vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.110755.22
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,
wonende te [adres] .
Inleiding: onderzoek Starr.
In maart 2020 werd het onderzoek Starr opgestart. Uit informatie van de politie, verkregen door meldingen en constateringen, bleek dat een crimineel netwerk actief was dat inkomsten genereerde door grootschalige handel in verdovende middelen. Dit netwerk concentreerde zich op de gemeentes Eindhoven en Helmond. In Eindhoven handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 1] ', en later onder de naam ' [groepsnaam 2] '. In Helmond handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 3] '. Het vermoeden bestond dat dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] werd aangestuurd/georganiseerd door personen die ook dealgroep [groepsnaam 3] aanstuurden en dat beide groeperingen samenwerkten. Omdat de verdenkingen tegen verdachte zich richten op betrokkenheid bij zowel dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] als dealgroep [groepsnaam 3] , zal de rechtbank in dit vonnis in zijn algemeenheid verwijzen naar [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] .
Binnen het onderzoek is gebruik gemaakt van opsporingsmiddelen, zoals observaties, taps, afluisterapparatuur in voertuigen, onderzoek aan (deal)telefoons en doorzoekingen.
Aan de hand van de verkregen informatie heeft het Openbaar Ministerie naast verdachte ook medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vervolgd voor – kort gezegd – het in vereniging handelen in harddrugs en het deelnemen aan een criminele (drugs)organisatie.
Het onderzoek ter terechtzitting.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2022, 7 oktober 2022, 7 juni 2025, 13 mei 2025, 15 mei 2025, 2 december 2025 en 22 januari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsman, mr. I. Azarkan, naar voren is gebracht.
De zaak tegen verdachte heeft de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 3] . De zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn uiteindelijk afgesplitst in verband met de gemaakte procesafspraken tussen hen en het Openbaar Ministerie.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 juni 2022.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 mei 2025 is aangepast en uitgebreid (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 3 juli 2020 tot en met 3 mei 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als
bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde,
vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2
hij in of omstreeks de periode van 3 juli 2020 tot en met 3 mei 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
een hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne en/of
een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne,
zijnde amfetamine en/of heroïne en/of cocaïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Beslissingen over het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in de periode van 3 juli 2020 tot en met 1 mei 2021 schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd voor de periode na 1 mei 2021 wegens gebrek aan bewijs.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Bij wijze van een subsidiair standpunt heeft de raadsman partiële vrijspraak verzocht vanaf het moment dat verdachte op 3 november 2021 gedetineerd raakte.
Het oordeel van de rechtbank.
Hieronder wordt allereerst een aantal algemene opmerkingen gemaakt over het bewijs. Daarna bespreekt de rechtbank het verwijt dat verdachte – kort gezegd – heeft gehandeld in harddrugs (feit 2), gevolgd door het verwijt dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 1). Ten slotte zal de rechtbank in gaan op de verweten pleegperiode.
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen uitgewerkt in de bijlage bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Algemene opmerkingen over het bewijs
De rechtbank heeft in zijn algemeenheid – en voor zover relevant in het licht van de feiten die de rechtbank bewezen acht – de onderzoekbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies van de politie tegen de achtergrond van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken gecontroleerd en juist geacht. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden om aan deze conclusies te twijfelen. Deze conclusies vinden naar het oordeel van de rechtbank ook op overtuigende wijze bevestiging in andere bewijsmiddelen. De hieraan ten grondslag liggende redengevende feiten en omstandigheden wijzen zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij de hierna bewezenverklaarde feiten dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd om die betrokkenheid te weerleggen. Een dergelijke verklaring is echter uitgebleven. Verdachte heeft weliswaar alle betrokkenheid bij de hem verweten drugshandel en het leiden van een criminele organisatie ontkend, maar heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op gerichte vragen over zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten ofwel op zijn zwijgrecht beroepen ofwel geen
aannemelijkalternatief gepresenteerd (de rechtbank zal enkele door de verdediging gepresenteerde bewijsverweren hieronder nog afzonderlijk bespreken). Deze proceshouding en het uitblijven van een aannemelijk tegengeluid, heeft de overtuigingskracht van een belastende uitleg van gebruikte bewijsmiddelen versterkt.
De rechtbank is bij de beoordeling van het bewijs in het bijzonder uitgegaan van de juistheid van de bevindingen van de politie met betrekking tot de aan [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] toegeschreven telefoonnummers en vervoersmiddelen, en de aan verdachte en medeverdachten toegeschreven bijnamen en telefoonnummers.
