ECLI:NL:RBOBR:2026:4851

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/1181
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 2:1 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen WOZ-beschikking niet-ontvankelijk wegens ontbreken toereikende machtiging

Eiseres maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking van de gemeente 's-Hertogenbosch, ingediend door haar gemachtigde Bartels. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een toereikende machtiging. Bartels overlegde weliswaar een volmacht en een Frans KvK-uittreksel, maar deze waren onvoldoende om de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat de machtiging niet tijdig en niet toereikend was overgelegd. De stukken boden onvoldoende duidelijkheid over de bevoegdheid van de ondertekenaar van de volmacht en de relatie met eiseres. Ook was er geen verband tussen de overgelegde documenten en het ondernemingsverband.

Verder stelde de gemachtigde dat ten onrechte geen hoorzitting had plaatsgevonden, maar de rechtbank wees dit af omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de WOZ-beschikking is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging, waardoor het beroep ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1181

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de heffingsambtenaar van 2 mei 2025.
1.1.
Mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) heeft op 19 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking van 25 februari 2025 met aanslagnummer 24214554. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen (toereikende) machtiging is overgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen via een telefonische MS-Teams verbinding. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft zich voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen toereikende machtiging is overgelegd.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat Bartels niet tijdig een toereikende machtiging heeft overgelegd. Daarom is het beroep ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het bezwaar niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo’n vereiste is volgens artikel 2:1 van Pro de Awb het overleggen van een machtiging als de heffingsambtenaar daarom heeft verzocht. Voordat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de indiener van het bezwaar wel in de gelegenheid zijn gesteld het verzuim te herstellen.
5. De rechtbank stelt vast dat Bartels op 19 maart 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag met nummer [nummer]. De heffingsambtenaar heeft met de brieven van 26 maart 2025 en 10 april 2025 Bartels verzocht om een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat hij als gemachtigde namens eiseres optreedt. Daarnaast wordt verzocht om stukken toe te sturen waaruit blijkt dat degene die de machtiging heeft afgegeven daartoe binnen het ondernemingsverband bevoegd is. Daarbij heeft de heffingsambtenaar vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet binnen de gestelde termijn een machtiging wordt ontvangen. Gemachtigde heeft op 7 april 2025 en 17 april 2025 een e-mail overgelegd met als bijlage een volmacht die op 31 maart 2025 is ondertekend door [naam]. Ook heeft Bartels een Frans uittreksel van de KvK overgelegd.
6. De rechtbank stelt voorop dat het overleggen van een machtiging in de bezwaarfase, als daartoe is verzocht door het bestuursorgaan, een op zichzelf staande, uit artikel 2:1 van Pro de Awb volgende verplichting is. Het staat de heffingsambtenaar vrij een eigen afweging te maken wanneer hij om een dergelijke machtiging verzoekt en hij heeft beslissingsruimte om te oordelen of de gestelde gemachtigde op grond van de overgelegde machtiging de vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft aangetoond.
7. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar op meerdere aspecten met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid aanleiding heeft gezien om de machtiging ontoereikend te achten en het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk te verklaren. Die conclusie kan de rechtbank volgen. Uit de door gemachtigde overgelegde volmacht, die door [naam] is ondertekend, kan de heffingsambtenaar niet afleiden of deze op een gemeentelijke aanslag op naam van [eiseres] of op bezwaren tegen WOZ-beschikkingen die zijn gelegen in de gemeente ’s-Hertogenbosch ziet dan wel dat deze is ondertekend namens [eiseres]. Verder ontbreekt een link tussen de in het door gemachtigde overgelegde document ‘
DELEGATION DE POUVOIRS ET DE SIGNATURE’ genoemde personen en het uittreksel van de KvK. In het (ongedateerde) document ‘
DELEGATION DE POUVOIRS ET DE SIGNATURE’ staan de namen van de personen [naam], [naam] en [naam]. De machtiging is weliswaar door [naam] ondertekend, maar zoals hiervoor is overwogen kan de heffingsambtenaar op basis van de stukken niet vaststellen of deze persoon bevoegd is om namens [eiseres] te ondertekenen. Door gemachtigde is niet toegelicht in welke zin dit document ‘
DELEGATION DE POUVOIRS ET DE SIGNATURE’verband houdt met de machtiging of het uittreksel (“
EXTRAIT D'IMMATRICULATION PRINCIPALE AU REGISTRE DU COMMERCE ET DES SOCIETES”) dat door hem is overgelegd. Ook correspondeert het bedrijfsnummer op het uittreksel van de KvK niet met het nummer op het document ‘
DELEGATION DE POUVOIRS ET DE SIGNATURE’. Tot slot is door Bartels e-mailcorrespondentie met [naam] overgelegd. Daaruit blijkt de opdrachtbevestiging voor het bezwaar, maar ook hieruit blijkt op geen enkele manier de vertegenwoordigingsbevoegd daartoe.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bartels heeft niet binnen de gestelde termijn een toereikende machtiging overgelegd namens eiseres ([eiseres]). Ook zijn geen toereikende stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat degene die de wel overgelegde machtiging ([naam]) heeft ondertekend bevoegd is om dat namens eiseres te doen.
9. Bartels heeft tijdens de zitting gesteld dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake omdat Bartels geen toereikende machtiging heeft overgelegd.

Conclusie en gevolgen

10. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. De rechtbank heeft ook geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is namelijk op 19 maart 2025 ontvangen. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Dat betekent dat er nog geen twee jaren zijn verstreken sinds de indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn is dus niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.