ECLI:NL:RBOBR:2026:5165

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
12129104 \ EJ VERZ 26-155
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:183 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging partiële verdeling nalatenschap vanwege bewind over erfgenaam

Op 19 juni 2026 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant een beschikking gegeven inzake de verdeling van de nalatenschap van een overledene uit 2024. De procedure werd gestart door de bewindvoerder van een erfgenaam die onder bewind staat. Uit de stukken bleek dat een groot deel van de nalatenschap al verdeeld was zonder voorafgaande machtiging.

De kantonrechter oordeelde dat achteraf geen machtiging kan worden verleend voor reeds verrichte verdelingen. Daarom werd alleen machtiging verleend voor de partiële verdeling van het resterende deel van de nalatenschap. Tevens werd geoordeeld dat de legitieme portie van de onder bewind staande erfgenaam niet in een fonds moet worden afgezonderd, maar rechtstreeks op zijn eigen rekening moet worden gestort, wat in zijn belang is.

De beschikking maakt duidelijk dat de verdeling van het restant van de nalatenschap kan plaatsvinden in de vorm die partijen wensen, ook via een onderhandse akte. De erfgenaam ontvangt nog een bedrag van €5.602,00, waarover mogelijk erfbelasting verschuldigd is.

Uitkomst: Machtiging verleend voor partiële verdeling van het restant van de nalatenschap aan de erfgenaam onder bewind.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 12129104 \ EJ VERZ 26-155
Beschikking van 19 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
procederend in persoon,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van,
[rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [rechthebbende] ,
inzake de nalatenschap van:
[erflater],
geboren te [plaats] op [geboortedatum 1] 1934,
overleden [plaats] op [overlijdensdag] 2024,
laatst gewoond hebbende te [plaats] ,
hierna te noemen: erflater.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de aanvullende stukken van de bewindvoerder van 4 mei 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdag] 2024 is erflater overleden.
2.2.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd mevrouw [A] . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten:
  • [verzoekster] (de bewindvoerder);
  • [B] , geboren te [plaats] op [geboortedatum 2] 1962;
  • [rechthebbende] , geboren te [plaats] op [geboortedatum 3] 1964 (de rechthebbende);
2.3.
Erflater heeft voor het laatst bij testament van 28 juli 2004 over zijn nalatenschap beschikt. Op grond van het testament heeft hij voor een/vierde gedeelte zijn echtgenote benoemd tot zijn erfgename benoemd, voor vijf/zestiende aandeel zijn zoon [B] en zijn dochter [verzoekster] (de bewindvoerder) voor het restant van de nalatenschap, onder de verplichting om een gelijk deel aan de legitieme portie van zijn zoon [rechthebbende] (de rechthebbende) ten behoeve van hem af te zonderen in een zogenoemd “fonds”.
2.4.
Erflater heeft in zijn testament de wettelijke verdeling van toepassing verklaard op zijn nalatenschap. Voorts heeft erflater in zijn testament opgenomen dat de vorderingen van zijn kinderen (onder andere) opeisbaar zijn indien zijn echtgenote zich definitief metterwoon vestigt in een verzorgingstehuis of een soortgelijke (verzorgings-)instelling en zij door uitbetaling van de vorderingen dan wel een gedeelte daarvan en/of de daarover verschuldigde rente niet meer in aanmerking zou komen voor een vermogensafhankelijke eigen bijdrage dan wel in aanmerking komt voor een verlaagde vermogensafhankelijke eigen bijdrage.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek strekt, kort gezegd, tot het verlenen van goedkeuring voor de verdeling van de nalatenschap van erflater.
3.2.
