ECLI:NL:RBOBR:2026:4727

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/563
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 22.26 Omgevingsplan gemeente NuenenArt. 8.1.1 Omgevingsplan gemeente NuenenArt. 8.2.1 Omgevingsplan gemeente NuenenArt. 8.4.5 Omgevingsplan gemeente Nuenen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor verhogen entree loods

Eisers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten voor het verhogen van de entree van een loods. Zij vreesden dat het pand voor andere doeleinden dan toegestaan zou worden gebruikt, met name dat het niet voor bedrijfsmatige activiteiten zou dienen zoals het bestemmingsplan voorschrijft.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht heeft vastgesteld dat het voorgenomen gebruik van de loods bedrijfsmatig is, namelijk voor interieurbouw van campers en caravans, waarbij tijdelijke stalling plaatsvindt. Dit gebruik valt binnen de toegestane categorieën van het Omgevingsplan. Eisers konden onvoldoende aantonen dat het gebruik strijdig zou zijn met het bestemmingsplan of dat het voorbereidingsbesluit van toepassing was.

Ook het argument dat het Besluit aanwijzing autobranche van toepassing zou zijn, werd verworpen omdat dit geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader voor de omgevingsvergunning. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en de vergunning in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het verhogen van de entree van de loods wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/563 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eisers]

[eisers],
te [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. M. Peeters),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, het college,
(gemachtigde: mr. R.S. Klaver).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] , vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” voor het verhogen van de entree van een loods aan de [adres] in [woonplaats] , kadastraal bekend [woonplaats] , sectie [woonplaats] , nr. [nummer] . Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het verhogen van de entree van zijn loods. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 augustus 2024 op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet en artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Nuenen c.a. voor de activiteit “bouwen” verleend. Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Vergunninghouder heeft bij schrijven van 4 september 2025 een reactie op de stukken gegeven.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Bij brief van 23 december 2025 hebben eisers nadere stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers in persoon, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder en diens gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Op 21 februari 2022 heeft aanvrager bij het college een aanvraag ingediend om de bestaande werkplaats/ hobbyruimte met kantine uit te breiden met een opslag op het bestaande dak. De kantine wordt verplaatst.
- Bij besluit van 21 april 2022 heeft het college een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” verleend voor het uitbreiden van een werkplaats/ hobbyruimte op het perceel [adres] te [woonplaats] .
- Tegen dit besluit hebben eisers bij schrijven van 31 mei 2022 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit op bezwaar d.d. 2 juni 2022 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een werkplaats/ hobbyruimte alsnog geweigerd.
- Op 1 juli 2024 heeft [naam] bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsplanactiviteit voor het verhogen van de entree van een stalling van 2,80 m tot een hoogte van 3,20 m van een loods aan de [adres] in [woonplaats] .
- Bij schrijven van 4 juli 2024 heeft het college aan aanvrager verzocht om tekenwerk op schaal met plattegronden, aanzichten, gevels van bestaande en nieuwe situatie en gegevens voor welstand aan te leveren.
- Vergunninghouder heeft twee tekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie aangeleverd. In de bestaande situatie is sprake van vijf inpandige werkplaatsen en een kantine. In de nieuwe situatie is eveneens sprake van vijf werkplaatsen en een kantine. Gelet op de nieuwe situatie is sprake van een verhoogde ingang ter plaatse van de ingang van de stalling/ werkplaats.
- Op 13 augustus 2024 is de aanvraag aangevuld. Aangegeven is dat het bouwwerk momenteel wordt gebruikt voor stalling, dat het perceel niet ergens anders voor gebruikt gaat worden en dat de bruto inhoud van het bouwwerk na verbouwing wijzigt van 1.500 m3 naar 1.510 m3.
- Bij primair besluit van 27 augustus 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van de entree van de loods aan de [adres] in [woonplaats] . Op 28 januari 2025 is het bestreden besluit genomen.
Beoogd gebruik
4. Eisers vrezen dat met de omgevingsvergunning tevens wordt beoogd om het gebruik van het pand te wijzigen en dat het pand niet zal worden gebruikt ten behoeve van een bedrijf dat ter plaatse ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan.