Verder kan uit de resultaten van het opsporingsonderzoek – in algemene zin en in grote lijnen – een modus operandi worden gedestilleerd. Zo is kenmerkend dat [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] werktijden hanteerde van 10:00 uur tot 20:00 uur. Tussen deze tijden was de deallijn bereikbaar voor afnemers. Er werden ook regelmatig SMS-bommen met daarin aanbiedingen voor verdovende middelen verstuurd naar een grote hoeveelheid telefoonnummers. Afnemers konden via de deallijn een bestelling plaatsen. Dealers werden vanuit zogenoemde bijvullocaties voorzien van verdovende middelen, die zij vervolgens afleverden aan individuele afnemers. Het ging daarbij om gebruikershoeveelheden van cocaïne ('w' / 'wit') en heroïne ('d' / 'donker') – en dus geen amfetamine, zoals eveneens ten laste is gelegd. De dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] was actief in Eindhoven en omgeving ('hier') en de dealgroep [groepsnaam 3] was actief in Helmond en omgeving ('ver').
Drugshandel
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in cocaïne en heroïne.
De rechtbank bespreekt hierna een aantal bewijsverweren die door de verdediging naar voren zijn gebracht. Voor de verweren die niet afzonderlijk zijn besproken geldt dat deze hun weerlegging vinden in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] meerdere keren in de nabijheid van bijvullocaties is gezien. Gebleken is dat deze auto op naam staat van en wordt gebruikt door verdachte. Verdachte heeft dit ook erkend op de zitting van 13 mei 2025. Ook het telefoonnummer dat aan verdachte wordt toegeschreven, is meerdere keren in de buurt van de bijvullocaties (de woningen waarvandaan de dealers werden voorzien van verdovende middelen) aangestraald. Uit OVC-opnames in combinatie met peilbakengegevens en telefoongegevens blijkt dat verdachte medeverdachte [medeverdachte 2] meerdere malen heeft afgezet en/of opgehaald in de omgeving van deze bijvullocaties.
De verklaring van verdachte, dat hij [medeverdachte 2] op die momenten enkel heeft thuisgebracht, niet met hem mee naar binnen is geweest en niks te maken heeft met de handel in harddrugs, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat tussen verdachte en [medeverdachte 2] een intensieve samenwerking bestond.
De rechtbank wijst allereerst op een chatgesprek van 21 oktober 2020, waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] communiceren over het oplossen van problemen met een aan de dealgroep toegeschreven dealauto (Fiat Panda met kenteken [kenteken 2] ). Daar komt bij dat verdachte in een chatgesprek van 24 oktober 2020 bij [medeverdachte 2] informeert naar een mogelijke nieuwe dealer. Bovendien zijn er OVC-opnames die zijn gemaakt in de auto van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] op 25, 26, 27, 28 en 29 april 2021 bij elkaar in de auto zitten. Op 25 april 2021 wordt er om 09:50 uur een SMS-bom verstuurd door een telefoon die in gebruik is bij dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] . Deze telefoon en de telefoon die in gebruik is bij [medeverdachte 2] bevinden zich op dat moment op een bijvullocatie en verplaatsen zich vervolgens naar de Tarwelaan. De auto van verdachte bevindt zich dan ook op de Tarwelaan. Daarna is op een OVC-opname te horen dat de autoruit naar beneden gaat en dat verdachte aan een man – waarbij de rechtbank op grond van het voorgaande ervan uitgaat dat het medeverdachte [medeverdachte 2] is – vraagt of hij ‘pap’ heeft. ‘Pap’ is straattaal voor geld. De man antwoordt bevestigend, waarop verdachte zegt dat hij niet wil dat de man zo rijdt en moet uitkijken. Die avond is er weer contact als verdachte aan [medeverdachte 2] vraagt hoelang hij nog moet. Enkele minuten later bevindt de auto van verdachte zich in de buurt van de bijvullocatie en stapt [medeverdachte 2] in de auto. Ook op de daarop volgende dagen (26, 27, 28 en 29 april 2021) wordt [medeverdachte 2] rondgereden door verdachte en wordt hij steeds rond het tijdstip dat de deallijn actief wordt door verdachte afgezet bij een bijvullocatie en later weer opgehaald. Verdachte lijkt daarbij telkens in de buurt van de bijvullocatie te wachten totdat het werk door [medeverdachte 2] is afgerond.
