ECLI:NL:RBOBR:2026:5164

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/01/415206 / HA ZA 25-307
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 BWArt. 6:130 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling maatschapsbijdragen en verrekening tussen maten advocatenmaatschap

Partijen zijn maten in een advocatenmaatschap en zijn het oneens over de betaling van maatschapsbijdragen na beëindiging van het lidmaatschap van gedaagde. Eiser vordert betaling van achterstallige maatschapsbijdragen die aan hem zijn gecedeerd. Gedaagde stelt dat de maatschap ontbonden is zonder opzegtermijn en beroept zich op verrekening met tegenvorderingen.

De rechtbank oordeelt dat de cessie rechtsgeldig is en dat sprake is van opzegging met een opzegtermijn van zes maanden, niet van ontbinding zonder opzegtermijn. Gedaagde is gehouden de maatschapsbijdragen te betalen over de opzegtermijn. Het beroep op een alternatieve afspraak zonder opzegtermijn faalt. Voorschotfacturen zijn gebaseerd op werkelijke kosten, en gedaagde heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze onjuist zijn.

Het beroep op verrekening met tegenvorderingen slaagt niet omdat deze onvoldoende samenhangen met de gecedeerde vorderingen en onvoldoende zijn onderbouwd. De reconventionele vorderingen worden afgewezen. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van € 33.511,45 plus wettelijke rente en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van maatschapsbijdragen inclusief wettelijke rente en proceskosten, terwijl zijn tegenvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/415206 / HA ZA 25-307
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. mr. drs. [handelsnaam eiser]
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
advocaat: mr. drs. [eiser] ,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. [gedaagde] .
Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 april 2025 met producties 1 t/m 20;
- het herstelexploot van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 12;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 21 t/m 24;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overleggen producties tevens akte vermeerdering eis in reconventie met producties 13 t/m 15;
- de akte overleggen producties van [eiser] met producties 25 t/m 27;
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 1 juli 2021 een maatschapsovereenkomst aangegaan onder de gemeenschappelijke naam “ [naam maatschap] ” (hierna: de maatschap).
2.2.
Nadat één van de vier maten, mr. [A] (hierna: [A] ), in juli 2022 uit de maatschap was gestapt, hebben partijen een herziene maatschapsovereenkomst gesloten op 15 september 2022, met als enige wijziging dat [A] daarin niet meer voorkwam als maat. De maatschap bestond op dat moment uit drie maten:
I. [B] B.V. (hierna: [B] BV);
II. [eiser] , h.o.d.n. mr. drs. [handelsnaam eiser] ( [eiser] ); en
III. [gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde] ( [gedaagde] ).
2.3.
In deze maatschapsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

Nemen het volgende in aanmerking:
(…)
De maatschap fungeert tussen de maten als kostenmaatschap. De kosten die tussen de maten a en b worden gedeeld, worden door de maatschap aangegaan en zijn de werkelijke kosten verbonden aan de verplichtingen opgenomen in bijlage A. De kosten die tussen alle maten worden gedeeld, worden door de maatschap aangegaan en zijn opgenomen in bijlage B bij deze akte.
(…)
Artikel 10 Einde Pro van het lidmaatschap van de maatschap
1. Het lidmaatschap van een lid van de maatschap eindigt:
a. doordat hij de maatschap opzegt, voor welke opzegging een termijn van minimaal zes maanden in acht genomen moet worden,
(…)
Artikel 11 Ontbinding Pro van de maatschap
2. Indien de maatschap ontbonden wordt op vordering van één maat, zullen aan deze maat dezelfde rechten en verplichtingen toekomen als had hij zijn lidmaatschap van de maatschap opgezegd. De overige maten zetten in dat geval (de zaken van) de maatschap voort. (…)
2.4.
Op bijlage A van de maatschapsovereenkomst staan kosten zoals loonkosten, personeelskosten, verzekeringen en diverse kantoorkosten. Op bijlage B staan de huur, servicekosten (energie-water-ozb-parkeerplaatsen) en de huisvestingskosten.
2.5.
Op 15 november 2023 heeft [gedaagde] aangegeven zijn lidmaatschap van de maatschap te willen beëindigen. Tot 15 mei 2024 heeft hij voorschotfacturen ontvangen van de maatschap. Deze heeft hij niet meer betaald.
2.6.
Uit de akte van 18 december 2024 blijkt dat de vorderingen van de maatschap op [gedaagde] aan [eiser] zijn gecedeerd. Deze akte is gecorrigeerd in augustus 2025, waarbij de gecorrigeerde akte in de plaats is gekomen van de vorige akte van cessie.
Vervolgens heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in conventie om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 33.702,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (en nakosten).
3.2.
[eiser] legt hieraan, kort gezegd, het volgende ten grondslag. Uit de maatschapsovereenkomst volgt dat er een opzegtermijn van zes maanden is. Omdat [gedaagde] heeft opgezegd op 15 november 2023, eindigt de overeenkomst dus voor hem op 15 mei 2024. Dat volgt uit artikel 10 lid 1 onder Pro a van de maatschapsovereenkomst. Tot die tijd was hij gehouden om zijn maatschapsbijdrage te betalen, omdat die noodzakelijk is voor het betaalbaar houden van de lasten van de maatschap. Door stelselmatig zijn maatschapsbijdrage onbetaald te laten, heeft [gedaagde] een schuld aan de maatschap laten ontstaan die hij terug moet betalen. Het gaat om de voorschotfacturen van november 2023 tot en met medio mei 2024, een kwart van het negatief eigen vermogen van de maatschap per eind 2022 en een derde van het negatief eigen vermogen van de maatschap per eind 2023. Daarnaast vordert [eiser] ook nog de kosten terug die de boekhoudster, mevrouw [C] (hierna: [C] ), heeft moeten maken om ervoor te zorgen dat [gedaagde] zijn achterstanden betaalde.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert na eisvermeerdering – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis om de maatschapsovereenkomst te vernietigen per 15 november 2023, [eiser] te veroordelen tot betaling van € 42.857,25, te vermeerderen met 1/3e deel van de nabetaling die [A] heeft gedaan aan de maatschap in 2024 dan wel de helft daarvan zijnde € 21.428,63, te vermeerderen met 1/6e deel van het bedrag dat [A] aan de maatschap heeft nabetaald, mét wettelijke rente en de proceskosten. Subsidiair vordert [gedaagde] nog betaling van € 38.882,97, dan wel de helft daarvan zijnde € 19.441,49. Met zowel primair als subsidiair verrekening van hetgeen in conventie, voor zover aan de orde.
3.6.