Eisers stellen ter onderbouwing hiervan allereerst dat de aanvraag betrekking lijkt te hebben op een verhoging van de entree van de loods. Uit de aanvraag volgt dat de vergunning wordt gebruikt voor stalling. Een dergelijk gebruik is niet te rijmen met de inrichting van het pand waarin nog steeds is voorzien in vijf werkplaatsen. Met de stukken is op geen enkele wijze aangetoond of gebleken dat de voorgestelde werkzaamheden een bedrijfsmatig karakter zullen hebben. In de aanvraag is enkel aangegeven dat het bouwwerk momenteel wordt gebruikt voor stalling en ook dat het beoogd gebruik is gericht op stalling althans dat het gebouw niet anders zal worden gebruikt.
In bezwaar is door vergunninghouder echter aangegeven dat hij niet voornemens is om het als stalling te gebruiken. Dit betekent dat het gebruik in de aanvraag niet het beoogd gebruik is. Uit niets blijkt volgens eisers dat de voorgestelde werkzaamheden ter plaatse ook daadwerkelijk bedrijfsmatig zijn. Gelet op de in het verleden gedane aanvraag bestaat er ook reden om aan te nemen dat het gebruik niet bedrijfsmatig zal zijn. Zij verwijzen daarbij naar de eerdere beslissing op bezwaar tot weigering.
Ook het huidige gebruik is anders dan stalling. Het pand wordt feitelijk gebruikt voor een bijeenkomstfunctie (niet zijnde bedrijfsmatig). Er vinden nog steeds kampeerweekenden plaats met de gebruikelijke barbecues en kampvuren.
Voor zover een hobbyruimte of opslag of stalling wordt aangevraagd is dit naar de mening van eisers in strijd met het Omgevingsplan. Gelet op de bouwregels in artikel 8.2.1. van de planregels mag op de [adres] alleen worden gebouwd ten behoeve van bedrijven zoals opgenomen in artikel 8.1. Dit betekent dat enkel een bedrijfsgebouw gebouwd mag worden ten behoeve van een ter plaatse toegestaan bedrijf. Het college dient iedere aanvraag op dit aspect te beoordelen.
Daarnaast wijzen eisers erop dat, gelet op artikel 8.4.5 van de planregels, stalling slechts is toegestaan ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van gemengd
-caravanstalling”. Gelet op dit artikel is caravanstalling, indien dat is beoogd, strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Welk bedrijf op dit moment is ingeschreven op het perceel is bij eisers onbekend. Ook daarmee is het beoogd gebruik onduidelijk.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hetgeen is aangevraagd, te weten het verhogen van de entree van een loods, niet van dien aard is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In de aanvraag staat weliswaar dat het bouwwerk momenteel wordt gebruikt voor stalling, maar door vergunninghouder is tijdens de zitting van de bezwaarschriftencommissie toegelicht dat de loods wordt gebruikt ten behoeve van het verbouwen van het interieur van caravans en campers. De campers en caravans staan er tijdelijk terwijl daaraan werkzaamheden worden verricht. In voldoende mate is gebleken dat de loods wordt gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten. Niet in geschil is dat het verhogen van het bouwwerk planologisch is toegestaan. Er bestaat dan ook voor het college geen aanleiding om aan te nemen dat de gevraagde omgevingsvergunning in strijd met de regels van het Omgevingsplan zal worden gebruikt.
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat het feit dat vergunninghouder de loods aanvankelijk heeft gebruikt voor meer hobbymatige interieurbouwactiviteiten, en om die reden in 2022 is besloten een omgevingsvergunning aan hem te weigeren, niet betekent dat de huidige interieurbouwwerkzaamheden geen bedrijfsmatig karakter hebben. Verwezen wordt naar de schriftelijke reactie d.d. 4 september 2025 waarbij namens vergunninghouder een KvK-uittreksel en een overzicht aangifte omzetbelasting aan de rechtbank is overgelegd.
Ter zitting is door de gemachtigde van het college het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat het verhogen van de entree alleen ziet op een bouwactiviteit. De aanvraag ziet enkel op het verhogen van een entree en niet op strijdig gebruik. Alleen indien evident duidelijk hieruit blijkt dat sprake is van ander gebruik bestaat er aanleiding voor een onderzoeksplicht. Niet duidelijk is dat het verhogen leidt tot strijdig gebruik.
4.2.