Als op 29 april 2021 de auto van verdachte zich (opnieuw) in de Arcadeltstraat in Eindhoven (in welke straat op dat moment een bijvullocatie is gelegen) bevindt, blijkt uit een afgeluisterd gesprek dat verdachte in de auto zit met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt dan aan verdachte:
“Ga je mee naar binnen?”. Daarop antwoordt verdachte:
“Ja, ik ga hier niet wachten jonge”, waarna is te horen dat twee portieren open en dicht gaan. Kortom, beide personen zijn uitgestapt. Daarnaar gevraagd heeft de verdachte geen nadere uitleg gegeven. Dit sterkt de rechtbank in haar conclusie dat de verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 2] enkel heeft rondgereden en nooit met hem ergens naar binnen is geweest en (dus) niet heeft geweten wat zich op de (bijvul)locaties afspeelde, niet geloofwaardig is.
Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat [broer 1 van medeverdachte 2] (een broer van medeverdachte [medeverdachte 2] ) op 9 september 2020 is aangehouden terzake de Opiumwet en dat zijn telefoon vervolgens is onderzocht. In de telefoon werden berichten aangetroffen die namens dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] zijn verstuurd. Bovendien is in de telefoon een chatgesprek aangetroffen tussen [broer 1 van medeverdachte 2] en ‘ [alias verdachte] ’. Daarin vraagt ‘ [alias verdachte] ’ aan [broer 1 van medeverdachte 2] of hij vandaag kan afmaken, omdat
“die boy niet kan komen”. [alias verdachte] is een bijnaam van verdachte, zo blijkt uit het dossier. Op 9 maart 2021 is ook [broer 2 van medeverdachte 2] (eveneens een broer van medeverdachte [medeverdachte 2] ) aangehouden. In zijn telefoon is een chatgesprek van 7 november 2020 aangetroffen, waarin [broer 1 van medeverdachte 2] stuurt:
“Weet hij dat ik heb gereden voor [alias] en [alias verdachte] ”. De rechtbank ziet in deze berichten bevestiging dat verdachte anderen, zoals [broer 1 van medeverdachte 2] , opdracht geeft om voor hem “te rijden”, waarmee in het licht van de overige onderzoeksbevindingen naar het oordeel van de rechtbank evident wordt bedoeld het afleveren van harddrugs aan klanten/afnemers voor [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] .
Bovendien heeft getuige [getuige] een verklaring afgelegd. Bij de politie heeft deze verklaard dat hij voor een periode van twee tot drie maanden cocaïne en heroïne heeft verkocht voor dealgroep [groepsnaam 1] en er daarna klaar mee was. Toen getuige op 14 of 15 april 2021 wilde stoppen, is hij naar eigen zeggen meegenomen naar een van de bijvullocaties. Vervolgens kwam verdachte binnen en bood getuige meer geld voor het dealen van drugs, aldus getuige. Ten aanzien van het verweer over de betrouwbaarheid van de verklaring overweegt de rechtbank het volgende. Nadat de politie de getuige een foto van verdachte had getoond, werd getuige gevraagd wie deze persoon is, waarop getuige geen naam noemt maar enkel antwoordt dat hij die persoon een paar keer heeft gezien. Daarna verklaart getuige uit zichzelf over de rol van deze persoon (zijnde verdachte). De politie heeft getuige dus niet van informatie voorzien of hem op andere wijze beïnvloed. De verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris onderschrijft dat, omdat de getuige toen heeft verklaard dat hij (de persoon met de naam) [verdachte] niet kent. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze verklaring betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het desbetreffende verweer is daarmee verworpen.
De betrokkenheid van verdachte bij de handel in harddrugs blijkt ook uit chatgesprekken van 21 december 2020. Die dag zijn er twee dealers van de dealgroep [groepsnaam 3] aangehouden. Om 17:07 uur stuurt medeverdachte [medeverdachte 2] een nieuwsartikel hierover door naar medeverdachte [medeverdachte 1] , gevolgd door het bericht:
“ellende neef”. Laatstgenoemde stuurt het nieuwartikel binnen enkele minuten door naar verdachte. Uit de chatberichten die daarna volgen, kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 1] balen van de aanhouding en ervoor zorgen dat de telefoonnummers van afnemers worden overgezet op een nieuw dealnummer, zodat de deallijn actief kon blijven.
Verder zijn op 12 januari 2021 verdachte en [medeverdachte 1] aangehouden in een Volkswagen Golf. De telefoon van verdachte is vervolgens onderzocht. Daarin is een foto aangetroffen waarop een grote hoeveelheid bankbiljetten is te zien (coupures van 10, 20 en 50 euro). Op de achtergrond is het interieur van een auto te zien dat overeenkomt met het interieur van de voornoemde Volkswagen Golf. De foto is op 10 januari 2021 om 18:20 uur gemaakt met de telefoon van verdachte. Daarnaast is in de telefoon van verdachte een chatgesprek van 10 januari 2021 aangetroffen. Om 18:05 uur stuurt verdachte naar [medeverdachte 1] :
“Neem gwn alles mee anders hou wel gwn bij”en
“Fok ibash”. Het woord “ibash” is straattaal voor politie. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] dat hij eraan komt. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] geld naar verdachte heeft gebracht, die daarna in de auto een foto daarvan heeft gemaakt.
