ECLI:NL:RBOBR:2026:5189

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
25/325
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Erfgoedverordening Helmond 2011Art. 2.29 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 2.30 Besluit bouwwerken leefomgevingOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bouwstop gehandhaafd voor werkzaamheden aan gemeentelijk monument in Helmond

Eiser voerde werkzaamheden uit aan een gemeentelijk monumentaal pand in Helmond, waarvoor het college een bouwstop oplegde wegens overtreding van de omgevingsvergunning en de Erfgoedverordening Helmond 2011. De bouwstop werd opgelegd na constatering van afwijkingen bij een controle in augustus 2024 en gehandhaafd bij besluit in december 2024.

Eiser stelde dat de aanbouw geen monumentaal onderdeel was en dat de werkzaamheden vergunningvrij waren. De rechtbank oordeelde dat de aanbouw zowel bouwkundig als functioneel deel uitmaakt van het monument en dat de werkzaamheden daarom vergunningplichtig zijn. De afwijkingen betroffen onder meer gootdetails, dakbedekking en het niet aanbrengen van dakramen.

Verder stelde eiser dat het handhavend optreden niet evenredig was en dat de bouwstop waterschade veroorzaakte. De rechtbank verwierp dit, omdat een bouwstop een ordemaatregel is waarbij slechts een beperkte belangenafweging nodig is en het college niet verplicht is voorafgaand overleg te voeren. De waterschade was bovendien pas na het bestreden besluit geconstateerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de bouwstop en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de bouwstop voor werkzaamheden aan het gemeentelijk monument en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/325 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, het college,
(gemachtigden: mr. C.S. Rotman, mw. mr. Y.J.A.M. Willems en [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het college opgelegde bouwstop ten aanzien van het pand [adres] in Helmond. Eiser is het niet eens met de bouwstop. Volgens hem zijn de werkzaamheden vergunningvrij omdat ze niet worden uitgevoerd aan een monumentaal beschermd onderdeel van het pand. Verder vindt eiser dat het college te weinig oog heeft gehad voor de belangen van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bouwstop op heeft mogen leggen. De werkzaamheden werden namelijk zonder vergunning uitgevoerd aan een gedeelte van een monument. Daarom waren ze niet vergunningvrij. Het college heeft daarbij voldoende oog gehad voor de belangen van eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Op 13 augustus 2024 heeft het college een controle uitgevoerd op de bouwwerkzaamheden die eiser uitvoerde aan het pand op de [adres] in Helmond. Naar aanleiding van deze controle heeft het college op 14 augustus 2024 aan eiser een bouwstop opgelegd in de vorm van een last onder dwangsom.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit van 14 augustus 2024 tot het opleggen van een bouwstop gebleven.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. Y.A. Mijhad en C. Warner, architect; en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser is eigenaar van een pand aan de [adres] in Helmond. Dit pand – een voormalig ambtswoning voor de burgemeester van Helmond – is in 1992 aangewezen als gemeentelijk monument. Aan eiser is op 26 mei 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand naar vijf woningen.
3.1.
Bij een controle van de werkzaamheden heeft het college geconstateerd dat deze werden uitgevoerd in afwijking van de verleende vergunning en in strijd met de Erfgoedverordening Helmond 2011. Het ging om het vervangen van kozijnen aan de voorzijde van het pand en andere werkzaamheden aan de achterzijde van het pand. Het college heeft daarom een bouwstop aangezegd in de vorm van een last onder dwangsom. Daarbij heeft het college gelast dat eiser alle werkzaamheden staakte en gestaakt zou houden die betrekking hebben op het vervangen van kozijnen en aan de achterzijde van het pand. Als eiser zich daar niet aan hield, dan zou hij een eenmalige dwangsom betalen van € 25.000,-.
3.2.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft het college dit besluit gehandhaafd.
3.3.
Omdat sprake is van een ambtshalve genomen handhavingsbesluit van ná 31 december 2023, is de Omgevingswet van toepassing op de bouwstop.
Waar gaat deze zaak nog over?
4. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de bouwstop wat hem betreft geen doel heeft getroffen ten aanzien van de kozijnen, aangezien de werkzaamheden aan de kozijnen ten tijde van de bouwstop al voltooid waren. Het college heeft aangegeven dat de bouwstop op dit punt dan inderdaad geen zin meer heeft. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het aanvechten van dit onderdeel van de bouwstop. Daarom gaat het hierna alleen nog maar om de werkzaamheden aan de aanbouw.
Was er sprake van een overtreding?
5. Volgens eiser was er geen sprake van een overtreding. De aanbouw van het pand is namelijk in 1992 opgeleverd en maakt als zodanig geen onderdeel uit van het monument. Dat betekent dat de werkzaamheden niet vergunningplichtig waren.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de grondslag van de bouwstop niet is gelegen in de aantasting van de monumentale waarden van het pand, maar in het feit dat er in afwijking van – en dus in strijd met – de omgevingsvergunning voor de verbouw werd gehandeld. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat ook de aanbouw onderdeel uitmaakt van het monument en dat daarom ook ten aanzien van de achterzijde sprake is van een wijziging van een monument.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