[gedaagde] legt hieraan, kort gezegd, het volgende ten grondslag. [gedaagde] stelt dat bij het aangaan van de maatschapsovereenkomst is afgesproken dat hij alleen hoeft bij te dragen in de kosten zoals vermeld in bijlage B. Hij heeft echter vanaf medio december 2022 ook de kosten van bijlage A betaald, als gevolg waarvan hij te veel heeft betaald, hetgeen hij terugvordert. Daarnaast heeft hij recht op bedragen die samenhangen met terugbetaalde bedragen door [A] , en die verband houden met ‘Huisje Weltevree’. Die bedragen vordert hij ook in reconventie. Tot slot doet hij subsidiair een beroep op dwaling. Wegens die dwaling vordert hij vernietiging van de maatschapsovereenkomst per 15 november 2023, evenals een schadevergoeding.
3.7.
[eiser] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en reconventie hangen zodanig met elkaar samen dat zij gezamenlijk zullen worden behandeld.
De akte van [eiser] zal worden toegestaan
4.2.
Enkele dagen voor de zitting, te weten op 13 maart 2026, heeft [eiser] nog een akte overlegging producties overgelegd. Op de zitting heeft [gedaagde] hier bezwaar tegen gemaakt, omdat deze producties volgens hem te laat zijn overgelegd. De rechtbank zal zich in dit vonnis eerst uitlaten over de vraag of deze producties worden toegelaten tot het geding.
4.3.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] met name bezwaar maakt tegen productie 27, dat ziet op het jaarverslag van de maatschap van 2024. [eiser] heeft op zitting toegelicht dat de daarin genoemde cijfers/bedragen niets veranderen aan de door hem ingestelde vorderingen. Daarnaast is de systematiek van dit jaarverslag gelijk aan de andere jaarverslagen die al eerder zijn overgelegd, aldus [eiser] . De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] voldoende in de gelegenheid is geweest op zitting om te reageren op wat door [eiser] naar voren is gebracht ten aanzien van die producties, waaronder de jaarrekening over 2024. Daarbij komt dat de jaarrekening qua opbouw gelijk is aan die van 2022 en 2023 en daarom van [gedaagde] verwacht mag worden dat hij daarvan – ook in een relatief kort tijdsbestek – kennis heeft kunnen nemen. Er is daarom geen sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde, door het te laat overleggen van die producties. Het verweer van [gedaagde] slaagt dus niet en de akte wordt toegelaten tot het geding.
Akte van cessie is rechtsgeldig
4.4.
[gedaagde] heeft als eerste het verweer gevoerd dat de akte van cessie niet rechtsgeldig is, als gevolg waarvan [eiser] niet bevoegd is om deze procedure te voeren. Dat had de maatschap moeten zijn. Volgens [gedaagde] is niet duidelijk wie er gecedeerd heeft ( [B] of [B] BV) en heeft hij, als (ex-)maat, geen toestemming voor een cessie gegeven. Dit is volgens [gedaagde] onherstelbaar. Immers, volgens [eiser] zou [gedaagde] tot 15 mei 2024 lid van de maatschap zijn en voorschotnota’s verschuldigd zijn. Dat zou betekenen dat hij ook een stem heeft over het al dan niet cederen van vorderingen van de maatschap. [gedaagde] geeft hoe dan ook geen toestemming hiervoor. Er zou dus geen grondslag zijn voor de vorderingen, aldus [gedaagde] .
4.5.
[eiser] heeft daartegen aangevoerd dat van [gedaagde] geen toestemming nodig was, omdat hij vanaf 15 mei 2024 geen maat meer was en de vorderingen pas daarna zijn gecedeerd. Daarnaast heeft hij – ter verduidelijking – een gecorrigeerde akte van cessie overgelegd, met ondertekening namens de maatschap door [B] BV, zodat volgens hem rechtsgeldig door de maatschap/maten aan hem is gecedeerd (zie r.o. 2.5).
4.6.
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde] . Artikel 3:94 BW Pro vereist voor levering van vorderingen een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar door de vervreemder of verkrijger. Vaststaat dat er een akte van cessie is en dat er mededeling is gedaan aan [gedaagde] op 18 december 2024. Onduidelijk is waarop hij zijn stelling baseert dat er toestemming van hem nodig is voor de cessie. Hij was immers op het moment van de cessie geen maat meer en uit artikel 3:94 BW Pro volgt dat instemming van de schuldenaar niet nodig is. Voor wat betreft zijn verweer dat de verkeerde partij heeft getekend, geldt dat dit inmiddels is gecorrigeerd. In die gecorrigeerde akte heeft [B] BV voor akkoord getekend namens de maatschap. Het verweer van [gedaagde] passeert de rechtbank daarom.
Er was geen sprake van ontbinding, maar van opzegging
4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de maatschapsovereenkomst voor wat betreft [gedaagde] is beëindigd op 15 november 2023. In geschil is echter hoe de overeenkomst, juridisch gezien, is beëindigd.
4.8.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat geen sprake is geweest van opzegging van de maatschapsovereenkomst maar van ontbinding. Hij heeft verwezen naar mailverkeer van 11 december 2023, waarin hij onder meer schrijft aan [B] en [eiser] (productie 5, conclusie van antwoord):

Ook over de ontbinding van de maatschap nadat ik had verzocht de opzegtermijn naar drie maanden te verkorten zodat ik uiterlijk eind augustus zou kunnen uitstappen ivm thuis. Dat was niet nodig want de overeenkomst zou dan ontbonden worden. Ik heb vorige maand definitief aangeven niet verder te gaan in de maatschap, die dus is ontbonden.”
En op 13 december 2023:

1. Maatschap. Nee, er zou ontbonden worden, Ik hoefde niet op te zeggen. Jullie eigen woorden. Daar heb ik op vertrouwd en mogen vertrouwen, want jullie wisten in februari al van de opzegging.”
4.9.
Tijdens de zitting heeft hij dit standpunt verder toegelicht. Volgens [gedaagde] wilde hij gewoon stoppen. Al in februari en augustus 2023 heeft hij laten weten dat het anders moest. Hij heeft omstreeks augustus 2023 met [B] besproken hoe hij zijn werkzaamheden kon afronden. In dat gesprek zou [B] gezegd hebben dat de maatschap ontbonden kon worden als hij eruit zou stappen, aldus [gedaagde] . Voor hem maakte het niet uit of het om een ontbinding of opzegging ging; hij wilde gewoon per direct stoppen. Uiteindelijk wilde hij aan [eiser] en [B] overlaten of zij de maatschap zouden voortzetten. Hij wist niet wat de gevolgen daarvan zouden zijn. [gedaagde] heeft in september 2023 nog over de beëindiging van het lidmaatschap nagedacht en vervolgens op 15 november 2023 aangegeven definitief te willen stoppen, zonder het woord opzegging of ontbinding te gebruiken. Zijn idee was, zo heeft hij op zitting verklaard, dat partijen over de precieze afronding daarvan daarna nog in gesprek zouden gaan. Hij was ervan overtuigd dat er verder geen kosten aan zouden zijn verbonden, aldus [gedaagde] .