Op het perceel is het Omgevingsplan gemeente Nuenen van toepassing. Het Omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waaronder het voorheen vastgestelde bestemmingsplan “ [naam] 2018”. Op het perceel rusten de bestemmingen “Gemengd”, “Verkeer” en “Waarde- Archeologie middelhoog” en onder meer de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”. De maximum bouwhoogte bedraagt -gelet op de verbeelding- 8 m. Niet in geschil is dat het bouwplan de ingevolge het bestemmingsplan toegelaten afmetingen niet overschrijdt. Tussen partijen is in geschil of de omgevingsvergunning vanwege strijdig gebruik met het gemeentelijk Omgevingsplan had moeten worden geweigerd.
4.3.
Bij toetsing van een bouwplan aan het Omgevingsplan moet niet alleen worden beoordeeld of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden, dan die waarin de bestemming voorziet. [1]
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de aanvraag alleen ziet op een bouwactiviteit, namelijk het verhogen van de entree, nog niet betekent dat daarmee niet (indirect) wordt beoogd om ander gebruik in het pand zelf mogelijk te maken. Een verhoging van de entree maakt de toegang van grotere objecten -en dus ander gebruik- in het pand mogelijk. In dit geval ziet de rechtbank aanwijzingen op grond waarvan het in de rede ligt om te onderzoeken of sprake zal zijn van gebruik voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Deze zijn gelegen in het feit dat uit een eerdere aanvraag met besluit van 2 juni 2022 valt af te leiden dat op dat moment sterke twijfel bestond of het beoogde aangevraagde hobbymatig gebruik en de uitbreiding van de werkplaats/ hobbyruimte daadwerkelijk zou plaatsvinden. Verder is een aanwijzing gelegen in eisers gemotiveerde betwisting dat het in de aanvraag gestelde gebruik plaatsvindt, waardoor twijfel kan bestaan of dat het gebruik is dat in de toekomst zal plaatsvinden.
Het college heeft onder deze omstandigheden dan ook van de aanvrager kunnen vragen dat die nadere informatie moet verstrekken over het beoogde gebruik van het pand, zodat het kan beoordelen of het pand zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet.
4.5.
Onder de functie-aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2” valt ingevolge Bijlage 1 bij de Bedrijvenlijst onder SBI-Code 6312 ook “Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)”. Dit betreft een bedrijfscategorie 2. In beginsel zou stalling als vorm van opslag ook hieronder kunnen vallen, echter uit het bepaalde in artikel 8.1.1 onder h van de planregels juncto artikel 8.4.5 van de planregels volgt dat caravanstalling uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van gemengd - caravanstalling”. Deze functieaanduiding ontbreekt op de verbeelding van het Omgevingsplan van perceel [adres] . Caravanstalling is derhalve niet toegestaan. Omdat de planregels voldoende helder zijn, is er geen aanleiding de Nota van Zienswijzen bij het bestemmingsplan te raadplegen voor uitleg over de planregels.
4.6.
In de aanvraag -bij de vraag waar het bouwwerk nu voor wordt gebruikt- is aangegeven dat sprake is van “stalling”. Tevens is aangegeven dat de loods nergens anders voor zal worden gebruikt. In de nadere toelichting op de aanvraag van 13 augustus 2024 is ook aangegeven dat sprake is van “stalling”. Niet wordt betwist dat in de loods (mede) sprake is van de stalling van campers en caravans. Nu caravanstalling niet is toegestaan heeft het college aan vergunninghouder kunnen verzoeken om nader te specificeren waaruit het voorgenomen gebruik bestaat. Bij schrijven van 29 november 2024 heeft vergunninghouder aangegeven dat hij interieurbouwer is voor campers en caravans. Daarom staan in de loods geregeld enkele caravans of campers, maar enkel tijdelijk en ten behoeve van de bouw van het interieur van de betreffende campers en caravans. In de loods staan ook diverse machines voor hout- en metaalbewerking die vergunninghouder voor die werkzaamheden gebruikt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is (nogmaals) aangegeven dat de loods wordt gebruikt ten behoeve van het verbouwen van het interieur van caravans en campers. De campers en caravans staan er tijdelijk terwijl daaraan werkzaamheden worden verricht. Verder heeft vergunninghouder in de bezwaarfase na de hoorzitting een ongedateerd “Memo bedrijfsactiviteiten [adres] , [woonplaats] ” overgelegd. Hierin is aangegeven dat is besloten de volgende activiteiten bedrijfsmatig te gaan voeren:
- camper/caravanstalling;
- werkplaats verhuur t.b.v. hout- en metaalverwerking (lassen, draaien, slijpen, frezen, zagen, schuren etc.).
