ECLI:NL:RBOBR:2026:4871

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
11820202 \ CV EXPL 25-5572
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 lid 1 BWArt. 3:44 lid 2 BWArt. 3:44 lid 4 BWArt. 3:37 lid 5 BWArt. 3:52 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nietigverklaring ontslag wegens bedreiging en misbruik omstandigheden

Eiseres trad in 2019 in dienst bij gedaagde en werkte als invalkracht met een nul-urencontract, later voor onbepaalde tijd verlengd. Na een gesprek over vermeende onregelmatigheden in haar urenregistratie nam zij op 22 maart 2025 ontslag, wat zij later introk wegens dwang en bedreiging.

Zij vorderde een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is wegens bedreiging en/of misbruik van omstandigheden, en betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging. Tijdens de mondelinge behandeling vroeg zij om eiswijziging tot vernietiging van het ontslag, maar dit werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.

De kantonrechter oordeelde dat nietigheid niet van toepassing is op ontslag wegens bedreiging of misbruik van omstandigheden, maar dat dit vernietigbaar is. Eiseres slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren dat zij onder bedreiging of misbruik van omstandigheden haar ontslag had genomen. De verklaringen van eiseres en haar vriend waren onvoldoende om het ultimatum van gedaagde vast te stellen.

De vorderingen werden daarom afgewezen. Ook de vordering tot loonbetaling kon niet worden toegewezen omdat het ontslag niet werd vernietigd. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd gewezen door mr. J. Iding op 9 juli 2026.

Uitkomst: De vorderingen tot nietigverklaring van het ontslag en betaling van loon worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bedreiging of misbruik van omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11820202 \ CV EXPL 25-5572
Vonnis van 9 juli 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.G.H. Terhorst,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.A.J. van Riel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025 met zes producties
- de conclusie van antwoord met vijf producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte van [eiseres] met aanvullende producties 7 tot en met 12
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de gemachtigde van [eiseres]
- de pleitnota van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is op 1 november 2019 in dienst getreden bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst als invalkracht in de bediening.
2.2.
Op 17 juli 2020 heeft [eiseres] een nieuwe arbeidsovereenkomst gekregen als invalkracht met een nul-urencontract, welke arbeidsovereenkomst per 17 juli 2023 is verlengd voor onbepaalde tijd.
2.3.
[eiseres] hield zich onder meer bezig met taken op het gebied van HR, waaronder de urenverwerking en andere ondersteunende HR-administratieve zaken.
2.4.
Op 21 maart 2025 hebben [eiseres] en [gedaagde] een gesprek gevoerd naar aanleiding van volgens [gedaagde] door haar geconstateerde onregelmatigheden in de door [eiseres] geschreven en uitbetaalde uren.
2.5.
Op 21 maart 2025 om 13:50 uur stuurt [eiseres] het volgende app-bericht in de WhatsApp-groep met collega’s:

Hallo lieve collega’s,
Na 10 jaar met heel veel plezier voor [A] te hebben gewerkt heb ik zojuist ontslag genomen. Ik wil jullie graag bedanken voor de fijne samenwerking en wens jullie nog heel veel succes en een fijne tijd bij [gedaagde] . Wellicht dat we elkaar nog in de toekomst zien. Voor alle administratieve zaken kunnen jullie nu contact opnemen met [A] .”
2.6.
Op 22 maart 2025 om 08:16 uur stuurt [eiseres] de volgende e-mail aan [gedaagde] :

Hoi [A] ,
Naar aanleiding van het gesprek gisteren dien ik bij deze schriftelijk mijn ontslag in.
Met vriendelijke groet,
[eiseres]
2.7.
Op 2 april 2025 om 15:30 uur stuurt [eiseres] de volgende e-mail aan [gedaagde] :

Geachte [A] ,
Op 22-03-2025 heb ik in een emotionele en stressvolle situatie ontslag genomen. Deze beslissing heb ik onder grote druk genomen, nadat mij werd medegedeeld dat ik de keuze had tussen ontslagname of ontslag op staande voet vanwege een beschuldiging van fraude.
Na overleg en bezinning wil ik u laten weten dat ik mijn ontslagname hierbij intrek. Mijn beslissing was niet weloverwogen en kwam tot stand onder dwang. Onder deze omstandigheden is van een vrijwillige beëindiging van mijn arbeidsovereenkomst geen sprake. Ik wens mijn werkzaamheden dan ook te hervatten en verzoek u vriendelijk doch dringend om bevestiging dat ik mijn werk weer kan oppakken.
Voor alle duidelijkheid: ik ben het niet eens met de beschuldiging die aan mij is geuit en ik verzoek u dan ook eventuele gronden of verwijten nader te onderbouwen. Mocht u desondanks vasthouden aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan zal ik mij beraden op juridische stappen.
Ik maak daarbij uitdrukkelijk aanspraak op mijn loon vanaf de datum van ontslagname, gebaseerd op het gemiddelde aantal uren dat ik de afgelopen maanden heb gewerkt.
Ik hoor graag binnen enkele dagen van u.
Met vriendelijke groet,
[eiseres]