Tot slot het volgende. Waar de verdediging ieder bewijsmiddel steeds afzonderlijk en op zichzelf beschouwt, en dan per bewijsmiddel tot de conclusie komt dat dat geen, onvoldoende of onbetrouwbaar bewijs oplevert zodat uiteindelijk vrijspraak moet volgen, beschouwt de rechtbank de bewijsmiddelen in hun onderling verband en samenhang en in de context van de eerdere onderzoeken en veroordelingen. Gelet daarop en hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne.
Deelneming aan een criminele organisatie
Algemeen
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 11b Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Van ‘deelneming’ aan de organisatie kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b Opiumwet bedoelde oogmerk. Daarbij geldt dat de verdachte in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van Opiumwetmisdrijven. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
De organisatie en de rol van verdachte en andere leden
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie zich op grote schaal bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot de handel in cocaïne en heroïne. Het oogmerk van dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van dit soort misdrijven.
Het samenwerkingsverband werd aangestuurd door [medeverdachte 1] en verdachte.
Verdachte had – in principe – geen of nauwelijks direct contact met (straat)dealers. Dit verliep via anderen, zoals medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte bracht [medeverdachte 2] onder andere naar bijvullocaties en controleerde hem, bijvoorbeeld door te vragen of hij geld had. Daarbij gaf verdachte ook instructies, bijvoorbeeld dat hij niet wilde dat [medeverdachte 2] met geld rondreed en dat hij moest uitkijken. Daarnaast informeerde verdachte bij [medeverdachte 2] naar de stand van zaken, zoals over het aantrekken van een mogelijke nieuwe dealer. Verdachte trad ook op als probleemoplosser. Zo benaderde hij [broer 1 van medeverdachte 2] om drugs te dealen, omdat iemand anders die dag niet kon. En toen getuige [getuige] aangaf te willen stoppen met drugs dealen, bemoeide verdachte zich ermee in een poging de getuige voor de dealgroep [groepsnaam 1] te behouden. Blijkbaar verkeerde verdachte in de positie om getuige meer geld te bieden om toch door te gaan met het dealen voor de dealgroep. Een ander voorbeeld is het actief houden van de deallijn. Zodra dealers werden aangehouden, zorgden verdachte en [medeverdachte 1] ervoor dat de telefoonnummers van afnemers werden overgezet op een nieuw dealnummer, zodat de handel door kon gaan. Verder deelde verdachte opdrachten aan anderen uit. Zo zei verdachte tegen [medeverdachte 2] dat een van de dealauto’s ‘gefixt’ moest worden en gaf verdachte anderen de opdracht om namens hem een auto aan te kopen dan wel te huren. Pas op het moment van betaling, was verdachte hier zelf bij betrokken.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte binnen [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] een sturende en leidende rol heeft gespeeld. Door de uitvoerende werkzaamheden over te laten aan anderen kon verdachte zelf nagenoeg buiten beeld blijven.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan een crimineel samenwerkingsverband met, onder meer, medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] . Die bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende intensiteit en duur om verdachte aan te merken als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachte is overwogen.
Pleegperiode (drugshandel en deelname criminele organisatie)
De rechtbank is van oordeel dat dat verdachte zich in de periode van 3 juli 2020 tot en met 1 mei 2021 schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in cocaïne en heroïne en aan deelneming aan een criminele organisatie.