Op 5 oktober 2023 heeft [naam] [adres] als eenmanszaak geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Aangegeven is dat de onderneming ziet op Dienstverlening voor vervoer over land (SBI 5221), Algemene metaalbewerking (SBI 2562), Zagen en schaven overige primaire houtbewerking (SBI 16101) en Reparatie en stoffering van meubels (SBI 9524).
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich met alle overgelegde informatie op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorgenomen gebruik van de loods -en de daarin aanwezige werkplaatsen- interieurbouw betreft voor campers en caravans en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van machines voor hout- en metaalbewerking en dat van stalling anders dan als bijkomende activiteit bij de interieurbouw niet is gebleken.
Deze bedrijfsmatige activiteiten vallen onder de ingevolge de planregels (artikel 8.1.1 lid a sub 1) toegestane categorie 3.2.
Het college heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden, dan die waarin de bestemming voorziet. De foto’s die eisers in beroep hebben overgelegd maken dat oordeel niet anders, omdat deze betrekking hebben op activiteiten uit het verleden waarbij niet redelijkerwijs aannemelijk is geworden dat de aangevraagde vergunning zal worden gebruikt voor activiteiten die strijdig zijn met het Omgevingsplan. Dat in de gegevens van de Kamer van Koophandel een (ander) privé-adres van aanvrager is vermeld dan [adres] maakt dit oordeel ook niet anders, omdat het -gelet op de benaming “ [adres] ”- aannemelijk is dat het gaat om activiteiten in de loods op het adres [adres] in [woonplaats] .
Deze grond slaagt niet.
Voorbereidingsbesluit
5. Eisers hebben tevens aangevoerd dat het college op 8 juli 2024 een voorbereidingsbesluit heeft genomen. De aanvraag is in strijd met dit voorbereidingsbesluit. Met het voorbereidingsbesluit is een verbod ingesteld op (1.) het gebruik van een gebouw of locatie voor opslag en (2.) het gebruik van een gebouw of locatie voor meer dan één afzonderlijk bedrijf. In artikel 1.3 en 1.4 zijn activiteiten aangewezen die verboden zijn te verrichten voor zover deze nog niet plaatsvinden vanaf het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit. Eisers zijn van mening dat, nu het voorbereidingsbesluit in werking is getreden voordat de omgevingsvergunning is verleend, de vergunningverlening in strijd is met het Omgevingsplan. Omdat het perceel mogelijk voor opslag zal worden gebruikt bestaat het risico dat het bouwwerk voor meer dan één afzonderlijk bedrijf zal worden gebruikt zodat de vergunning had moeten worden geweigerd.
Ter zitting is door eisers aangegeven dat geen sprake is van de toepasselijkheid van overgangsrecht van het op 18 juni 2024 in werking getreden voorbereidingsbesluit nu de vergunning van latere datum is. Het bedrijf is opgericht in 2023 maar er is geen aanwijzing dat het bedrijf er was gevestigd op 18 juni 2024.
5.1.
Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat op deze activiteit de voorbereidingsregels niet van toepassing zijn omdat de aanvraag alleen ziet op bouwen (een verhoging van de entree) en niet op gebruik. Uit de aanvraag blijkt voorts geen evidente strijd met de voorbereidingsregels. Daarnaast zijn de voorbereidingsregels niet van toepassing omdat de aanvraag is ingediend voordat de voorbereidingsregels in werking zijn getreden.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het voorbereidingsbesluit d.d. 8 juli 2024 ingevolge artikel 4.14 lid 2 Omgevingswet onderdeel is van het Omgevingsplan.
Dit betekent dat een vergunningaanvraag dient te worden getoetst aan het Omgevingsplan en dus ook aan de daarvan onderdeel uitmakende voorbeschermingsregels die ook zien op het bedrijventerrein [naam] met de bestemming “gemengd” waarop de locatie is gelegen.
Artikel 1.3 ziet op een verbod op het gebruik van een bouwwerk als zelfstandige opslagruimte. Artikel 1.4 betreft een soortgelijk verbod maar dan gericht op het niet toestaan van meer dan één afzonderlijk bedrijf.
