ECLI:NL:RBOBR:2026:4753

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
01.054680.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 9a SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen oplichting en opzetheling, schuldheling bewezen zonder strafoplegging

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van oplichting, diefstal en opzetheling van 12 pallets met sneakers ter waarde van circa 200.000 euro. De tenlastelegging betrof het op frauduleuze wijze verkrijgen van de goederen bij een bedrijf in Veldhoven.

De officier van justitie stelde dat verdachte bewust en nauw samenwerkte met een medeverdachte bij het regelen van het transport en het laden van de goederen. Verdachte verklaarde echter dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen en pas later vermoedde dat er iets niet klopte. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte opzettelijk had meegewerkt aan oplichting of diefstal.

Wel werd vastgesteld dat verdachte schuldheling pleegde door de goederen voorhanden te hebben terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. Gezien zijn persoonlijke omstandigheden, het ontbreken van eerdere veroordelingen en een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar, legde de rechtbank geen straf op maar sprak verdachte schuldig zonder strafoplegging.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen oplichting en opzetheling, schuldig aan schuldheling zonder strafoplegging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.054680.22
Datum uitspraak: 06 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/ofdoor listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels[bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro)door:- (onder valse voorwendselen) een vrachtwagen/trekker met oplegger te regelen en/of- (met) die vrachtwagen/trekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en/of contact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en/of deze vrachtwagen/trekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en/of- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en/of- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en/of- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en/of Engelen en/of ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederenwist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van een lading sneakers.
[medeverdachte] heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. [medeverdachte] heeft het adres in Veldhoven doorgegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij heeft verdachte de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven, wist in welk dock ze moesten zijn en is aldaar zelf bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten. [medeverdachte] wist goed waar hij mee bezig was.
Verdachte heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden echter al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, [medeverdachte] en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin, uit het zicht, in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet verdachte hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop hij deed of hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.
Dit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte is gevraagd iemand te verhuizen die in nood was. Hij was dan ook in de veronderstelling dat hij de spullen van iemand ging verhuizen. Verdachte heeft na het inladen vluchtig in de vrachtwagen gekeken en een lading met dozen gezien. Dit was voor hem aanleiding om vragen te stellen aan de mannen in de cabine. Het antwoord van de mannen was voldoende plausibel voor hem. De gebeurtenissen daarna wekten argwaan bij hem. Dat was voor hem aanleiding contact op te nemen met [betrokkene 2] en met zijn broer.
Verdachte kan niet worden gezien als pleger van de oplichting of de diefstal. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan eveneens niet worden bewezen.
Ten aanzien van de heling had verdachte bij de verkrijging van de goederen de wetenschap of het vermoeden moeten hebben dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Dat kan niet worden bewezen. Dat hij het vermoeden had dat het foute boel was, is op een later moment geweest, maar niet op het moment dat de goederen verkregen zijn. De verkrijging van de goederen was toen al voltooid.
Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan zou dit hooguit een schuldheling kunnen opleveren.
Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.

Bewijsoverweging.

De verklaring van verdachte.

Verdachte heeft bij de politie en/of ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 oktober 2021 in opdracht van [betrokkene 2] van het transportbedrijf [bedrijf 3] , een vrachtwagen heeft bestuurd, met de bedoeling om een vrouw uit Berlicum te verhuizen. Twee voor hem onbekende mannen zijn die dag naar het transportbedrijf gekomen met een blauwe Volkswagen Caddy. Eén van de mannen is bij hem in de vrachtwagen gestapt. Hij moest van deze man richting Eindhoven rijden. De andere man is hem voor gereden in de Caddy. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest verdachte stoppen van de man in zijn cabine. De Caddy is daar ook gestopt. De man van de Caddy is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.
Tijdens de rit kreeg verdachte van deze twee personen in de cabine het adres in Veldhoven. Verdachte is met deze twee personen naar dat adres in Veldhoven gereden. Ter plaatse heeft hij de vrachtwagen op hun aanwijzen in een dock van een bedrijf gereden. Verdachte heeft de achterklep van de vrachtwagen geopend, zodat er een en ander kon worden ingeladen. Tijdens het inladen zijn de in zijn cabine aanwezige twee personen niet buiten de cabine geweest. Nadat medewerkers van het bedrijf een aantal pallets hadden ingeladen, heeft verdachte de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. Daarbij zag hij in het laaddeel van de vrachtwagen geen verhuisdozen of huisraad, maar op de pallets kleine, ingepakte doosjes. De pallets waren geseald. Verdachte vond dit op dat moment vreemd. Verdachte heeft voor ontvangst een vrachtbrief getekend, waarop als geadresseerde stond vermeld: [bedrijf 2] .
De rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing ging en dat hij niet wist dat de rit met de vrachtwagen was bedoeld om een lading sneakers bij een bedrijf in Veldhoven op te halen. De rechtbank vindt daarvoor bevestiging in de verklaring van [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat de vrachtwagen door [medeverdachte] is geregeld om, zoals deze heeft verklaard, een vrouw te verhuizen, alsmede de WhatsApp-berichten die verdachte korte tijd na het ophalen van de lading aan [betrokkene 2] en aan de broer van verdachte heeft gestuurd, waarin verdachte (onder meer) -zakelijk weergegeven- aangeeft dat het helemaal geen verhuizing is, dat het pallets met dozen zijn en dat hij bang is gestolen spullen te hebben vervoerd.
Het is vervolgens de vraag of verdachte zich desondanks door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan oplichting, diefstal of opzet- of schuldheling, al dan niet met een of meer anderen.

Vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte] , op wiens verzoek verdachte naar het adres in Veldhoven is gereden, zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde oplichting. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] en/of een of meer anderen, en op 1 oktober 2021 het opzet heeft gehad [bedrijf 1] op te lichten, dan wel zich de 12 pallets met dozen met sneakers wederrechtelijk toe te eigenen. Ook voor voorwaardelijk opzet acht de rechtbank geen bewijs aanwezig.
De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Opzetheling.
De rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het overdragen en/of voorhanden krijgen van de goederen wist, ook niet in voorwaardelijke zin, dat deze goederen door misdrijf verkregen waren.

Schuldheling.

Voor een veroordeling ter zake van schuldheling is ingevolge artikel 417bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht vereist dat ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van het bewuste goed sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de woorden “redelijkerwijs moeten vermoeden” komt de schuld tot uitdrukking. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid” en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen/van misdrijf afkomstig was en derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Van belang in dit verband is de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de sneakers voorhanden heeft gekregen.
Uit de verklaring van verdachte en de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat het niet gebruikelijk was dat er mensen meegingen met een transport. Verdachte had een raar gevoel bij de hele situatie vanaf het moment dat hij zag dat de Caddy van de tweede man werd achtergelaten op het tankstation.
Op het moment dat verdachte de parkeerplaats bij het tankstation afreed, heeft hij van de twee mannen gehoord dat hij naar Veldhoven moest rijden. Dit was anders dan de eerdere informatie die hij zegt van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Op het industrieterrein in Veldhoven heeft hij zijn vrachtwagen op aanwijzen van de in zijn cabine aanwezige personen in een laaddock van een bedrijf gereden. Medewerkers van het bedrijf hebben ingesealde pallets met sneakers in de vrachtwagen geladen. Verdachte heeft een vrachtbrief getekend, met daarop vermeld als expediteur/afzender [bedrijf 1] , en als ontvanger [bedrijf 2] . Bij het sluiten van de achterdeur van de vrachtwagen zag verdachte geen verhuisdozen of huisraad, maar kleine, ingepakte doosjes. Verdachte vond dit op dat moment vreemd, maar is toch met de twee mannen naar ’s-Hertogenbosch gereden, waarna de doosjes in een andere auto zijn geladen.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van de lading, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er iets niet in de haak was met de lading en had hij zich ervan moeten distantiëren en/of de politie op enig moment moeten inschakelen. Verdachte heeft dit echter niet gedaan, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was, maar is met de lading weg- en doorgereden. De rechtbank begrijpt dat de hele situatie intimiderend voor verdachte moet zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat hij zich had moeten realiseren dat het niet om een verhuizing van iemand ging en zich had kunnen distantiëren.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus met de voor schuldheling vereiste schuld, in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, heeft gehandeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
meer subsidiair:
op 1 oktober 2021 in Nederland,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verkrijgen en het voorhanden krijgen van die goederen, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er misbruik van verdachte is gemaakt door hem als chauffeur in te schakelen. Verdachte is niet beter geworden van dit feit, alleen maar slechter. Hij heeft jarenlang stress door deze zaak en is bang voor represailles.
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Het is heel zwaar geweest voor verdachte, dat de afdoening van de zaak zo lang op zich heeft laten wachten.
De raadsvrouw heeft, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, verzocht bij een bewezenverklaring verdachte op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een schuldheling, waarbij hij een hoeveelheid sneakers voorhanden heeft gehad, die een aanzienlijke materiële waarde hadden.
De rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing van een persoon in nood ging en later pas door had dat er iets niet in de haak was. Dat neemt niet weg dat verdachte zich door anderen heeft laten gebruiken voor hun criminele activiteiten.
Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage aan deze criminele activiteiten geleverd, waardoor [bedrijf 1] aanzienlijke financiële schade heeft geleden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank houdt daarmee in het voordeel van verdachte rekening bij de afdoening van de zaak.
De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte vanaf het begin, zonder enig voorbehoud, heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven.
Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zo blijkt uit het rapport van de reclassering van 14 mei 2026 en uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting, zichtbaar heeft geleden onder de gevolgen van de zaak.
Tot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro (van twee jaar), in dit geval een overschrijding van twee jaar en twee maanden (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 4 april 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de onderhavige zaak niet van een dusdanig uitzonderlijke aard of complexiteit is dat daarmee de termijnoverschrijding zou kunnen worden gerechtvaardigd.
Gelet op de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan zoals hiervoor is vermeld en de overschrijding van de redelijke termijn vindt de rechtbank passend en geboden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen en te volstaan met een schuldigverklaring overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De vordering.
De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd,
te weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en
€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Ten aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair omdat de machtiging de rechtspersoon te vertegenwoordigen ontbreekt. Meer subsidiair omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert omdat de vordering, ook voor wat betreft de kosten van het onderzoeksbureau, onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
De rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 8] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.
Ook na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Kwalificatie en strafbaarheid
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
Ten aanzien van meer subsidiair:
Schuldheling
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging straf en/of maatregel (artikel 9a Wetboek van Strafrecht)
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 1]
Bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 6 juli 2026.