4.10.
[eiser] betwist dat sprake is van een ontbinding van de maatschap (op vordering van [gedaagde] ). [B] heeft nooit aangegeven dat de maatschap ontbonden zou worden als [gedaagde] eruit zou stappen. [B] had daar geen belang bij en zou zo’n besluit altijd eerst met [eiser] bespreken. Na de opzegging van [gedaagde] hebben [eiser] en [B] de maatschap gewoonweg voortgezet. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] op 15 november 2023 aangegeven aan [B] , en vervolgens ook aan hem, dat hij de overeenkomst wilde opzeggen. Er is altijd sprake geweest van een opzegtermijn. Dat wist [gedaagde] . Hij heeft eerder verzocht om die opzegtermijn te verkorten naar drie maanden, maar dat was niet akkoord, aldus [eiser] . Hij heeft daarbij verwezen naar de mail van 13 december 2023, waarin hij aan [gedaagde] schrijft:

(…) Wij hebben nooit beweerd dat je niet hebt opgezegd. Voor wat het waard is, bevestigen we jou dan ook nog maar schriftelijk het volgende. Op 15 november heb je zowel [B] als aan mij hier op kantoor de maatschap opgezegd. Die opzegging hebben wij aanvaard. Erg jammer, maar het is niet anders. Vanwege de opzeggingstermijn van zes maanden die hiervoor in acht moet worden genomen eindigt je lidmaatschap per 15 mei 2024. Tot die tijd blijf je dus medeverantwoordelijk voor de omgeslagen maatschapskosten. Eerder heb je verzocht de opzegtermijn naar drie maanden te verkorten maar hier zijn wij toen niet mee akkoord gegaan. Van ontbinding is overigens geen sprake. (…)
4.11.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een opzegging dan wel een ontbinding is van belang wat partijen over en weer hebben verklaard richting elkaar. Die verklaringen moeten worden uitgelegd. Op grond van de Haviltex-maatstaf komt het daarbij aan op de betekenis die partijen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die verklaringen mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
4.12.
Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), draagt [gedaagde] de stelplicht en bewijslast van de door hem verdedigde uitleg van die verklaringen, omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, namelijk dat sprake was van ontbinding zonder opzegtermijn waardoor hij geen maatschapsbijdrage meer verschuldigd is na beëindiging van zijn lidmaatschap.
4.13.
Artikel 10 lid Pro 1 a van de maatschapsovereenkomst bepaalt dat een lidmaatschap van de maatschap eindigt:

doordat hij de maatschap opzegt, voor welke opzegging een termijn van minimaal zes maanden in acht genomen moet worden”.
Artikel 11 bepaalt Pro voorts dat:

indien de maatschap ontbonden wordt op vordering van één maat, zullen aan deze maat dezelfde rechten en verplichtingen toekomen als had hij zijn lidmaatschap van de maatschap opgezegd. De overige maten zetten in dat geval (de zaken van) de maatschap voort. (…)
4.14.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 11 en Pro meent dat, omdat de maatschap ontbonden is (op zijn vordering), er geen opzegtermijn is, en hij dus geen kosten meer verschuldigd is. In het midden kan blijven of dat wel zo is – immers staat er in artikel 11 dat Pro aan die maat dezelfde rechten én verplichtingen toekomen als bij een opzegging – omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] , dat sprake was van een ontbindingsverklaring.
4.15.
Niet in geschil is dat [gedaagde] eerder heeft verzocht om een verkorting van de opzegtermijn naar drie maanden, waarmee [eiser] en [B] niet akkoord zijn gegaan. Dat is gesteld door [eiser] en niet weersproken door [gedaagde] , en volgt ook uit de correspondentie (zie r.o. 4.8). Vast staat dat er dus voor de formele beëindiging op 15 november 2023 is gesproken over de opzegtermijn in het kader van een opzegging. Volgens [gedaagde] zou er voor 15 november 2023 (ook) gesproken zijn over een ontbinding van de maatschap (op zijn vordering), maar dat heeft [eiser] gemotiveerd betwist (onder andere met de verklaring en correspondentie van [B] ) en is door [gedaagde] niet verder onderbouwd, anders dan door mails van zijn zijde ná 15 november 2023 waarin hij schrijft uit te gaan van een ontbinding. Deze mails zijn echter moeilijk te rijmen met zijn verklaringen op zitting. Op zitting heeft hij verklaard dat het voor hem niet uitmaakte of het een opzegging of ontbinding zou zijn, en dat hij die woorden ook niet op 15 november 2023 heeft gebruikt richting [eiser] en [B] . Dat betekent dat hij dus (ook) niet duidelijk heeft aangegeven richting [eiser] (en [B] ) dat hij de maatschap op zijn vordering wilde ontbinden, reden waarom [eiser] daar al niet van hoefde uit te gaan. Bovendien heeft [eiser] voldoende duidelijk gemaakt dat hij, en ook [B] , altijd van een opzegging is (zijn) uitgegaan, hetgeen ook blijkt uit de correspondentie nadien (zie bijv. r.o. 4.10). [eiser] mocht er dus op vertrouwen dat [gedaagde] op 15 november 2023 de maatschapsovereenkomst heeft opgezegd.
4.16.
Gelet op het voorgaande, heeft [gedaagde] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een ontbindingsverklaring op 15 november 2023. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van een opzegging. Op grond van artikel 10 van Pro de maatschapsovereenkomst is sprake van een opzegtermijn van zes maanden. Gelet daarop, is [gedaagde] in beginsel verplicht om zijn maatschapsbijdrage gedurende de opzegtermijn van zes maanden na opzegging te betalen.
Het beroep op de alternatieve afspraak slaagt niet
4.17.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat partijen een alternatieve afspraak hebben gemaakt. Deze hield in dat [gedaagde] , zonder dat men elkaar facturen zou sturen, op ieder moment afscheid zou kunnen nemen en terug zou kunnen vallen op zijn praktijk in [plaats] . Dit was voor het geval dat de samenwerking niet zou vlotten en de gezondheid van zijn echtgenote verder achteruit zou gaan.
