ECLI:NL:RBOBR:2026:5001

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
25/2673
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvoldoende motivering urenbeperking WIA-uitkering

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd na hersenletsel door een aanrijding in 2014. Het UWV wees de aanvraag af met een urenbeperking van zes uur per dag. Eiser betwist deze beperking en wijst op deskundigenrapporten die een beperking van vier uur per dag aangeven.

De rechtbank constateert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het uitgaat van zes uur per dag, terwijl meerdere verzekeringsartsen een beperking van vier uur per dag onderbouwen. De motivering van het UWV is onvoldoende omdat zij zich niet voldoende heeft gebaseerd op de beperkingen, maar vooral op de diagnose en eerdere beoordelingen.

De rechtbank wijst ook de bezwaren van eiser tegen de geschiktheid van bepaalde functies af, omdat deze functies geen kenmerkende belasting hebben die de beperkingen van eiser overschrijden.

Gezien het motiveringsgebrek stelt de rechtbank het UWV in de gelegenheid het besluit te herstellen binnen acht weken. De procedure wordt aangehouden tot een einduitspraak. De rechtbank neemt geen beslissing over proceskosten en griffierecht in deze tussenuitspraak.

Uitkomst: Het UWV krijgt de gelegenheid het motiveringsgebrek in de urenbeperking te herstellen binnen acht weken; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2673 TUSSENUITSPRAAK