5.3.
Ter beoordeling is allereerst of de voorbereidingsregels van toepassing zijn.
In het onderhavige geval is de aanvraag ingediend op 1 juli 2024, dus voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 18 juli 2024. Het voorbereidingsbesluit bevat overgangsrecht in artikel 1.5. Hierin is aangegeven dat het in de artikel 1.3 en 1.4 neergelegde verbod alleen van toepassing is voor zover deze activiteiten nog niet plaatsvinden vanaf het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit.
Aannemelijk is dat de interieurbouw voor campers en caravans al plaatsvond voor inwerkingtreding, waardoor het verbod niet van toepassing is. Ook inhoudelijk zijn er geen aanwijzingen dat sprake is van strijd met de regels die in het voorbereidingsbesluit zijn neergelegd. Immers is niet aannemelijk dat sprake is van opslag anders dan als onderdeel van de interieurbouw zoals hierboven onder 4.6 en 4.7 is overwogen. Ook is niet aannemelijk geworden dat ter plaatse sprake is van meerdere bedrijven. Deze grond slaagt niet.
Besluit aanwijzing autobranche
6. Eisers stellen tot slot dat door de burgemeester van de gemeente Nuenen het “Besluit aanwijzing autobranche op bedrijventerrein Eeneind I en II” (het Besluit) is genomen. Hierin is voor de autobranche -waaronder de camper kan worden gerekend- bepaald dat voor bedrijven in herstel en reparatie een vergunningseis geldt. Niet bekend is of vergunninghouder hieraan voldoet.
6.1.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de Algemene Plaatselijke Verordening Nuenen en het Besluit dat daarop is gebaseerd bij de beoordeling voor een omgevingsplanactiviteit bouwen geen onderdeel zijn van het toetsingskader, omdat deze regelgeving geen onderdeel is van het Omgevingsplan. Het college heeft daarom terecht niet getoetst aan het Besluit.
Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van eisers slagen niet. Zij krijgen geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen geen gelijk. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een bijlage bij een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet zijn ook van toepassing op een ministeriële regeling op grond van deze wet, tenzij in die regeling anders is bepaald.
Artikel 4.14 (voorbereidingsbesluit omgevingsplan)
1. De gemeenteraad kan voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels.
2. Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.
3. Voorbeschermingsregels strekken ertoe te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels, bedoeld in het eerste lid, en kunnen alleen inhouden:
a. een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden,
b. de aanwijzing van onderwerpen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden,
c. de aanwijzing van bestuursorganen of andere instanties die in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b,
d. het buiten toepassing verklaren van in het omgevingsplan gestelde regels die in strijd zijn met voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b.
4. De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan waarvan de regels, bedoeld in het eerste lid, deel uitmaken is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt of is vernietigd.
5. De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. een rijksmonumentenactiviteit,
c. een ontgrondingsactiviteit,
d. een stortingsactiviteit op zee,
e. een Natura 2000-activiteit,
f. een jachtgeweeractiviteit,
g. een valkeniersactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18 (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2.Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
3. Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.

Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet

A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0 (toepassingsbereik en oogmerk)
Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplanactiviteiten die niet vergunningvrij zijn op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en is opgenomen met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 8.3a (toepassingsbereik en oogmerk)
Deze afdeling is van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in de artikelen 2.25 en 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en duurzaamheid en bruikbaarheid.

Omgevingsplan gemeente Nuenen c.a.

§ 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

bestemmingsplan “Eeneind 2018”

Artikel 1 Begrippen Pro
1.13
bedrijf:
Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten die liggen op het vlak van industrie, groothandel met eventueel bijbehorende ondergeschikte showroom, ambacht, nijverheid, productie, distributie logistiek, vervoer, opslag, reparatie (waaronder autoreparatiebedrijven al dan niet met bijbehorende en ondergeschikte showroom), e.d., alsmede brandweerkazerne. Tevens worden hiertoe gerekend bijbehorende kantoorruimten en installaties.