4.18.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat partijen volgen hem zonder opzegtermijn de samenwerking konden beëindigen als hij zich door persoonlijke omstandigheden moest richten op de praktijk in [plaats] . Niettemin is in artikel 10 van Pro de maatschapsovereenkomst, zoals al genoemd in r.o. 2.3 van dit vonnis, een duidelijke opzegtermijn vastgelegd. Gesteld noch gebleken is dat partijen afgesproken hebben dat die opzegtermijn aan de kant kan worden gezet als voornoemde situatie zich zou voordoen. Integendeel. Zoals hiervoor vastgesteld, heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij en [B] [gedaagde] ten alle tijden aan de zes maanden opzegtermijn wilden houden. Dit verweer slaagt dus ook niet.
De voorschotfacturen zijn gebaseerd op de daadwerkelijke kosten
4.19.
[gedaagde] heeft ook als verweer gevoerd dat hij de voorschotfacturen die worden gevorderd niet hoeft te voldoen omdat deze niet gebaseerd zijn op de daadwerkelijk gemaakte kosten, althans dat het onduidelijk is of dat zo is. Nergens blijkt namelijk uit dat die facturen zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten die volgens de maatschapsovereenkomst voor zijn rekening en risico zijn. Hij verwijt daarbij [eiser] en [B] dat zij hem onvoldoende informatie hebben gegeven over die daadwerkelijke kosten. Omdat hij uit de voorschotfacturen niet kan afleiden dat deze betrekking hebben op de kosten die hij moet betalen, vindt [gedaagde] dat hij die facturen niet hoeft te voldoen.
4.20.
[eiser] heeft het voorgaande betwist. Volgens hem komen de voorschotfacturen overeen met de daadwerkelijke kosten die partijen met elkaar moesten delen op grond van de maatschapsovereenkomst. In de praktijk betekende dit dat maandelijks voorschotten in rekening werden gebracht aan de maten, gebaseerd op een begroting. Dat zijn de ‘prestaties’ zoals vermeld in de jaarrekeningen. Met die voorschotten werden diverse gezamenlijke kosten betaald. Kwam de maatschap aan inleg tekort, dan moesten de maten tussentijds bijstorten. Aan het eind van het boekjaar bleek of de kostenbijdragen de in dat jaar gemaakte kosten geheel hebben gedekt of niet. Als dat niet zo was, dan was sprake van ‘verlies’, zoals aangeduid in de jaarrekeningen. Die jaarrekeningen werden opgesteld door een externe accountant. Er is alleen ‘verlies’ geleden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de jaarrekening over 2023 dat sprake was van een verlies van € 1.275,09.
Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat de volledige financiële administratie altijd voor alle maten toegankelijk was. Zowel de digitale als de papieren administratie waren beschikbaar bij [C] . De mappen met de administratie lagen duidelijk geordend en gelabeld in haar kantoor en bij vragen konden de maten altijd bij haar terecht. Zij heeft ook geantwoord op de informatieverzoeken van (familie van) [gedaagde] en hem stukken toegestuurd. Ook de jaarlijkse begrotingen, waarop de voorschotfacturen waren gebaseerd, en de bankafschriften waren daar aanwezig. Daarnaast had [gedaagde] , net als de andere maten, met zijn ABN AMRO-pasje toegang tot de gezamenlijke rekening van de maatschap. Mocht [gedaagde] twijfels hebben gehad over de juistheid van de facturen ten opzichte van de werkelijke kosten, dan had hij dat eenvoudig kunnen controleren via de (extern opgestelde) jaarrekeningen.
4.21.
Niet in geschil is dat de daadwerkelijk gemaakte kosten gedeeld moeten worden tussen de maten op grond van de maatschapsovereenkomst. De rechtbank begrijpt dat [eiser] stelt dat de voorschotbedragen die ten grondslag liggen aan zijn vorderingen vrijwel gelijk waren aan de werkelijke kosten (en in elk geval niet lager dan de daadwerkelijk gemaakte kosten), hetgeen (ook) afgeleid kan worden uit de jaarrekeningen die zijn opgesteld door een externe accountant. [gedaagde] heeft het voorgaande betwist.
4.22.
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat de voorschotfacturen die worden gevorderd niet overeenkomen met de werkelijke kosten. Ervan uitgegaan mag worden dat de opgevoerde kosten in de jaarrekeningen, die door een externe accountant zijn samengesteld, in principe kloppen. In dat licht had het op de weg van [gedaagde] gelegen om concreet aan te geven wat er volgens hem niet klopt aan die gemaakte kosten, maar dat heeft hij niet gedaan. Vast staat immers dat hij de onderliggende bankafschriften vanaf medio december 2022 heeft ontvangen van [C] in juni 2023, na een daartoe strekkend verzoek van 21 juni 2023 (zie productie 6 bij conclusie van antwoord). Daarbij volgt uit zijn mail van 14 mei 2024 (productie 5 bij conclusie van antwoord) dat hij “
toch maar het initiatief genomen [heeft] om de mappen van de administratie na te lopen en gericht om stukken [heeft] verzocht. (…)”. Kennelijk was die administratie, zoals [eiser] heeft aangevoerd, wel toegankelijk voor hem.
4.23.
Waarom [gedaagde] eerder geen pogingen heeft ondernomen om onderliggende stukken in te zien, blijft daarom onduidelijk. Dat hij als maat geen toegang had tot relevante stukken, heeft hij gelet op het voorgaande en de door [eiser] gegeven toelichting dan ook onvoldoende onderbouwd. Zo heeft [C] ook nog toegelicht op zitting dat elke maat een bankpas had van de gezamenlijke rekening en op die manier bankafschriften kon raadplegen, hetgeen [gedaagde] ook onvoldoende heeft weersproken. Bovendien heeft [C] op verzoek van (familie van) [gedaagde] (het gaat om een drietal verzoeken) telkens de relevante informatie toegestuurd, zo volgt uit productie 6 conclusie van antwoord. Dat er geen bereidheid was om informatie te verstrekken vanuit de maatschap blijkt (dus) nergens uit.
4.24.
Tot slot is volstrekt onduidelijk gebleven waarom [gedaagde] de jaarrekeningen niet heeft geraadpleegd. Op zitting gaf [gedaagde] aan dat hij niet wist dat er een jaarrekening was en overal buiten is gehouden, maar de maatschapsovereenkomst schrijft duidelijk voor dat een jaarrekening wordt opgemaakt door een externe accountant en wordt vastgesteld door de maatschap (artikel 8). Als advocaat-ondernemer, die onderdeel is van een maatschap, mag verwacht worden dat [gedaagde] op de hoogte is van het vaststellen van een jaarrekening (en de gang van zaken binnen de maatschap) of zich daarover desnoods laat informeren. Kortom, het verweer van [gedaagde] dat hij niet hoeft te betalen omdat de voorschotfacturen niet gebaseerd zijn op de daadwerkelijke kosten slaagt niet.