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat de ontslagname van [eiseres] van 22 maart 2025 nietig is wegens wilsgebreken;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 6.019,03 bruto aan achterstallig loon over de periode van 22 maart 2025 tot en met 30 juni 2025;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van
€ 3.009,52 bruto aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro.
Daarnaast vordert [eiseres] een bedrag van € 675,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente over het achterstallige loon en een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] in de tweede termijn gevraagd om een eiswijziging. Zij vraagt om - in plaats van de in de dagvaarding gevraagde verklaring voor recht - het ontslag te vernietiging grond van een wilsgebrek. Op grond van artikel 2.26 van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton moet een eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling op schrift zijn gesteld en ingediend worden. Daar is niet aan voldaan. [eiseres] heeft de eiswijziging namelijk mondeling gedaan en niet op schrift gesteld. De kantonrechter wijst deze eiswijziging daarom af wegens strijd met de goede procesorde.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af. Hieronder wordt nader toegelicht waarom.
4.2.
Volgens [eiseres] is haar ontslagname nietig op grond van artikel 3:44 lid 1 BW Pro aangezien het ontslag tot stand is gekomen door bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. Primair is volgens [eiseres] sprake van bedreiging. Zij stelt daartoe dat zij op 21 maart 2025 zonder vooraankondiging werd ontboden op de werkplek en werd beschuldigd van urenfraude. [A] , de eigenaresse van [gedaagde] , stelde haar voor een ultimatum. [eiseres] moest ontslag nemen, anders moest zij op staande voet worden ontslagen met een negatieve aantekening op haar cv. Onder de directe druk van dit ultimatum, in een toestand van shock en paniek, nam [eiseres] aan het einde van het gesprek de beslissing om te vertrekken. Het Whatsapp-bericht van [eiseres] aan haar collega’s (zie randnummer 2.5) is het directe bewijs van deze onder druk genomen beslissing. De e-mail van 22 maart (zie randnummer 2.6) is niet een autonome, weloverwogen keuze van de dag daarna, maar een formalisering van de op 21 maart genomen beslissing.
4.3.
Subsidiair is volgens [eiseres] sprake van misbruik van omstandigheden. [eiseres] verkeerde volgens haar op 21 maart 2025 in een toestand van abnormale geestestoestand en afhankelijkheid. [A] wist hiervan. Zij was jarenlang op de hoogte van de gezondheidsklachten van [eiseres] . Zij wist dat [eiseres] net was verhuisd en financieel afhankelijk was van haar arbeidsinkomen. [A] had moeten begrijpen dat [eiseres] door deze bijzondere omstandigheden tot de ontslagbeslissing werd bewogen en had haar hiervan moeten weerhouden of haar in ieder geval moeten wijzen op de gevolgen. Zij deed het tegendeel; ze stelde [eiseres] een ultimatum en gaf geen uitleg over de financiële gevolgen van een vrijwillige ontslagname.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling voert [eiseres] nog aan dat zij de ontslagverklaring met haar e-mail van 2 april 2025 (zie randnummer 2.7) buitengerechtelijk heeft vernietigd. Voor zover de kantonrechter de eerdere verklaring niet als een vernietiging interpreteert, vernietigt [eiseres] de ontslagverklaring alsnog ter zitting wegens bedreiging, althans misbruik van omstandigheden.
4.5.
Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] op 22 maart 2025 expliciet per e-mail verklaard dat zij ontslag neemt. Die verklaring is duidelijk en ondubbelzinnig. Het betreft een eenzijdige rechtshandeling die [gedaagde] heeft bereikt voordat [eiseres] daarop terug wilde komen, zodat intrekking niet meer mogelijk was (artikel 3:37 lid 5 BW Pro). Daarmee staat het ontslag in beginsel vast, aldus [gedaagde] . Ook als twijfel zou bestaan over de innerlijke wil van [eiseres] , mocht [gedaagde] op de verklaring vertrouwen. Dit volgt volgens [gedaagde] uit de omstandigheden van het geval, in het bijzonder:
  • op 21 maart 2025 heeft [gedaagde] in het gesprek zelf aangegeven ontslag te willen nemen, haar is slechts medegedeeld dat zij dat dan schriftelijk moest doen;
  • zij heeft vervolgens uit eigen beweging in de WhatsApp-groep haar vertrek aangekondigd;
  • zij heeft dezelfde dag de groepsapp verlaten;
  • een dag later heeft zij de ontslagname schriftelijk bevestigd; en
  • pas op 2 april 2025 heeft zij geprobeerd om daarop terug te komen.
4.6.