Artikel 8 Gemengd Pro
8.1
Bestemmingsomschrijving
8.1.1
Algemeen
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven die zijn opgenomen in de bedrijvenlijst (zie bijlage 1 bij de regels), met dien verstande dat:
1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' uitsluitend bedrijven uit categorie 2, 3.1 en 3.2 zijn toegestaan;
2. in afwijking van de onder 1 toegestane categorieën van bedrijven zijn bestaande, legaal gevestigde bedrijven van een andere categorie dan aangeduid en toegestaan, eveneens toegestaan;
b. dienstverlening;
c. horeca van categorie 3 en horeca in de vorm van café en/of zaalaccomodatie ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
d. kantoren;
e. detailhandel, uitsluitend zoals omschreven in artikel 8.4.3
f. internethandel, uitsluitend zoals omschreven in artikel 8.4.4;
g. een autobeklederij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - autobeklederij';
h. een caravanstallingen daarmee vergelijkbare stalling van voer- en vaartuigen, uitsluitend zoals omschreven in artikel 8.4.5
i. één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
j. één woning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
k. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting', uitsluitend een ontsluitingsweg;
l. instandhouding, bescherming en herstel van de (aanwezige) cultuurhistorische waarden van een pand ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument';
met daaraan ondergeschikt:
1. showrooms;
2. tuinen en erven;
3. parkeervoorzieningen, conform het bepaalde in artikel 33.3
4. groenvoorzieningen;
5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
6. nutsvoorzieningen.
8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
Op de voor 'Gemengd' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
a. gebouwen voor de in artikel 8.1 genoemde bestemming;
b. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde;
c. bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen;
d. uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting', waar geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd.
8.2.2
Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'
Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:
a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen worden gebouwd;
b. gebouwen worden op een afstand van minimaal 3,00 meter van de zijdelingse perceelsgrens gebouwd;
c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt voor zover de bestaande afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen kleiner zijn dan 3,00 meter de bestaande afstand als minimum;
d. het bouwvlak mag voor maximaal 100% worden bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' het aangeduide maximale bebouwingspercentage geldt; het aangeduide bebouwingspercentage geldt per bouwperceel;
e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
f. de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
g. in afwijking van het bepaalde onder e geldt voor (bedrijfs)woningen een maximum goothoogte van 6,50 meter en een maximum bouwhoogte van 10,00 meter;
h. de inhoud van een (bedrijfs)woning bedraagt maximaal 750 m3;
i. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen bij (bedrijfs)woningen in het bouwvlak mag maximaal 60 m2 bedragen; indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m², mag de genoemde oppervlakte van 60 m² worden vermeerderd met 10% van de overmaat tot een maximum van in totaal 120 m².
j. in afwijking van het bepaalde onder e geldt voor bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen een maximum goothoogte van 3,30 meter en een maximum bouwhoogte van 6,50 meter.
8.4.2
Verboden gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
b. woondoeleinden, uitgezonderd ter plaatse van de aanduidingen 'wonen' en 'bedrijfswoning';
c. het splitsen van een (bedrijfs)woning in twee of meer zelfstandige woonruimtes;
d. (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;
e. een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
f. autohandel;
g. horeca, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
h. detailhandel, anders dan als bedoeld in artikel 8.4.3 en 8.4.4;
i. seksinrichting;
j. recreatieve voorzieningen;
k. buitenopslag voor de voorgevellijn;
l. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
m. risicovolle inrichtingen;
n. ondergronds bouwen buiten het bouwvlak.
8.4.5
Caravanstalling
Caravanstalling en daarmee vergelijkbare stalling van campers, boten, aanhangers, vouwwagens, auto's in afwachting van en/of gereed na bekleding door de bijbehorende autobeklederij en auto's die slechts in een bepaalde periode gebruikt mogen worden en/of voor een bepaalde periode zijn geschorst (oldtimers), is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - caravanstalling', waarbij zowel binnen
-als buitenstalling van de caravans en overige toegestane voer- en vaartuigen is toegestaan.
In Bijlage 1 Bedrijvenlijst is onder SBI-Code 6312 aangegeven Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte). Dit valt onder bedrijfscategorie 2.
Voorbereidingsbesluit “Eeneind en Berkenbos; opslag en gebruik voor meerdere bedrijven’ d.d. 8 juli 2024 (iwtr. 18 juli 2024)
Artikel I
Burgemeester en wethouders maken bekend dat op 18 juli 2024 een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 4.14 van de Omgevingswet in werking is getreden voor de bedrijventerreinen Eeneind en Berkenbos.