Het beroep op verrekening met de (primaire) tegenvorderingen in reconventie slaagt niet
4.25.
[gedaagde] stelt dat hij de voorschotfacturen niet hoeft te betalen omdat hij al te veel zou hebben betaald aan voorschotten vanaf medio december 2022. Volgens hem is afgesproken in de maatschapsovereenkomst dat hij enkel moet bijdragen in de kosten zoals beschreven in bijlage B bij de maatschapsovereenkomst, en niet ook in die van bijlage A, terwijl deze wel in rekening zijn gebracht. Hij vordert daarom in reconventie primair een bedrag van € 42.857,25 terug. Dit bedrag bestaat daarnaast ook uit, zo begrijpt de rechtbank (randnr. 62 conclusie van antwoord), terug te betalen bedragen in verband met 1. ‘Huisje Weltevree’ en 2. geld dat [A] heeft teruggestort aan de maatschap in verband met achterstallige betalingen. De gevorderde bedragen in reconventie moeten worden verrekend, zo nodig, met de vorderingen in conventie.
4.26.
Ten aanzien van laatstgenoemde vorderingen heeft hij kort gezegd het volgende gesteld. Huisje Weltevree was de verhuurder van het pand dat gehuurd werd door de maatschap en was tevens de persoonlijke vennootschap van [B] . Volgens [gedaagde] heeft [B] binnenkomend geld direct door geboekt naar Huisje Weltevree. Het zou dan niet alleen gaan om de maatschapsbijdragen en te veel betaalde huur, maar ook om geld dat [B] zelf verschuldigd was aan de maatschap, zo begrijpt de rechtbank. Daarnaast heeft [A] geld terugbetaald aan de maatschap in 2024, omdat sprake was van achterstallige betalingen door hem. Hij heeft ook nog recht op een deel van dat bedrag omdat hij toen nog maat was. Aldus [gedaagde] .
4.27.
[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] enkel de kosten van bijlage B verschuldigd is (zie hierna onder r.o. 4.44). Ten aanzien van Huisje Weltevree heeft hij aangevoerd dat het klopt dat dat de BV van [B] was, maar dat ze samen destijds de huurovereenkomst (met een opzegtermijn van zes maanden) en de huur zijn overeengekomen. Er is nooit sprake geweest van het doorsluizen van gelden en dat blijkt ook nergens uit; alles ging op een nette manier. Ten aanzien van [A] heeft hij gesteld dat op de balans de niet betaalde voorschotten staan van [A] die later (via een incassoprocedure) alsnog zijn terugbetaald aan hem als cessionaris van die aan hem overgedragen vorderingen. De terugbetaling was ter dekking van de kosten van de maatschap, die hij en [B] destijds hebben voorgeschoten, en komt niet [gedaagde] toe.
De tegenvorderingen komen niet voor verrekening in aanmerking
4.28.
[eiser] heeft ook het verweer gevoerd dat [gedaagde] de tegenvorderingen had moeten instellen tegen de maatschap en niet tegen hem. Alleen de onderhavige vorderingen in conventie zijn overgegaan op hem en niet de (gehele) rechtsverhouding, zodat artikel 6:145 BW Pro niet aan de orde is, aldus [eiser] . De rechtbank begrijpt dat [eiser] betwist dat [gedaagde] een (geslaagd) beroep op verrekening kan doen met zijn tegenvorderingen omdat deze vorderingen geen verband houden met de gecedeerde vorderingen. [gedaagde] heeft hierop gereageerd dat als [eiser] een vordering instelt namens de maatschap en/of de andere maat, dan mag hij andersom ook een tegenvordering instellen tegen die maatschap en/of de andere maat en zich daartegen verweren in deze procedure. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de vorderingen van [eiser] het spiegelbeeld zijn van zijn tegenvorderingen.
4.29.
De rechtbank stelt voorop dat [eiser] door cessie eigenaar is geworden van de vorderingen en dus niet procedeert
namensde maatschap of de andere maat. Het verweer van [gedaagde] gaat in zoverre niet op. Dat betekent dat [gedaagde] in principe de tegenvorderingen had moeten instellen tegen de maatschap of beide maten, hetgeen hij niet heeft gedaan. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] (ook) stelt dat hij mag verrekenen omdat de vorderingen verband houden met elkaar en in zoverre een beroep doet op artikel 6:127 BW Pro in combinatie met artikel 6:145 BW Pro en artikel 6:130 BW Pro.
4.30.
Artikel 6:145 BW Pro bepaalt dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. Op grond van dat artikel kan een schuldenaar alle verweermiddelen die hij tegen de cedent had ook tegen de cessionaris inroepen. Artikel 6:127 lid 2 BW Pro bepaalt voorts dat een schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. In artikel 6:130 lid 1 BW Pro wordt een uitzondering gemaakt op de hiervoor genoemde neergelegde hoofdregel dat de schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening heeft wanneer hij (onder de nader in de wet vermelde voorwaarden) een prestatie heeft te vorderen van degene die op hem een vordering heeft. Deze uitzondering betreft het geval dat een vordering onder bijzondere titel is overgegaan op een derde.
4.31.
Verrekening is in dat geval mogelijk indien deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden.
4.32.
Voor een geslaagd beroep op verrekening is in dit geval op grond van artikel 6:130 BW Pro nodig dat de tegenvorderingen van [gedaagde] op de oorspronkelijke schuldeiser (de maatschap) voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding als de gecedeerde vorderingen tot betaling aan [eiser] . De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aan het beroep ten grondslag liggen rust op [gedaagde] , de partij die zich op verrekening beroept.
4.33.
Of sprake is van ‘dezelfde rechtsverhouding' moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en in beginsel op het moment dat mededeling van de cessie wordt gedaan aan de schuldenaar. De tegenvorderingen moeten voldoende nauw samenhangen met de gecedeerde vorderingen om doorbreking van de in artikel 6:127 lid 2 neergelegde Pro hoofdregel (van identiteit van partijen) te rechtvaardigen (HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4438).
4.34.