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E.A.M. Vervoort).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak en stelt het UWV in de gelegenheid om dat gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering per 6 december 2021. Het UWV heeft de aanvraag met het besluit van 4 januari 2023 afgewezen. Met het besluit van 19 september 2023 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 19 juni 2025 [1] het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 19 september 2023 vernietigd en het UWV opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.2.
Het UWV heeft met het besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser is in 2014 aangereden door een auto. Hierdoor heeft hij niet-aangeboren
hersenletsel opgelopen. Eiser was werkzaam op basis van een zogenaamde no-riskpolis toen
hij zich op 9 december 2021 ziek meldde voor zijn werk als verpakkingsoperator voor
39 uur per week. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft hij een aanvraag ingediend voor een Wet WIA-uitkering met ingang van 6 december 2021.
3.1.
In haar uitspraak van 19 juni 2025 (genoemd onder 2.1.) heeft de rechtbank geoordeeld dat het UWV de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft het UWV onvoldoende gemotiveerd waarom geen beperking was opgenomen voor werken zonder verhoogd persoonlijk risico en miste een deugdelijke motivering van de vastgestelde urenbeperking van zes uur per dag. De rechtbank heeft het UWV opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.2.
De standpunten van partijen
4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) heeft een aanvullende rapportage opgesteld op 4 juli 2025. Daarin staat dat gezien de pathologie en de ernst van de beperkingen van eiser hij wel beperkt is voor het werken met gevaarzetting voor zover het gaat om zaken waarbij een plots risico optreedt die een zeer snelle reactie vraagt om het gevaar te ontlopen. De verzekeringsarts B&B neemt daarom een beperking op voor het werken zonder verhoogd persoonlijk risico. Wat betreft de urenbeperking blijft de verzekeringsarts B&B bij het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een verdergaande urenbeperking dan zes uur per dag.
5. Eiser kan zich vinden in de beperking voor het werken zonder verhoogd persoonlijk risico. Eiser kan zich echter niet vinden in de motivering van de verzekeringsarts voor de urenbeperking van zes uur per dag. Eiser wijst op de rapporten van door hem ingeschakelde deskundigen. Op 6 oktober 2021 heeft eiser een neuropsychologisch onderzoek (NPO) uit laten voeren. Op 10 maart 2020 heeft verzekeringsarts Schuckman van [naam] een rapport uitgebracht over de belastbaarheid van eiser. Op 10 oktober 2023 heeft verzekeringsarts [naam] op verzoek van eiser een medisch advies uitgebracht. Verzekeringsarts/bedrijfsarts [naam] heeft op 8 mei 2025 (eveneens op verzoek van eiser) een verzekeringsgeneeskundig rapport opgesteld. Volgens eiser blijkt uit deze rapporten dat een urenbeperking van vier uur per dag aangewezen is en houdt het UWV ten onrechte vast aan een urenbeperking van zes uur per dag. Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Verder voert eiser aan dat de geduide functies niet geschikt zijn.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De medisch inhoudelijke beoordeling
6. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser beperkt is voor het werken met een verhoogd persoonlijk risico. Enkel staat nog ter discussie of het UWV uit mag gaan van een urenbeperking van zes uur per dag.
6.1.
In de uitspraak van de rechtbank zoals genoemd onder rechtsoverweging 2.2. heeft de rechtbank overwogen dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat een urenbeperking van zes uur aangewezen is. Daartoe overwoog de rechtbank dat de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts [naam] een urenbeperking van vier uur per dag heeft opgenomen. Deze verzekeringsarts heeft in overweging genomen dat eiser bij het afnemen van het NPO een verminderde cognitieve duurbelasting toonde. Ook verwijst verzekeringsarts [naam] naar het functioneren van eiser. Verzekeringsarts [naam] heeft eveneens geoordeeld dat een urenbeperking van vier uur per dag past bij de belastbaarheid van eiser. Verder wijst de rechtbank erop dat de verzekeringsarts bij de Eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWB) van eiser ook tot een duurbelastbaarheid van vier uur per dag kwam. In dit licht bezien oordeelde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom tot een urenbeperking van zes uur werd gekomen.
6.2.
De verzekeringsarts B&B heeft in het aanvullende rapport van 4 juli 2025 toegelicht waarom geen aanleiding bestaat af te wijken van het standpunt dat een urenbeperking van zes uur per dag voldoende is. De verzekeringsarts B&B geeft aan dat de EZWB-beoordeling niet in geding is. Het gaat om de WIA-aanvraag van een jaar later. De verzekeringsarts B&B licht toe dat bij de EZWB bovendien een conclusie over de duurbelastbaarheid is getrokken vanuit de diverse banen die eiser niet heeft volgehouden. Als met de beperkingen van eiser rekening wordt gehouden, valt een forse beperking in de duurbelasting niet te verwachten. De verzekeringsarts B&B merkt daarover nog op dat voor de maatgevende arbeid juist is vastgesteld dat deze te zwaar was.
Verder wijst de verzekeringsarts B&B erop dat in het rapport van het NPO staat dat sprake is van een (licht) verminderde cognitieve belastbaarheid. Die diagnose leidt volgens de verzekeringsarts B&B niet tot een urenbeperking van meer dan zes uur. Bovendien wijst de verzekeringsarts B&B erop dat een NPO niet bedoeld is om de duurbelastbaarheid vast te stellen en een overbelasting bij een NPO juist in de rede ligt. De taken in het onderzoek worden namelijk in een steeds hogere graad van moeilijkheid aangeboden tot eiser niet meer in staat is om ze uit te voeren. Volgens de verzekeringsarts geeft het NPO dus ook geen aanleiding voor een urenbeperking groter dan zes uur per dag.
6.3.
De rechtbank oordeelt dat de motivering van de verzekeringsarts B&B niet overtuigt en licht dat als volgt toe.
6.4.
De motivering van het UWV dat uit het NPO volgt dat sprake is van een (licht) verminderde cognitieve belastbaarheid en daar dus geen grotere urenbeperking bij hoort dan zes uur per dag is onvoldoende. Zoals de gemachtigde van eiser op de zitting terecht heeft aangevoerd, is niet de diagnose leidend, maar de daaruit voortvloeiende beperkingen. Die beperkingen zijn beschreven door verzekeringsarts [naam]. Hij heeft uit het rapport van [naam] afgeleid dat een urenbeperking van vier uur per dag aangewezen is. [naam] sluit zich daar vervolgens bij aan en overweegt dat objectieve oorzaken zoals niet aangeboren hersenletsel en forse slaapproblemen leiden tot zodanige energetische tekorten dat eiser niet meer dan vier uur per dag belastbaar is. Ook verzekeringsarts [naam] beschrijft in zijn rapport dat eiser slechts vier uur per dag kan werken. Daarbij neemt hij in aanmerking dat sprake is van verminderde cognitieve duurbelasting en afname van energie en belastbaarheid. Dit volgt volgens hem uit het NPO en uit het functioneren van eiser. Uit deze toelichting blijkt dat de verzekeringsartsen [naam] en [naam] zich niet enkel hebben laten leiden door de uitkomsten van het NPO, maar ook in breder perspectief de klachten en beperkingen van eiser hebben beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat deze bredere beoordeling van de duurbelastbaarheid in de motivering van het UWV ontbreekt.
6.5.
Bovendien is de motivering van het UWV over de EZWB ontoereikend. Daarin staat namelijk dat een urenbeperking van vier uur aangewezen is onafhankelijk van de aard van het werk en passend bij de spelende problematiek. Dus zelfs in de situatie dat eiser passend werk heeft, is een urenbeperking van vier uur per dag aangewezen, aldus de verzekeringsarts bij de EZWB. In dat licht bezien is de motivering van het UWV dat bij passend werk geen aanleiding is voor een urenbeperking van vier uur per dag onvoldoende.
6.6.
Gezien het feit dat zowel de verzekeringsarts bij de EZWB en verzekeringsartsen [naam] en [naam] een urenbeperking van vier uur per dag aangewezen vinden had het op de weg van het UWV gelegen om specifiek aan te geven waarom de beperkingen van eiser aanleiding geven voor een urenbeperking van zes uur per dag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV dat onvoldoende gedaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en kan dus niet in stand blijven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.
De arbeidsdeskundige beoordeling
7. Eiser stelt dat de functie assemblagemedewerker (SBC-code 271130) niet geschikt voor hem is vanwege het te hoge handelingstempo. Weliswaar erkent eiser dat voor deze functie geen kenmerkende belasting bestaat op handelingstempo, maar volgens eiser volgt uit het samenstel van klachten en beperkingen van eiser wel dat hij deze functie niet kan uitoefenen.
7.1.
De rechtbank volgt eiser daarin niet. Eiser is aangewezen op arbeid waarbij geen hoog handelingstempo is vereist. Daarbij is betrokken dat eiser ook een lichte vertraging in het denken heeft en het fysieke handelen niet erg hoog is. Uit het resultaat functiebeoordeling volgt dat deze functie geen kenmerkende belasting heeft wat betreft handelingstempo. Uit wat eiser heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de arbeidsdeskundige de beperkingen van eiser ruimer had moeten opvatten en ook buiten de signaleringen verdergaand rekening had moeten houden met het handelingstempo van eiser.
8. Volgens eiser is de functie van input diensten (SBC-code 315140) niet geschikt. Voor deze functie is het noodzakelijk dat een medewerker het protocol met betrekking tot ‘poeder- en bombrieven’ kent. Eiser stelt dat hij niet in staat is om snel te handelen bij een dergelijke situatie. Eiser beschikt niet over de alertheid voor het herkennen van een poeder- of bombrief en bovendien is sprake van beperkingen in het herinneren en functioneren in het dagelijks leven, aldus eiser.
8.1.
Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat voor deze functie geen knelpunt bestaat. Voorafgaand aan de start van het werk weet de medewerker welke actie hij moet ondernemen. Die bestaat er in de praktijk uit dat hij een melding maakt bij de vooraf aangewezen persoon. Daarmee heeft het UWV de geduide functie naar het oordeel van de rechtbank van een voldoende toelichting voorzien.

