Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De zaak in het kort
De koper betwist dat de motorkleding is geleverd en betwist ook de hoogte van de vordering. Bij wijze van tegenvordering vordert de koper schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging door de verkoper van de volgens de koper tussen partijen bestaan hebbende duurovereenkomst.
2.De procedure
- de conclusie van antwoord in reconventie en wijziging van eis in conventie van 6 september 2023 met producties 15 tot en met 23;
- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3.De feiten
Voor zover voor dit geding van belang, bepaalt de Nederlandse versie van de AV het volgende:
Tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen, moet betaling netto geschieden in door verkoper te bepalen valuta op een door de verkoper aan te wijzen bank- of girorekening binnen 30 dagen na faktuurdatum, zonder enige korting.
Indien de koper niet tijdig of slechts gedeeltelijk aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, of enige andere bepaling van de overeenkomst niet, niet tijdig of onvolledig nakomt, op diens zaken beslag wordt gelegd, indien hij surséance van betaling aanvraagt, of diens faillissement wordt aangevraagd, wordt hij van rechtswege geacht in verzuim te zijn en is het verschuldigde jegens de verkoper zonder sommatie of ingebrekestelling -ongeacht eerder gemaakte termijnafspraken m.b.t. de betaling- terstond opeisbaar, met inbegrip van een verhoging van 1,5% per maand, gerekend vanaf de faktuurdatum (een gedeelte van een maand voor een gehele maand rekenende), over het brutofaktuurbedrag, tot aan het tijdstip van voldoening, onverminderd het recht van de verkoper de uitvoering van nog lopende overeenkomsten op te schorten, c.q. elke overeenkomst met de koper geheel of gedeeltelijk, zulks te zijner keuze, zonder rechterlijke tussenkomst te ontbinden, zonder enige gehoudenheid tot schadevergoeding jegens de koper.
Wanneer de verkoper genoodzaakt is een onbetaald gebleven faktuur ter inkasso te geven aan derden is de verkoper gerechtigd aan de wederpartij een vergoeding te berekenen wegens de door de verkoper gemaakte buitengerechtelijke proceskosten (advocaat, deurwaarder, incassobureau e.d.) van tenminste 15% van de brutofaktuurwaarde (met een minimum van EURO 350,-) vermeerderd met EURO 30,- voor administratiekosten, dit alles behoudens de proceskosten.”
Via haar handelsagent [A] voerde Rev’it! frequent overleg met [gedaagde] over de openstaande facturen en de betaling ervan. In dat kader stuurde Rev'it! regelmatig rekeningoverzichten aan [gedaagde] waaruit het openstaande saldo bleek.
4.Het geschil
Voorts verzoekt Rev’it! het te wijzen vonnis te voorzien van een certificaat als vermeld in art. 53 van Pro de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (“Brussel I-bis”).
De contractuele rente is buitensporig hoog gezien de negatieve rentepercentages van de afgelopen jaren. Het rentepercentage moet daarom buiten toepassing worden gelaten subsidiair gematigd worden;
[gedaagde] was voor haar bedrijfsvoering dus niet afhankelijk van Rev’it!
5.De beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling is hierover besproken dat deze producties leidend zijn bij de beoordeling van Rev’it!’s vordering en dat de door Rev’it! eerder overgelegde producties 1, 2, 3, 7, 12, 15, 16, 17, 22 en 23 buiten beschouwing gelaten kunnen worden.
De verwijzing door [gedaagde] naar negatieve rentepercentages van de “afgelopen jaren” kan haar niet baten. Deze negatieve rentepercentages hebben zich niet continu voorgedaan en waren ook alleen van toepassing op spaartegoeden. Voor bedrijfsfinanciering diende nog steeds rente betaald te worden. De wettelijke handelsrente was in de relevante periodes hoog en de achtergrond van deze rente is dat bedrijven tijdig moeten betalen. Doordat [gedaagde] Rev’it! niet betaalde, voorzag Rev’it! [gedaagde] in feite van leverancierskrediet.
De verschuldigdheid van deze post vloeit voort uit artikel 8 lid 4 van Pro de AV. Deze algemene voorwaarden maken, zoals de rechtbank al in het incidenteel vonnis heeft overwogen, deel uit van de overeenkomsten tussen Rev’it! en [gedaagde] en aldus is [gedaagde] gehouden deze kosten te betalen.
[gedaagde] heeft niet nader onderbouwd waarom dit bedrag buitensporig zou zijn. [gedaagde] ’s stelling dat Rev’it! rauwelijks heeft gedagvaard is aantoonbaar niet juist en tegen beter weten in geponeerd.
In reactie hierop heeft mr. Van Loon tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de betreffende factuur betrekking heeft op de onderhavige zaak. Dat is zijdens [gedaagde] niet meer betwist.
€ 4.093,30
“Er zijn nooit eisen gesteld aan elkaar.”