Ten aanzien van de tegenvorderingen in verband met 1. ‘Huisje Weltevree’ en 2. het geld dat [A] heeft teruggestort aan de maatschap in verband met achterstallige betalingen, heeft [gedaagde] niets aangevoerd over de samenhang met de gecedeerde vorderingen, terwijl op hem de stelplicht en de bewijslast rust. Daarmee heeft [gedaagde] , in het licht van de gemotiveerde betwisting, onvoldoende onderbouwd dat de tegenvorderingen, die [gedaagde] wil verrekenen, en die gericht zijn tegen de maatschap voldoende nauw samenhangen met de gecedeerde vorderingen aan [eiser] . Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe die tegenvorderingen zich verhouden tot de gecedeerde vorderingen. Daarnaast is ook onduidelijk gebleven wat de grondslag is van die tegenvorderingen. De overgelegde berekeningen op dat punt zijn (ook) niet te volgen. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om een en ander duidelijk te onderbouwen en inzichtelijk te maken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Daarbij komt dat [eiser] die tegenvorderingen ook inhoudelijk gemotiveerd heeft betwist, waarop [gedaagde] onvoldoende heeft gereageerd.
4.35.
Ten aanzien van de tegenvorderingen in verband met de te veel betaalde voorschotten in de periode medio december 2022 - november 2023, heeft [gedaagde] aangevoerd dat het gaat om spiegelbeeldige vorderingen; en dat het debat zowel in conventie als reconventie gaat over de kosten conform bijlage B. Ook deze toelichting is weinig concreet. Daarbij komt dat desgevraagd op zitting ook niet aangegeven kon worden wat dan de precieze grondslag was van die tegenvorderingen. [gedaagde] heeft daarbij verwezen naar randnr. 8 van zijn akte, en artikel 9 en Pro 13 van de maatschapsovereenkomst. Artikel 9 gaat Pro over de verdeling van winst en verlies. Artikel 13 gaat Pro over de uittreding van een maat. In randnr. 8 van zijn akte stelt [gedaagde] dat hij op grond van de maatschapsovereenkomst aanspraak maakt op zijn deel van die kapitaalrekening. Zijn aandeel staat voor [gedaagde] ten onrechte op negatief.
4.36.
Gelet op de uitgebreide toelichting die [eiser] heeft gegeven in zowel zijn stukken als op zitting over de systematiek van de jaarrekening (zie ook hiervoor onder r.o. 4.20), had het op de weg gelegen van [gedaagde] om hierover duidelijke standpunten in te nemen, evenals (wederom) duidelijke navolgbare berekeningen over te leggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Daarbij komt dat ook op inhoudelijke gronden het beroep op verrekening in verband met te veel betaalde voorschotbedragen niet slaagt (zie hierna onder r.o. 4.53).
4.37.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de tegenvorderingen voorvloeien uit dezelfde rechtsverhouding als de gecedeerde vorderingen, als gevolg waarvan deze tegenvorderingen niet voor verrekening in aanmerking kunnen komen.
Kosten bijlage A en B verschuldigd
4.38.
Zoals eerder genoemd, betwist [gedaagde] in conventie dat hij de gecedeerde vorderingen volledig moet betalen omdat hij alleen de kosten van bijlage B verschuldigd is op grond van de maatschapsovereenkomst.
4.39.
Volgens [eiser] is afgesproken dat [gedaagde] vanaf medio december 2022 gelijkelijk zou meedelen in de kosten. In december 2022 heeft [gedaagde] zijn kantoorpand in [plaats] verkocht. Vanaf dat moment zou [gedaagde] ook gaan bijdragen aan de kosten van bijlage A van de maatschapsovereenkomst. Het was namelijk altijd al de bedoeling geweest dat [gedaagde] na verkoop van zijn kantoorpand zou gaan bijdragen aan alle kosten. Hij zou zich op dat moment ook meer gaan richten op de markt in [plaats] . Zolang dat kantoorpand nog niet was verkocht, werd hij met dubbele lasten geconfronteerd, hetgeen destijds de reden was dat de andere maten instemden met een tijdelijke verlaging van de maatschapsbijdrage, tot aan de verkoop van zijn pand. Dat zou in eerste instantie tot 1 juli 2022 zijn, maar werd medio december 2022. Tijdens een maatschapsvergadering in december 2022, waarin ook de begroting van 2023 is besproken, is voornoemde aan de orde gesteld en zo afgesproken.
4.40.
[C] bracht vanaf dat moment dezelfde voorschotten bij [gedaagde] in rekening als bij de andere maten. Het ging om een voorschotfactuur ter hoogte van € 3.250 excl. BTW per maand vanaf januari 2023. In maart 2023 hebben partijen tijdens een vergadering besloten de voorschotten te verhogen naar een bedrag van € 4.000, omdat de oorspronkelijke voorschotten onvoldoende waren. Deze verhoogde voorschotten heeft [gedaagde] ook (zonder voorbehoud) betaald tot november 2023. Hij heeft er nooit tegen geprotesteerd dat hij vanaf medio december 2022 werd belast voor zijn volle aandeel in de kosten van de maatschap. Hij heeft zich niet éénmaal op het standpunt gesteld dat hij slechts de kosten volgens bijlage B verschuldigd zou zijn. Hij heeft enkel (in eerste instantie) geklaagd over de hoogte van de voorschotten.
4.41.
[gedaagde] heeft het voorgaande betwist. Het klopt dat hij zijn kantoorpand in december 2022 heeft verkocht, maar hij heeft daarna zijn praktijk in [plaats] elders voortgezet, namelijk in de [naam] in [plaats] . Het was nooit de bedoeling dat hij die praktijk in [plaats] zou stoppen. Hij zou zijn status aparte ontlenen aan het feit dat zijn echtgenote arbeidsongeschikt is en hij in belangrijke mate mantelzorger is voor haar, waardoor hij minder risico wilde lopen en zijn praktijk in [plaats] niet kwijt wilde.
Hij erkent weliswaar dat er een maatschapsvergadering is geweest in december 2022, maar toen is niet afgesproken dat hij ook zou bijdragen aan de kosten in bijlage A. Hij betwist dat de begroting uit 2023 toen besproken en afgestemd is met hem.
4.42.
De maatschapsovereenkomst is ook nooit gewijzigd op het punt van de bijlagen en schriftelijke besluiten zijn er verder niet hierover. In september 2022 is juist gehandhaafd dat hij alleen zou bijdragen aan de kosten van bijlage B. [gedaagde] heeft meermaals (mondeling) geklaagd over de hoogte van de voorschotten toen hij meer moest gaan betalen. Hij heeft ook meermaals gevraagd waar de voorschotfacturen op zagen.
4.43.
Vast staat dat uit de maatschapsovereenkomst niet volgt dat [gedaagde] de kosten van zowel bijlage A als B moet betalen. [eiser] doet echter een beroep op de (aanvullende) mondelinge afspraak dat na verkoop van zijn pand in [plaats] [gedaagde] zou bijdragen in de volledige kosten van de maatschap. [eiser] draagt de stelplicht en de bewijslast van die gestelde afspraak. Om te beoordelen of partijen die afspraak zijn overeengekomen, moet de Haviltex-maatstaf worden toegepast. Daarbij komt het aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en op hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
4.44.
