Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
- [verzoekster] (de bewindvoerder);
- [B] , geboren te [plaats] op [geboortedatum 2] 1962;
- [rechthebbende] , geboren te [plaats] op [geboortedatum 3] 1964 (de rechthebbende);
Rechtbank Oost-Brabant
Op 19 juni 2026 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant een beschikking gegeven inzake de verdeling van de nalatenschap van een overledene uit 2024. De procedure werd gestart door de bewindvoerder van een erfgenaam die onder bewind staat. Uit de stukken bleek dat een groot deel van de nalatenschap al verdeeld was zonder voorafgaande machtiging.
De kantonrechter oordeelde dat achteraf geen machtiging kan worden verleend voor reeds verrichte verdelingen. Daarom werd alleen machtiging verleend voor de partiële verdeling van het resterende deel van de nalatenschap. Tevens werd geoordeeld dat de legitieme portie van de onder bewind staande erfgenaam niet in een fonds moet worden afgezonderd, maar rechtstreeks op zijn eigen rekening moet worden gestort, wat in zijn belang is.
De beschikking maakt duidelijk dat de verdeling van het restant van de nalatenschap kan plaatsvinden in de vorm die partijen wensen, ook via een onderhandse akte. De erfgenaam ontvangt nog een bedrag van €5.602,00, waarover mogelijk erfbelasting verschuldigd is.
Uitkomst: Machtiging verleend voor partiële verdeling van het restant van de nalatenschap aan de erfgenaam onder bewind.