Er is geen sprake van bedreiging. [eiseres] is niet tot ontslag bewogen; zij heeft dat volgens [gedaagde] zelf voorgesteld, nadat zij was geconfronteerd met onregelmatigheden in haar urenregistratie. Dat haar door [A] is meegedeeld dat een schriftelijke bevestiging nodig was, maakt dat niet anders.
4.7.
Volgens [gedaagde] is er ook geen sprake van misbruik van omstandigheden. De ontslagname volgde niet in een onmiddellijke opwelling, maar werd een dag later schriftelijk bevestigd en eerder al via WhatsApp aangekondigd. Daarnaast heeft [gedaagde] , [eiseres] niet tot ontslag bewogen en mocht [gedaagde] ervan uitgaan dat [eiseres] , gelet op haar HR-werkzaamheden, de betekenis van een ontslagname kende. Emotie achteraf, niet-kenbare medische klachten of spanning na het gesprek zijn onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling. De overgelegde verklaringen tonen dus geen misbruik van omstandigheden aan, aldus [gedaagde] . Daarbij komt ook nog betekenis toe aan het feit dat een ontslagname niet vreemd was nadat [eiseres] geconfronteerd werd met de onregelmatigheden in de urenregistratie, nu zij ‘de eer aan zichzelf zou kunnen houden’ en op die wijze (mogelijke) disciplinaire maatregelen voorkwam (waarbij een onmiddellijke opzegging wegens een dringende reden niet viel uit te sluiten). Los hiervan, was het ook niet vreemd, omdat [eiseres] eerder had aangegeven elders te willen gaan werken in verband met haar studie en een vaste aanstelling meermaals had geweigerd. [gedaagde] hoefde daarom niet te begrijpen dat de ontslagname plaatsvond in bijzondere omstandigheden. Ook hoefde [gedaagde] [eiseres] niet te weerhouden van haar eigen ontslagname.
4.8.
De kantonrechter gaat niet in op hetgeen [gedaagde] aanvoert inzake de intrekking van het ontslag. Door [eiseres] wordt immers niet gesteld dat zij haar verklaring inzake het ontslag heeft ingetrokken. De primaire vordering van [eiseres] waarbij zij een verklaring voor recht vordert dat het ontslag nietig is op grond van een wilsgebrek wijst de kantonrechter af. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW Pro is een rechtshandeling op grond van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden namelijk niet nietig, maar vernietigbaar.
4.9.
Voor zover [eiseres] wel vernietiging had gevorderd in haar dagvaarding ofwel in een verklaring voor recht (omdat de vernietiging buitengerechtelijk heeft plaatsgevonden tijdens de mondelinge behandeling), heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter geen kans van slagen. Er is sprake van bedreiging, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed (artikel 3:44 lid 2 BW Pro).
4.10.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW Pro).
4.11.
Op grond van artikel 150 Rv Pro draagt [eiseres] de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het wilsgebrek en het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en dat wilsgebrek. [eiseres] stelt dat [gedaagde] haar voor de keuze heeft gesteld om ofwel zelf ontslag te nemen ofwel op staande voet ontslagen te worden met een negatieve aantekening op haar cv. Hiermee heeft [gedaagde] ongeoorloofde druk op [eiseres] uitgeoefend. Onder deze druk heeft [eiseres] vervolgens haar ontslag op 22 maart 2025 per e-mail ingediend. Het voorgaande wordt door [gedaagde] betwist. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] zelf in het gesprek voorgesteld om ontslag te nemen, nadat zij door [gedaagde] was geconfronteerd met onregelmatigheden in haar urenregistratie. Het bespreken van de uren van [eiseres] en het aankondigen van mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties vallen volgens [gedaagde] binnen het instructierecht van de werkgever en leveren geen onrechtmatige bedreiging op.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] niet of in ieder geval niet voldoende onderbouwd dat er in dit geval sprake was van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. Om bedreiging en/of misbruik van omstandigheden aan te kunnen nemen, moet eerst worden vastgesteld dat [A] [eiseres] inderdaad een ultimatum heeft gesteld. [eiseres] heeft – ter onderbouwing – een aantal verklaringen overgelegd, namelijk een verklaring van haarzelf, van haar moeder, haar vriend [B] en van [C] . [C] was op 21 maart 2025 samen met [B] aan het werken aan de overkapping in de tuin van [eiseres] . De verklaring van de moeder van [eiseres] en van [B] zien voornamelijk op de gemoedstoestand van [eiseres] vlak na het gesprek. Uit deze verklaringen blijkt echter niet wat [A] tegen [eiseres] heeft gezegd tijdens het gesprek, waardoor sprake zou (kunnen) zijn van misbruik van omstandigheden en/of bedreiging. In de verklaringen van [eiseres] zelf en van haar vriend wordt daarover het volgende gezegd:
Verklaring [eiseres] :