Niet in geschil is dat [gedaagde] eind 2022 zijn kantoorpand in [plaats] heeft verkocht. [eiser] heeft er onweersproken op gewezen dat de bedoeling was dat vanaf dat moment [gedaagde] meer in [plaats] werkzaam zou zijn. Ook staat vast dat na verkoop van zijn pand medio december 2022 zijn voorschotfacturen (substantieel) omhoog zijn gegaan. Dat is aangevoerd door [eiser] en niet weersproken door [gedaagde] . Zonder verdere toelichting van [gedaagde] , die ontbreekt, is het niet logisch dat na verkoop van zijn pand, zijn voorschotten omhoog zijn gegaan zonder dat daar een afspraak aan ten grondslag ligt. Ook niet in geschil is dat er in december 2022 een maatschapsvergadering geweest is; en dat besluiten mondeling werden genomen. Dat is erkend door [gedaagde] op zitting. Schriftelijke besluiten zijn er dus niet. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij overal buiten werd gehouden en stukken niet kreeg, maar anderzijds heeft hij niet betwist dat er regelmatig overlegd werd aan de lunchtafel. Daarbij heeft [eiser] ter illustratie verwezen naar een mail van [C] van 26 september 2023 aan alle drie de maten over een bespreking van de resultaten van de maatschap in augustus 2023 (productie 25 bij antwoord in reconventie). Bovendien heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat [gedaagde] inzage had in of toegang had tot de stukken van de maatschap en had [gedaagde] ook een eigen verantwoordelijkheid als maat van de maatschap om de gang van zaken binnen de maatschap te volgen (zie hiervoor onder r.o. 4.20).
4.45.
Volgens [gedaagde] zou hij na verkoop van zijn kantoorpand op een gegeven moment weer elders zijn gaan huren, namelijk in de [naam] in [plaats] . Dat is ook beaamd door [eiser] , die er op heeft gewezen dat, nadat [gedaagde] op gelijke voet was gaan meebetalen, hij hem en [B] opnieuw heeft verzocht om zijn bijdrage te verlagen. Hij was erachter gekomen dat zijn meeste klanten in [plaats] zaten en wilde zijn praktijk daar toch niet verliezen. Zij zijn daar niet mee akkoord gegaan en hebben hem op zijn lopende verplichtingen gewezen, waaronder de betaling van de voorschotfacturen. Die voorschotfacturen heeft hij vervolgens ook tot november 2023 zonder voorbehoud betaald, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft het voorgaande onvoldoende weersproken.
4.46.
[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij heeft geklaagd over de hoogte van de voorschotten, maar anders dan hiervoor genoemd onder r.o. 4.42, is niet gebleken dat hij (mondeling) heeft geklaagd. Bovendien is gesteld noch gebleken dat hij heeft geklaagd over dat hij alleen de kosten van bijlage B verschuldigd zou zijn of niet gelijkelijk zou meedelen in de kosten. Het drietal informatieverzoeken waarnaar [gedaagde] verwijst in zijn conclusie van antwoord (productie 6 bij conclusie van antwoord) zien op het opvragen van de begroting over 2023 door zijn vader, althans zijn boekhouder, d.d. 30 januari 2023, een vraag van zijn vrouw d.d. 14 juni 2023 over hoe het nieuwe voorschotbedrag ad € 4.000 is opgebouwd, en een verzoek van hemzelf d.d. 21 juni 2023 om inzicht te krijgen in alle kosten en baten van de maatschap. Geen enkele keer wordt in die verzoeken genoemd dat hij het niet eens is met de hoogte van het bedrag van de voorschotfacturen omdat niet afgesproken is dat hij gelijkelijk zou meedelen in alle kosten. [gedaagde] heeft ook niet concreet aangegeven wanneer hij dat wel aan de orde zou hebben gesteld, terwijl uit de begroting van 2023 (productie 6 bij conclusie van antwoord) duidelijk blijkt dat gerekend is met een gelijke bijdrage van de drie maten. Die begroting heeft hij (in elk geval) op 30 januari 2023 ontvangen. Daar komt bij dat vast staat dat hij de facturen zonder enig voorbehoud heeft betaald. Op zitting heeft [gedaagde] daarover aangegeven dat ze initiatieven zouden gaan ondernemen, hij er zin in had, en er niet te lang bij stil heeft gestaan.
4.47.
Gelet op het voorgaande, mocht [eiser] erop vertrouwen dat [gedaagde] instemde met de mondelinge afspraak. Dat betekent dat voldoende vast is komen te staan dat partijen afgesproken hebben dat na verkoop van zijn kantoorpand in Mierlo [gedaagde] gelijkelijk zou meedelen in de kosten van de maatschap. Het verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.
Subsidiair: Het beroep van [gedaagde] op dwaling slaagt niet
4.48.
Subsidiair vordert [gedaagde] in reconventie betaling van € 38.882,97, dan wel de helft daarvan zijnde € 19.441,49. Met verrekening van hetgeen in conventie, voor zover aan de orde. Ook vordert hij
subsidiair, zo begrijpt de rechtbank want zo staat het niet in het petitum, vernietiging van de maatschapsovereenkomst per 15 november 2023. Aan deze vorderingen legt hij dwaling ten grondslag.
4.49.
Hij stelt hiertoe allereerst dat hij onvoldoende inzicht heeft gekregen in de financiën. De andere maten hadden hem moeten uitleggen hoe bepaalde begrippen in bijvoorbeeld de jaarrekening moesten worden begrepen. [gedaagde] had dan ook geen inzicht in de liquiditeitspositie van de maatschap. Daarnaast is hij niet betrokken bij het besluit om een secretaresse van de maatschap, mevrouw [D] (hierna: [D] ) in dienst te nemen, terwijl op grond van de maatschapsovereenkomst hiervoor toestemming van hem nodig was. Tot slot stelt hij dat [eiser] en [B] een samenwerkingsovereenkomst met Cortex hebben gesloten buiten zijn medeweten om die botst met de maatschapsovereenkomst, waarin staat dat de maatschap alleen onder de naam [naam maatschap] naar buiten mag treden. Hij vindt dat de maten hem over voornoemde situaties hadden moeten informeren en dat hebben ze niet gedaan. Als hij op de hoogte van die situaties zou zijn geweest, had hij de (tweede) maatschapsovereenkomst niet gesloten.
4.50.