Tegen het voorbereidingsbesluit kan, op grond van de Omgevingswet en artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, geen bezwaar en beroep worden aangetekend.
Artikel III
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
Bijlage A
Voorbeschermingsregels ‘Eeneind en Berkenbos; opslag en gebruik voor meerdere bedrijven’
Voorrangsbepaling
De regels gaan - voor zover de regels daarmee in strijd zijn - vóór op de regels in de bestemmingsplannen:
a. Eeneind 2018, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0820.BPNuenEeneind2018-D001, artikel 6.1.1. onder a sub 1 en 2 en artikel 8.1.1 onder a sub 1;
b. Bedrijventerrein Eeneind, herziening 2014-1, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0820.BPEeneindHerz20131-D001, artikel 3.1. onder a sub 1, 2, en 3, artikel 3.1. sub b en artikel 3.1. sub f; en
c. Nuenen Zuidoost, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0820.BPNuenenZuidoost-D001, artikel 5.1.1. onder a sub 1, 2 en 3;
die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels gebruik
Artikel 1.1 Toepassingsbereik
De regels zijn van toepassing binnen het werkingsgebied ‘Voorbeschermingsregels bedrijventerrein Eeneind en Berkenbos'.
Artikel 1.2 Oogmerken
De regels zijn gesteld met als oogmerk om te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor:
a. het instandhouden van een goed vestigingsklimaat voor bedrijven met een grotere milieugebruiksruimte en groter gebruiksoppervlak; en
b. het bieden van ruimte aan bedrijven met een uitstraling die past bij het beoogde straat- en bebouwingsbeeld.
Artikel 1.3 Aanwijzing activiteit: opslag
Als gebruiksactiviteit wordt aangewezen het benutten van bouwwerken of locaties voor het verkopen of verhuren van zelfstandige opslagruimten.
Artikel 1.4 Aanwijzing activiteit: meer dan één bedrijf
Als gebruiksactiviteit wordt aangewezen het benutten van een bouwwerk of een locatie voor meer dan één afzonderlijk bedrijf.
Artikel 1.5 Verbod gebruik
Het is verboden om de in artikel 1.3 en artikel 1.4 aangewezen activiteiten te verrichten, voor zover deze nog niet plaatsvinden vanaf het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit.
Besluit aanwijzing autobranche op bedrijventerrein Eeneind I en II als vergunningplichtig(2023)
geldend van 20-12-2023 t/m 19-12-2026
De burgemeester van gemeente Nuenen
gelet op:
-het bepaalde in artikel 2.40a, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening Nuenen c.a. 2020;
-de (tussen)uitspraak van 3 augustus 2022 en de (eind)uitspraak van 24 mei 2023, van de rechtbank Oost-Brabant (zaaknummer SHE 21 / 2976 BESLU); (..)
OVERWEGENDE DAT:
-artikel 2:40a, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening Nuenen c.a. 2020 (APV) de burgemeester de bevoegdheid geeft om in een gebied een of meer bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen als vergunningplichtig als naar het oordeel van de burgemeester in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat; (..)
BESLUIT:
Artikel I
De volgende straten op bedrijventerrein Eeneind I en II aan te wijzen als gebied waarbinnen het verboden is om zonder vergunning van de burgemeester de in artikel II genoemde bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen:
-De Tienden;
-De Huufkes;
-Gulberg;
-Collse Hoefdijk;
-Collse Heide;
-Collseweg;
-Eeneind;
-Den Binnen;
-Stationsweg;
-Kruisakker.
Artikel II
Binnen het gebied dat benoemd is in artikel I de volgende bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor het verboden is deze uit te oefenen zonder vergunning van de burgemeester:
-autoverkoop;
-autoverhuur;
-auto-lease;
-autoschoonmaak;
-autoreparatie;
-auto-opslag;
-autosloop;
-autospuiten;
-autoschadeherstel;
-handel in en montage van auto-onderdelen; en
-met alle voorgaande activiteiten verband houdende activiteiten binnen de autobranche, met uitzondering van de activiteit autobeklederij.
Artikel III
Deze aanwijzing geldt gedurende een periode van drie jaar.
Artikel IV
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking hiervan.
Ondertekening
Nuenen, 12 december 2023
De burgemeester van gemeente Nuenen, (..)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2401, overweging 8.4.