5.3.
Partijen zijn het erover eens dat de werkzaamheden ten aanzien waarvan het college heeft gehandhaafd, afwijken van de werkzaamheden die in de aanvraag voor de omgevingsvergunning van 26 mei 2023 zijn opgenomen. Het gaat om de volgende afwijkingen:
- het gootdetail is niet conform de tekening;
- de overgang van het monument naar de nieuwe ‘moderne’ aanbouw door middel van een lichtstraat is niet uitgevoerd;
- de dakbedekking is uitgevoerd met stalen dakplaten (geschroefd) in plaats van zinken felsbanen die onzichtbaar gefixeerd zouden worden, ook is de kleur sterk afwijkend (antraciet in plaats van VM pigmento rood);
- de dakramen zijn niet aangebracht.
5.4.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Erfgoedverordening Helmond 2011, is het verboden om een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Verder geldt dat voor zover de in randnummer 5.3 genoemde werkzaamheden op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) al vergunningvrij zouden zijn, artikel 2.30, eerste lid, van het Bbl bepaalt dat de relevante onderdelen van artikel 2.29 niet van toepassing zijn voor zover ze worden verricht aan een monument. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of de achterzijde van het pand onderdeel uitmaakt van het monument.
5.5.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State raakt een aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument de gehele bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid die is genoemd in de bij het aanwijzingsbesluit behorende redengevende omschrijving. [1] De aanwijzing heeft tot gevolg dat het gehele pand een monumentale status verkrijgt en dus beschermd wordt. Dat geldt ook voor de aspecten of onderdelen van het pand die op zichzelf geen monumentale waarde hebben. [2] Deze systematiek zorgt ervoor dat het college de gelegenheid heeft om bij de vergunningverlening te kunnen beoordelen in hoeverre de wel aanwezige monumentale waarden door voorgenomen werkzaamheden worden aangetast.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de achterzijde van het pand zowel bouwkundig als functioneel deel uitmaakt van het als monument aangewezen hoofdgebouw. Dat heeft het college bepleit en eiser heeft dit niet weersproken. Deze conclusie wordt ook gedragen door de bouwtekeningen en het bouwhistorisch rapport die onderdeel uitmaken van het dossier. De werkzaamheden aan de achterzijde hebben dus betrekking op een monument. Voor zover eiser in afwijking van de omgevingsvergunning voor de verbouw werkzaamheden heeft verricht, zijn deze werkzaamheden dus in strijd met de omgevingsvergunning, dan wel in strijd met artikel 9, tweede lid, van de Erfgoedverordening Helmond 2011. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden. Eiser heeft ter zitting ook gesteld dat hij niet langer betwist dat het college bevoegd was.
Evenredigheid
6. Volgens eiser was het handhavend optreden van het college niet evenredig. Het college had kunnen volstaan met het aanzeggen van een bouwstop voor een beperkter onderdeel van de werkzaamheden. Vanwege de bouwstop heeft eiser bovendien waterschade geleden, aangezien hij door de bouwstop niet kon voorzien in hemelwaterafvoer. Het college had in gesprek moeten gaan met eiser.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Een bouwstop wordt door het college opgelegd als ordemaatregel, waarin vanwege de spoedeisendheid slechts een beperkte belangenafweging hoeft te worden gemaakt. [3] Het college hoeft in het kader van het opleggen en handhaven van een bouwstop in principe niet te onderzoeken of de werkzaamheden gelegaliseerd kunnen worden. [4] Die afweging dient het college te maken bij het beoordelen van een aanvraag voor een vergunning voor de desbetreffende werkzaamheden. Het college mocht eiser voor de door eiser verlangde dialoog daarom verwijzen naar de noodzaak om een aanvraag om een vergunning in te dienen.
6.2.
Het college hoefde bij het opleggen van de aanvankelijke bouwstop dus niet eerst met eiser in gesprek te gaan over de reikwijdte van de bouwstop. Dat neemt niet weg dat het college bij de heroverweging in bezwaar wel aanleiding moet zien om nader onderzoek te doen naar de noodzakelijke reikwijdte van de bouwstop. De rechtbank is echter van oordeel dat het college de bouwstop in het bestreden besluit volledig heeft mogen handhaven. De strekking van de bouwstop was namelijk dat de werkzaamheden dienden te worden gestaakt totdat het college zekerheid had over de aanvaardbaarheid ervan vanuit cultuurhistorisch perspectief. Die zekerheid had het college nog niet, aangezien eiser nog geen aanvraag had ingediend. Dat betekent dat het college de bouwstop mocht handhaven.
6.3.
Dat de bouwstop mede tot gevolg had dat eiser waterschade heeft geleden, maakt niet dat het college de bouwstop in het bestreden besluit niet mocht handhaven. Dat is alleen al zo omdat de waterschade pas op 7 januari 2025, dus na de datum van het bestreden besluit, is geconstateerd. (Mogelijke) waterschade als gevolg van de bouwstop was in de bezwaarfase niet naar voren gebracht. Het college kon hiermee bij het bestreden besluit daarom geen rekening houden.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om de bouwstop op te leggen en deze in bezwaar te handhaven. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. De bouwstop blijft dus in stand. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7541.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3323.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1064.
4.Zie voor dit laatste bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1732.