[eiser] betwist dat sprake is van dwaling. Hij heeft allereerst aangevoerd dat deze tegenvorderingen ook tegen de maatschap hadden moeten worden ingesteld. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de manier van werken in de maatschap heel gebruikelijk was. Zij hebben bijvoorbeeld aan de begrippen ‘voorschot’ of ‘kosten’ geen afwijkende betekenis toegekend. Van een ervaren advocaat die toetreedt tot een advocatenpraktijk mag worden verwacht dat hij dergelijke begrippen kan plaatsen en dat hij een redelijk niveau van inzicht in dergelijke elementaire boekhoudkundige grootheden heeft. [gedaagde] heeft ook nooit eerder vragen gesteld over de boekhouding of laten blijken dat hij de boekhoudkundige termen niet begreep. Hij heeft nooit vragen gesteld aan [C] die altijd bereid was die te beantwoorden. In dat verband heeft hij nog op zitting opgemerkt dat [gedaagde] zich liet bijstaan door zijn partner die fiscalist is en door zijn schoonvader die zijn boekhouding voor hem deed.
4.51.
Ten aanzien van het punt van [D] stelt [eiser] het volgende. Naar zijn zeggen is dit onderwerp in de eerste helft van 2022 tijdens meerdere maatschapsvergaderingen besproken met alle maten. De secretaresse was voorheen in dienst bij [B] BV en had langere tijd ziekteverlof gehad. Hoewel zij hersteld was, wilde [gedaagde] haar namens de maatschap geen arbeidsovereenkomst aanbieden. Hij vreesde namelijk dat zij opnieuw ziek zou worden en wilde zo financiële risico’s vermijden. Daarom gaf hij er de voorkeur aan dat zij weer bij [B] BV in dienst zou treden. In maart 2022 bood het UWV haar echter een no-riskpolis aan, waardoor zij bij eventuele nieuwe ziekte tijdens een dienstverband bij een andere werkgever recht zou hebben op een Ziektewetuitkering (zie productie 23 van het antwoord in reconventie). Dit stelde [gedaagde] gerust en toen ging hij er mee akkoord.
4.52.
Tot slot klopt het dat er in 2022 gesproken is over een samenwerkingsverband met Cortex. De advocaten Orde had hier ook al zijn fiat aan gegeven. Dat voorstel is onderling besproken en [eiser] en [B] zijn daarop ingegaan.
4.53.
Eerst zal worden ingegaan op het verweer van [eiser] dat de vorderingen tegen de maatschap hadden moeten worden ingesteld. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierover heeft overwogen onder r.o. 4.29. Dat betekent dat de vorderingen in principe ingesteld hadden moeten worden tegen de maatschap of beide maten.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] ook een beroep doet op verrekening van de vorderingen in conventie met deze tegenvorderingen. Voor zover [gedaagde] in dat verband een beroep doet op artikel 6:127 BW Pro in combinatie met artikel 6:145 BW Pro en artikel 6:130 BW Pro, geldt dat hij dat beroep ook ten aanzien van deze tegenvorderingen niet concreet heeft onderbouwd. Volstrekt onduidelijk is gebleven wat de samenhang is tussen de gecedeerde vorderingen en deze tegenvorderingen die gestoeld zijn op dwaling. Daarbij komt dat hij ook het beroep op dwaling niet concreet heeft onderbouwd aan de hand van de vereisten van artikel 6:228 BW Pro, laat staan dat hij duidelijk heeft gemaakt op welke grondslag hij recht heeft op schadevergoeding. Een geslaagd beroep op dwaling, leidt tot vernietiging van de overeenkomst (alsof deze niet meer heeft bestaan), maar biedt geen grondslag voor schadevergoeding. Tot slot heeft [eiser] de tegenvorderingen ook inhoudelijk gemotiveerd betwist, waarop [gedaagde] onvoldoende heeft gereageerd.
4.54.
Het voorgaande betekent dat ook de subsidiaire tegenvorderingen niet voor verrekening in aanmerking komen en worden afgewezen.
Overige vorderingen in conventie
4.55.
[eiser] heeft in conventie ook een kwart verlies gevorderd per 31 december 2022 ad € 1.411,00 en een derde deel verlies per 31 december 2023 ad € 425,03.
4.56.
[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij deze niet hoeft te betalen omdat onduidelijk is op grond van de jaarrekeningen waarom hij deze moet betalen. Dat verweer slaagt niet. Zoals hierboven beschreven, heeft [eiser] toegelicht dat als de voorschotten aan het einde van het boekjaar niet dekkend waren geweest er ‘verlies’ werd geleden door de maatschap. Dat verlies moest ook worden gedeeld tussen de maten, en volgt uit de jaarrekeningen. Uit de jaarrekeningen van 2023 en 2024 volgt dat er eind 2022 en 2023 een verlies was van respectievelijk € 5.644,00 en € 1.275,09. Vast staat dat [gedaagde] tot 15 mei 2024 maat was. Dat betekent dat hij ook zijn deel moet dragen van deze kosten. [gedaagde] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waarom hij die bedragen niet zou hoeven te betalen. Deze vorderingen worden daarom toegewezen.
4.57.
[eiser] heeft ook de factuur van [C] gevorderd. Deze ziet op de kosten die [C] heeft moeten maken om een groot aantal documenten toe te sturen aan [gedaagde] , die hij ook zelf had kunnen achterhalen, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft betwist dat hij deze kosten schuldig is. Onduidelijk is wat de grondslag is van deze vordering. Gesteld noch gebleken is dat partijen hierover een afspraak hebben gemaakt. Deze vordering slaagt daarom niet en wordt afgewezen.
Conclusie
4.58.
Gelet op het voorgaande moet [gedaagde] de vorderingen in conventie betalen, behalve de factuur van [C] . Het gaat om de voorschotfacturen ter hoogte van € 30.520,39, samen met de gevorderde verliezen over 2022 en 2023 ter hoogte van (€ 5.644,00 / 4) € 1.411,00 en (€ 1.275,09 / 3) € 425,03, tezamen € 1.836,03.
4.59.
Het beroep op verrekening met de tegenvorderingen van [gedaagde] slaagt niet en (ook) de tegenvorderingen in reconventie worden (dus) afgewezen.
De wettelijke handelsrente
4.60.
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over de voorschotfacturen. Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd hiertegen, zal deze als niet weersproken worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.61.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.104,73. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: “het Besluit”). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom worden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen.
De proceskosten in conventie
4.62.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
2.090,00
(2,5 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.776,16
De proceskosten in reconventie
4.63.
[eiser] heeft in reconventie geen veroordeling in de proceskosten gevorderd.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 33.511,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.776,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.6.
wijst het door [gedaagde] gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.