ECLI:NL:RBOBR:2026:5396

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
26/1837 en 26/1838
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 AwbArt. 5:7 AwbArt. 8:86 AwbArt. 124 GrondwetArt. 108 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college over preventieve last onder dwangsom wegens onbevoegdheid

De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft op 21 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin verzoekster bezwaar maakte tegen een preventieve last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden. Het college had verzoekster gelast om herhaalde overtredingen van de Omgevingswet en NEN-norm 2990+Cl:2020 te voorkomen, met een dwangsom van maximaal €50.000.

Het college beriep zich op artikel 5:2, eerste lid, onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de last in stand te houden, ondanks dat niet voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 5:7 Awb Pro. Verzoekster stelde dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van deze last buiten het eigen grondgebied.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college inderdaad niet bevoegd was om een preventieve last onder dwangsom op te leggen voor overtredingen buiten de gemeente Heusden. De bevoegdheid van het college reikt niet verder dan haar eigen grondgebied, zoals ook volgt uit de Grondwet en de Gemeentewet. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het betrekking had op het grondgebied van Heusden.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan verzoekster moet vergoeden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat er geen professionele gemachtigde was.

Uitkomst: Het besluit van het college om een preventieve last onder dwangsom op te leggen is vernietigd wegens onbevoegdheid buiten het eigen grondgebied.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/1837 (vovo) en SHE 26/1838 (beroep)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: [naam]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, het college
(gemachtigden: mr. L. Prinsen en [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen het besluit op bezwaar van 9 juni 2026 (bestreden besluit), waarin het college de aan verzoekster opgelegde preventieve last onder dwangsom van 15 december 2025, in stand gelaten heeft. In die last wordt verzoekster gelast om herhaalde overtreding van de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet en herhaalde overtreding van NEN-norm 2990+Cl:2020 te voorkomen. Dit op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding tot een maximum van € 50.000.
1.1.
Het college heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat weliswaar niet voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 5:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar de last in stand kan blijven op grond van artikel 5:2, eerste lid, onder b van de Awb. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en, hangende het beroep, ook om een voorlopige voorziening verzocht.
1.2.
Verzoekster heeft laatstelijk op 20 juli 2026 de gronden van haar verzoekschrift aangevuld.
1.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: G.B. Hennekij, bestuurder van verzoekster, namens verzoekster en de gemachtigden van het college.
1.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit. [1] Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college aan verzoekster in het bestreden besluit onjuist uitgevoerde asbestinspecties in andere gemeenten tegenwerpt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in dit geval niet bevoegd was tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom op grond van artikel 5:2, eerste lid, onder b van de Awb. De bevoegdheid van het college reikt namelijk niet verder dan het grondgebied van de gemeente Heusden. Het college kan daarom enkel een last onder dwangsom opleggen voor een overtreding in de gemeente Heusden, dan wel voor een klaarblijkelijk dreigende overtreding in haar eigen gemeente in de zin van artikel 5:7 van Pro de Awb.
2.1.
Met een beroep op de memorie van toelichting bij hoofdstuk 2 van de Omgevingswet kan de bevoegdheidsregeling zoals die is opgenomen in artikel 124 van Pro de Grondwet en nader is uitgewerkt in artikel 108 en Pro artikel 125 van Pro de Gemeentewet, niet opzij worden gezet.
3. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Dat leidt tot vernietiging respectievelijk herroeping van de besluiten, zoals hierna zal worden beslist. De overige door verzoekster aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
4. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het in beroep betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat er geen sprake is van een professionele gemachtigde.
5. Omdat direct uitspraak wordt gedaan op het beroep, wordt de voorlopige voorziening afgewezen en bestaat in de voorlopige voorziening geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 9 juni 2026 gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 9 juni 2026;
 herroept het primaire besluit van 15 december 2025 voor zover dat besluit betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente Heusden;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
 bepaalt dat het college het in de beroepszaak betaalde griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026 door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Beroepszaak SHE 26/1838