Conclusie en gevolgen

9. Uit wat de rechtbank in overwegingen 6.3. tot en met 6.6. heeft overwogen, volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank merkt op dat deze procedure al lang loopt en de datum in geding gelegen is op 4,5 jaar geleden. Gelet op deze lange duur van de procedure had de rechtbank graag zelf in de zaak voorzien. Omdat het UWV opnieuw (arbeidsdeskundig) onderzoek moet uitvoeren en de rechtbank dat onderzoek niet kan uitvoeren, ziet de rechtbank geen mogelijkheid voor finale geschilbeslechting. Volgens artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
9.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een nader onderzoek door de verzekeringsarts B&B en/of een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. Als het UWV daarbij tot de conclusie komt dat de FML moet worden aangepast, zal hij ook moeten nagaan of de nu geselecteerde voorbeeldfuncties dan nog passend zijn. Indien daar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80% uit voortvloeit, verzoekt de rechtbank het UWV ook de duurzaamheid van de beperkingen bij de beoordeling te betrekken.
9.2.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van de tussenuitspraak.
9.3.
Mocht het UWV niet in staat zijn om binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik te maken van de hiervoor genoemde herstelmogelijkheid, dan zal het UWV binnen de gestelde termijn een concreet en gemotiveerd verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen bij de rechtbank.
9.4.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de verzending van deze tussenuitspraak, mededelen aan de rechtbank of hij gebruikmaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen acht weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.5.
Mocht eiseres niet in staat zijn om binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik te maken van de hiervoor gestelde gelegenheid om te reageren, dan zal eiseres binnen de gestelde termijn een concreet en gemotiveerd verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen bij de rechtbank.
9.6.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
9.7.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.