ECLI:NL:RBOBR:2026:5062

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/01/427087 / JE RK 26-841
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling wegens risico voortzetting schadelijk gedrag vader

De rechtbank Oost-Brabant behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De ouders zijn gescheiden en delen het ouderlijk gezag, waarbij de minderjarige bij de moeder woont. Eerder was vastgesteld dat de moeder slachtoffer was van structureel lichamelijk en psychisch geweld door de vader.

De Raad bracht zorgen naar voren over intieme terreur door de vader, waaronder dwang, controle, stalking en schadelijk gedrag richting de moeder. Ondanks deze ernstige zorgen oordeelde de kinderrechter dat een ondertoezichtstelling niet het juiste middel is, omdat dit de vader een nieuw instrument zou bieden om zijn schadelijke gedragingen voort te zetten, wat de onveiligheid voor de minderjarige zou vergroten.

De kinderrechter besloot daarom het verzoek af te wijzen, met het oog op het belang van de minderjarige. De beschikking werd op 17 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen omdat dit de schadelijke gedragingen van de vader kan voortzetten en het belang van het kind schaadt.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/427087 / JE RK 26-841
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits,
en
[vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.J.A. van den Hoogen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, locatie ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 30 juni 2026;
  • een brief van de advocaat van vader van 30 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam] namens de raad;
  • [naam] namens de GI.
1.3.
De vader en zijn advocaat hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld en zijn dan ook niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in [datum] geëindigd. De ouders hebben niet met elkaar samengewoond.
2.2.
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 28 augustus 2025 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat [minderjarige] iedere woensdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede in de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur, waarbij op de woensdagen een persoon uit het netwerk van de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en daar weer zal ophalen en de overdracht op de zondagen zal plaatsvinden bij de voormalige buren van de vader. De beslissing voor het overige is aangehouden in afwachting van het onderzoek door de raad over het ouderlijk gezag over [minderjarige] en de zorgregeling. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer [zaaknummer] .

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De moeder voert verweer tegen het verzoek. De moeder concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair verzoekt zij de kinderrechter het verzoek van de raad aan te houden tot de zitting in de zaak [zaaknummer] . Meer subsidiair verzoekt zij de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur tot aan de zitting in de zaak [zaaknummer] .

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter moet beoordelen of is voldaan aan de vereisten van de wet om [minderjarige] onder toezicht te stellen (artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt hierover als volgt.
4.2.
De kinderrechter vindt dat [minderjarige] ernstig in haar sociaalemotionele ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] groeit op in een risicovolle leefsituatie, met name vanwege de ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders en de onveilige overdrachten van [minderjarige] tussen de vader en oma (moederszijde). De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde beschikking van 28 augustus 2025 geconcludeerd dat de moeder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich tijdens en na de relatie met de vader in een ernstig onveilige situatie bevond, waarbij zij slachtoffer was van structureel lichamelijk en psychisch geweld door de vader, alsmede van dwingende controle. De raad heeft hiernaar op verzoek van de rechtbank nader onderzoek gedaan en benoemt in het raadsrapport zorgen te hebben over kenmerken van intieme terreur van de vader richting de moeder. De raad ziet een vorm van dwang, controle, belaging en stalking vanuit de vader richting de moeder die tijdens de relatie van de ouders voorkwam en nu nog steeds voortduurt. Het gaat daarbij om allerlei schadelijke gedragingen van de vader, zoals vaak bellen, appen en mailen, het in een kwaad daglicht plaatsen van de moeder en haar uitschelden en kleineren en het vertonen van dwingend gedrag.
4.3.
Anders dan de raad, vindt de kinderrechter een ondertoezichtstelling echter niet de geëigende weg om de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter deelt de zorg van de moeder dat een ondertoezichtstelling een nieuw instrument voor de vader zal zijn om zijn schadelijke gedragingen richting de moeder (en daarmee ook richting [minderjarige] ) voort te zetten. Dat zou de onveiligheid voor [minderjarige] en de zorgen over haar ontwikkeling alleen maar vergroten en dat is niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom het verzoek afwijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in aanwezigheid van de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.