te goeder trouw heeft gehandeld en nu geconfronteerd wordt met de weigering van financiële instellingen om diensten aan hem te verlenen.
5.15.
Omdat de gevolgen van een registratie groot kunnen zijn moet Univé een zwaardere verdenking hebben dan een redelijk vermoeden van schuld. De kantonrechter is van oordeel dat de registratie aan de voorwaarden van artikel 5.2.1 voldoet. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is met voldoende mate vast komen te staan dat [eiser] bewust een onjuiste schademelding heeft gedaan met het doel om Univé tot een hogere uitkering te bewegen dan de geleden schade. Door Univé is terecht gesteld dat fraude een gedraging is die een bedreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen van haar als verzekeraar. Univé heeft door het overleggen van het toetsingsformulier in bijlage 6 bij de conclusie van antwoord bovendien genoegzaam aangetoond dat zij bij de registratie een belangenafweging in acht heeft genomen, wat mede heeft geresulteerd in een registratie van 4 jaar in plaats van het maximum van 8 jaar. De kantonrechter is daarom van oordeel dat ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Hoewel niet ter discussie staat dat een registratie het aangaan van een nieuwe verzekering voor [eiser] bemoeilijkt, is dit een situatie die hij door zijn handelen zelf heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter moet het belang van Univé om zichzelf en andere verzekeraars tegen fraude te beschermen, zwaarder wegen dan het belang van [eiser] .
5.16.
De vordering tot verwijdering van de EVR-registratie zal daarom worden afgewezen. Omdat voor een IVR-registratie minder strenge eisen gelden, volgt hieruit dat ook de vordering tot verwijdering van die registratie zal worden afgewezen. Gelet op het vorenstaande bestaat ook geen grond voor toewijzing van de vordering van [eiser] voor zover die betrekking heeft op de melding aan het CBV van het Verbond van Verzekeraars.
Het beroep op artikel 6 WAM Pro slaagt evenmin
5.17.
Subsidiair heeft [eiser] aanspraak gemaakt op vergoeding van zijn schade op grond van artikel 6 WAM Pro. Uit het eerste lid van dit artikel volgt dat een benadeelde (in dit geval [eiser] ) een eigen recht op schadevergoeding heeft jegens de verzekeraar (in dit geval Univé) door wie de aansprakelijkheid volgens de wet is gedekt (van in dit geval [A] ).
5.18.
Aan zijn beroep op dit artikel heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij zaakschade heeft geleden aan zijn auto ten gevolge van een aanrijding die door [A] is veroorzaakt. Omdat [A] ten onrechte geen voorrang aan [eiser] heeft verleend, heeft hij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en is [A] aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden. Ten tijde van het ongeval was [A] volgens [eiser] verzekerd bij Univé, zodat diens aansprakelijkheid ter zake van de aanrijding door Univé is gedekt. Daarom vordert [eiser] op grond van artikel 6 WAM Pro zijn schade rechtstreeks bij Univé. Univé heeft betwist dat zij gehouden is tot enige vergoeding.
5.19.
De kantonrechter acht ook de subsidiaire vordering van [eiser] niet toewijsbaar. Uit het voorgaande volgt dat niet duidelijk is welke schade (en tot welk bedrag) precies het gevolg is van de aanrijding. Door [eiser] is dit niet toegelicht en niet onderbouwd. Uit het voorgaande vloeit voort dat ervan moet worden uitgegaan dat een groot deel van de schade in ieder geval niet het gevolg is geweest van de toedracht die [eiser] heeft geschetst.
De nevenvorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar
5.20.
Omdat de hoofdvorderingen van [eiser] niet toewijsbaar zijn, zullen ook de door hem ingestelde nevenvorderingen (vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente) worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
5.21.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van Univé worden begroot op:
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
947,00
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op
22 januari 2026.