Vervolgens zei ze dat zij mij niet vertrouwt, dat ik met mijn uren aan het sjoemelen was, te hebberig was geworden en dat ze mij niet meer wil zien. Door deze uitspraken ben ik geschokt en ik voelde mij in een hoek geduwd en ik wist niet meer wat ik moest doen en blokkeerde volledig. Na een lange stilte vermeld [A] dat zij mij niet meer in het bedrijf wil hebben en dat ik ontslag moet nemen of dat ik ontslagen word met een aantekening op mijn CV. Hierdoor was ik nog meer gechoqueerd en viel weer stil. [A] heeft naast mij gezeten en mij aangekeken. Uiteindelijk gaf ik aan dat ik dus geen andere optie heb. Vervolgens vermelde [A] dat ik mijn ontslag zwart op wit moest indienen (…)
Verklaring [B] :

Eenmaal thuis aangekomen breekt [eiseres] direct weer in tranen uit. Overdonderd en vol onbegrip over wat er zojuist gebeurd is. Ze was overduidelijk compleet van streek en wist de situatie niet te verwoorden. Ze voelde zich verraden, gekleineerd, tenietgegaan. Wat haar enorm dwars zat is dat haar integriteit en toewijding in twijfel getrokken wordt waar ze altijd alles heeft gegeven. Ze wist niet hoe ze moest handelen of reageren in deze situatie en dit vooral door de dwang waaronder ze geforceerd is om ontslag te nemen. Uitspraken zoals “jij bent hebbering geworden”, “ik wil jou hier niet meer hebben” en hierbij komend de dreiging om met een advocaat te komen en negatieve aantekeningen als zij geen ontslag zou nemen. Dit was namelijk wat [A] letterlijk tegen [eiseres] had gezegd. Deze enorme tijdsdruk gecombineerd met de mentale druk van de situatie maakte dat [eiseres] hoog in de emoties bleef. Ze was voortdurend in twijfel en onzekerheid. Toen ik zei dat we echt met een advocaat moesten praten zei [eiseres] dat dit waarschijnlijk toch geen zin zou hebben. Uit angst voor de dreigementen van [A].”
4.13.
De verklaringen van [eiseres] en haar vriend zijn tegenstrijdig met hetgeen [gedaagde] heeft verklaard. [gedaagde] geeft immers aan dat [A] haar niet voor een dergelijk ultimatum heeft gesteld; het ontslag was volgens [gedaagde] een eigen voorstel van [eiseres] . Naast [eiseres] en [A] waren er geen andere mensen aanwezig bij het gesprek. De verklaring van de vriend van [eiseres] is gebaseerd op hetgeen [eiseres] tegen hem heeft gezegd. De kantonrechter vindt deze twee verklaringen van [eiseres] - gelet op de betwisting van [gedaagde] - daarom onvoldoende om haar stellingen te onderbouwen over de uitspraken van [A] tijdens het gesprek. Dit is derhalve niet komen vast te staan. De kantonrechter komt daarmee niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling of sprake is van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden (en een eventuele vernietiging van het ontslag als gevolg). [eiseres] wordt niet in de gelegenheid gesteld om nader getuigenbewijs te leveren. De kantonrechter wijst alle vorderingen van [eiseres] af. De vordering van [eiseres] tot doorbetaling van het salaris en de wettelijke verhoging konden alleen worden toegewezen, nadat is geoordeeld dat het ontslag wordt vernietigd en daarmee de arbeidsovereenkomst nog in stand is gebleven.
4.14.
Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat hij geen uitspraak doet over de eventuele juistheid of onjuistheid van de door [eiseres] gedane urenregistratie.
4.15.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de vordering van [eiseres] te laat is ingediend, omdat een vordering tot vernietiging van het ontslag volgens haar op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (in dit geval 22 maart 2025) ingediend had moeten worden. De dagvaarding dateert van 15 juli 2025 en toen was de vervaltermijn volgens [gedaagde] reeds verstreken. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, omdat - overeenkomstig [eiseres] ook aangeeft - deze vervaltermijn niet van toepassing is bij een vernietiging van de arbeidsovereenkomst op grond van bedreiging of misbruik van omstandigheden. De verjaringstermijn bedraagt in dat geval op grond van artikel 3:52 lid 1 sub b BW Pro drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
4.16.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Iding en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.