Wat betreft de aanvang van de periode baseert de rechtbank zich op teliogesprekken met betrekking tot [betrokkene 1] van 3 en 6 juli 2020. In een van die gesprekken zegt [betrokkene 2] tegen [betrokkene 1] dat ‘ [verdachte] ’ hem in het team wil hebben. In een gesprek van 6 juli 2020 zegt [betrokkene 2] tegen [betrokkene 1] dat ‘ [verdachte] ’ een platte hand gaf aan [betrokkene 3] . Enkele minuten later belt [betrokkene 1] met [betrokkene 3] en vraagt wat ‘ [verdachte] ’ gisteren bij hem gedaan heeft, waarna [betrokkene 3] tegen [betrokkene 1] zegt dat hij na vandaag weggaat bij ‘ [verdachte] ’. Op 25 en 26 januari 2020 heeft [betrokkene 1] tegen de politie over zijn ‘oude (deal)groep’ verklaard, waarbij hij naar de overtuiging van de rechtbank refereerde aan verdachte. In samenhang met die eerdere verklaring, concludeert de rechtbank dat met de in de teliogesprekken genoemde ‘ [verdachte] ’ verdachte wordt bedoeld. De verdediging heeft gewezen op de verklaring die [betrokkene 2] op 24 augustus 2023 als getuige heeft afgelegd bij de rechter-commissaris, namelijk dat in de gesprekken [betrokkene 4] wordt bedoeld – en dus niet verdachte. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, omdat [betrokkene 2] een week later zijn verklaring wilde aanpassen. Op 31 augustus 2023 verklaarde hij onder andere dat [betrokkene 4] er niks mee te maken heeft en dat hij niet wil
snitchen. Uit de teliogesprekken leidt de rechtbank dan ook af dat verdachte vanaf 3 juli 2020 betrokken was bij dealgroep [groepsnaam 1] .
Het dossier bevat geen onderzoeksbevindingen van na 1 mei 2021 die de betrokkenheid van verdachte bij de handel in harddrugs en zijn deelname aan een criminele organisatie bevestigen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de periode 2 mei 2021 tot en met 3 mei 2022.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1
in de periode van 3 juli 2020 tot en met 1 mei 2021 te Eindhoven en Helmond,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, Opiumwet;
2
in de periode van 3 juli 2020 tot en met 1 mei 2021 te Eindhoven en Helmond,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde heroïne en cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Het bepalen van de straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman als strafmatigende omstandigheden aangevoerd dat verdachte geen leidinggevende rol heeft gehad, dat de pleegperiode beperkter is dan de tenlastegelegde periode en dat verdachte binnen die periode slechts sporadisch in beeld is gekomen. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn is overschreden, dat de voorlopige hechtenis van verdachte al [groepsnaam 2] tijd is geschorst en dat sinds onderzoek Idegem niet is gebleken van nieuwe soortgelijke feiten. Verder vindt de raadsman dat sprake is van een enorme discrepantie tussen de eis van de officier van justitie in deze zaak en de straf die met [medeverdachte 1] is overeengekomen in het kader van procesafspraken. Tot slot moet het rapport van de reclassering volgens de raadsman positief geïnterpreteerd worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende tien maanden schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met het overtreden van de Opiumwet. In die periode heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en heroïne.
Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd de rechtsorde ernstig en ontoelaatbaar ondermijnt. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie, waarbij plegen van strafbare feiten
‘business as usual’was. De organisatie heeft het drugsgebruik van veel afnemers gefaciliteerd in de omgeving van Eindhoven en Helmond. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat deze steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.
Verdachte had een leidinggevende/aansturende rol. Door de uitvoerende werkzaamheden (de daadwerkelijke handel in harddrugs) over te laten aan anderen, is verdachte zelf nagenoeg buiten beeld gebleven.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. In het oog springt de veroordeling van 6 juli 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 182 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit was voor de handel in harddrugs en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie (onderzoek Idegem). In dat onderzoek noemden de dealers die harddrugs bezorgden zichzelf ook ‘ [groepsnaam 1] ’ en werd eveneens gebruikgemaakt van SMS-bommen. Die veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Sterker nog, verdachte heeft zijn strafbare gedragingen onder dezelfde omstandigheden (naam en werkwijze) voortgezet. Dit gedrag is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort.
De rechtbank houdt ook rekening met de recente veroordelingen van verdachte, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. Dat wil echter niet zeggen dat de rechtbank zich moet afvragen hoe zij gestraft zou hebben als de nieuwe feiten samen met de al afgedane strafbare feiten zouden zijn berecht. Artikel 63 Sr schrijft de strafrechter slechts voor dat de rechtbank de verplichting heeft om het toepasselijke strafmaximum in acht te nemen dat aan de orde zou zijn geweest als beide zaken tegelijkertijd en gevoegd zouden zijn behandeld.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte – net zoals bij zijn eerdere veroordeling – een leidinggevende/aansturende rol vervulde binnen de criminele organisatie.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu het eindvonnis (29 januari 2026) niet binnen zestien maanden na de inverzekeringstelling van verdachte (3 mei 2022) wordt uitgesproken. Aangezien de overschrijding niet (volledig) aan de verdediging kan worden toegerekend, zal de rechtbank de op te leggen straf met 4 maanden verminderen.
Oplegging van straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Voor een voorwaardelijk deel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.