Als onderbouwing van het verzoek heeft de bewindvoerder verwezen naar de cijfermatige weergave van de omvang van de nalatenschap en de wijze van verdeling. Daarbij heeft de bewindvoerder opgemerkt dat [rechthebbende] al een bedrag van € 32.495,00 ontvangen heeft op zijn eigen rekening en dat zij hiertoe geen aparte (fondsen)rekening zal openen zoals erflater in het testament bepaald heeft. [rechthebbende] heeft nu – na de verkoop van het huis – nog recht op een bedrag van € 5.602,00, welk bedrag tevens op de eigen rekening van [rechthebbende] gestort zal worden. Bij dit bedrag is nog geen rekening gehouden met de eventueel verschuldigde erfbelasting.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 3:183 BW Pro moet de verdeling van een nalatenschap door de kantonrechter goedgekeurd wordt indien er bij de verdeling personen zijn betrokken die niet het vrije beheer over hun goederen hebben. Indien de kantonrechter hiervoor een machtiging verleent, kan de verdeling op grond van artikel 3:183 BW Pro geschieden op de wijze en vorm die partijen goeddunkt.
4.2.
Uit het verzoekschrift en de overgelegde onderbouwende stukken leidt de kantonrechter af dat de belangen van [rechthebbende] zich niet tegen inwilliging van het verzoek verzetten.
4.3.
In het testament van erflater is opgenomen dat de legitieme portie van [rechthebbende] door de bewindvoerder moet worden afgezonderd in een zogenoemd fonds. De kantonrechter is van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het belang van [rechthebbende] ermee is gediend dat zijn legitieme portie wordt afgezonderd in een fonds. Conform de wet heeft [rechthebbende] recht heeft op een vrije en onbezwaarde verkrijging van zijn legitieme portie. Dat betekent dat de legitieme portie in het eigen vermogen van [rechthebbende] terecht moeten komen. Met de instandhouding van de in het testament van erflater opgenomen constructie is dat niet het geval. Door middel van een fonds, op naam van de bewindvoerder, zal het aan [rechthebbende] uit te keren bedrag deel uitmaken van het vermogen van de bewindvoerder. Hierdoor wordt dit bedrag van [rechthebbende] kwetsbaar voor (onvoorziene) factoren die buiten de vermogensrechtelijke sfeer van [rechthebbende] liggen. Dat is niet in zijn belang. De bewindvoerder geeft in haar verzoek echter aan geen gebruik te maken van de in het testament opgenomen constructie, maar de aan [rechthebbende] toekomende legitieme portie op zijn eigen rekening te storten. De kantonrechter acht dat, gezien het voorgaande, in het belang van [rechthebbende] en kan daar dus mee instemmen.
4.4.
Verder blijkt uit de door de bewindvoerder overgelegde stukken dat de nalatenschap al partieel is verdeeld. In het verzoekschrift geeft bewindvoerder namelijk te kennen dat [rechthebbende] een deel van de nalatenschap heeft ontvangen op zijn, meer concreet een bedrag van € 32.495,00. In artikel 3:183 BW Pro is bepaald dat de verdeling op iedere wijze en in elke vorm kan geschieden, mits de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, allen het vrije beheer over hun goederen hebben en in persoon of bij een door hen aangewezen vertegenwoordiger medewerken, dan wel in geval van bewind over hun recht worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming of machtiging. De kantonrechter kan niet achteraf, na de verdeling, toestemming of machtiging verlenen. Dat betekent dat voor de partiële verdeling die al heeft plaatsgevonden geen machtiging meer kan worden verleend.
4.5.
Een deel van de nalatenschap van erflater is nog onverdeeld. Uit dien hoofde heeft [rechthebbende] nog recht op een (na)betaling van € 5.602,00. Gelet op het verzoekschrift en de overgelegde onderbouwende stukken is de kantonrechter van oordeel dat (wel) de goedkeuring voor deze partiële verdeling van het restant de nalatenschap van erflater verleend kan worden.
4.6.
Omdat de kantonrechter de verzochte machtiging voor de partiële verdeling van het restant de nalatenschap zal verlenen, kan op grond van artikel 3:183 lid 1 BW Pro de verdeling geschieden in de vorm die partijen goeddunkt, dus ook bij onderhandse akte.

5.De beslissing

De kantonrechter
verleent machtiging voor de partiële verdeling van het restant van de nalatenschap van erflater, waarbij aan [rechthebbende] nog een bedrag van € 5.602,00 toekomt, waarover [rechthebbende] eventueel nog erfbelasting verschuldigd zal zijn.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.A. Donkersloot en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.