ECLI:NL:RBOBR:2026:4697

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/01/386958 / HA ZA 22-581
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en afwijzing schadevergoeding wegens beëindiging handelsrelatie

Rev'it! Sport International B.V., een Nederlandse verkoper van motorkleding, vordert betaling van openstaande facturen van een buitenlandse koper met wie een handelsrelatie bestond van 2008 tot 2019. De koper betwist levering en hoogte van de vordering en vordert in reconventie schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging van een vermeende duurovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat Rev'it! voldoende bewijs heeft geleverd van levering en facturering, en dat de koper in verzuim is gebleven met betalingen. De gevorderde hoofdsom, contractuele rente, buitengerechtelijke incassokosten en vertaalkosten worden toegewezen. De tegenvordering van de koper wordt afgewezen omdat geen duurovereenkomst is vastgesteld en de beëindiging niet onregelmatig was.

De rechtbank wijst het gevorderde certificaat ex art. 53 Brussel Pro I-bis toe om tenuitvoerlegging in het buitenland te vergemakkelijken. De koper wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, kosten en proceskosten, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de koper tot betaling van €66.344,91 plus rente en kosten en wijst de tegenvordering tot schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/386958 / HA ZA 22-581
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
REV'IT! SPORT INTERNATIONAL B.V.,
te Oss,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rev'it!,
advocaat: mr. S.M.I. van Loon,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde] .,
te [plaats] ( [land] ),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Dorgelo.

1.De zaak in het kort

Deze procedure gaat over de betaling van motorkleding die door een Nederlandse verkoper is verkocht aan een [land] koper, met wie enige jaren een commerciële relatie heeft bestaan. Een deel van facturen voor de verkochte motorkleding is onbetaald gebleven. De verkoper vordert betaling van het openstaande bedrag.
De koper betwist dat de motorkleding is geleverd en betwist ook de hoogte van de vordering. Bij wijze van tegenvordering vordert de koper schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging door de verkoper van de volgens de koper tussen partijen bestaan hebbende duurovereenkomst.
In conventie verwerpt rechtbank betwisting en verweer van de koper en veroordeelt deze tot betaling. In reconventie wordt de tegenvordering van de koper afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 14 juni 2023 (het “incidenteel vonnis”) [1] ;
- de conclusie van antwoord in reconventie en wijziging van eis in conventie van 6 september 2023 met producties 15 tot en met 23;
- de per e-mail van 14 augustus 2025 door de rechtbank verzonden regiebrief tevens houdende een instructie/bevel ex art. 22 Rv Pro aan beide partijen (het “bevel”);
- het e-mailbericht van de rechtbank van 18 september 2025 over de voortgang in de uitvoering van het bevel;
- de twee ter uitvoering van het bevel door mr. Van Loon op 1 september 2025 aan mr. Dorgelo en op 18 september 2025 aan de rechtbank verzonden bestanden, zijnde (i) een overzicht van de openstaande facturen van Rev’it! en (ii) per factuur de onderliggende bescheiden, zoals omschreven in het bevel;
- de op 26 september 2025 door mr. Van Loon op voorhand ingediende akte overleggen producties ten behoeve van de mondelinge behandeling met producties 24, 25 en 26 (waaronder de twee hiervoor vermelde bestanden);
- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Rev’it! is een in Nederland gevestigde verkoper van motorkleding, die onder de merknaam Rev’it! in diverse landen wordt verkocht. Rev’it! heeft vanaf 2008 tot en met februari 2019 met [gedaagde] een handelsrelatie gehad, in welk kader [gedaagde] via Rev’it!’s onlinebestelsysteem talrijke inkooporders heeft geplaatst.
Tweemaal per jaar werd een ‘startorder’ geplaatst: eenmaal voor de voorjaars/zomercollectie en eenmaal voor de herfst/wintercollectie. De daarvoor verzonden facturen betaalde [gedaagde] veelal via cheques.
Naast startorders plaatste [gedaagde] door het jaar heen ook ‘herhaalorders’. De facturen hiervoor dienden per bankoverschrijving te worden voldaan, maar soms betaalde [gedaagde] deze ook via cheques.
3.2.
Op de orders en de daaruit voortvloeiende koopovereenkomsten zijn Rev’it!’s algemene voorwaarden (de “AV”) van toepassing. De AV zijn via Rev’it!’s website beschikbaar in de Nederlandse, Engelse, [land] taal en in deze talen gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
Voor zover voor dit geding van belang, bepaalt de Nederlandse versie van de AV het volgende:
Artikel 8 : Betaling
1.
Tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen, moet betaling netto geschieden in door verkoper te bepalen valuta op een door de verkoper aan te wijzen bank- of girorekening binnen 30 dagen na faktuurdatum, zonder enige korting.
(…)
3.
Indien de koper niet tijdig of slechts gedeeltelijk aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, of enige andere bepaling van de overeenkomst niet, niet tijdig of onvolledig nakomt, op diens zaken beslag wordt gelegd, indien hij surséance van betaling aanvraagt, of diens faillissement wordt aangevraagd, wordt hij van rechtswege geacht in verzuim te zijn en is het verschuldigde jegens de verkoper zonder sommatie of ingebrekestelling -ongeacht eerder gemaakte termijnafspraken m.b.t. de betaling- terstond opeisbaar, met inbegrip van een verhoging van 1,5% per maand, gerekend vanaf de faktuurdatum (een gedeelte van een maand voor een gehele maand rekenende), over het brutofaktuurbedrag, tot aan het tijdstip van voldoening, onverminderd het recht van de verkoper de uitvoering van nog lopende overeenkomsten op te schorten, c.q. elke overeenkomst met de koper geheel of gedeeltelijk, zulks te zijner keuze, zonder rechterlijke tussenkomst te ontbinden, zonder enige gehoudenheid tot schadevergoeding jegens de koper.
4.
Wanneer de verkoper genoodzaakt is een onbetaald gebleven faktuur ter inkasso te geven aan derden is de verkoper gerechtigd aan de wederpartij een vergoeding te berekenen wegens de door de verkoper gemaakte buitengerechtelijke proceskosten (advocaat, deurwaarder, incassobureau e.d.) van tenminste 15% van de brutofaktuurwaarde (met een minimum van EURO 350,-) vermeerderd met EURO 30,- voor administratiekosten, dit alles behoudens de proceskosten.”
3.3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 8 lid 1 van Pro de AV golden voor startorders andere betaalafspraken. De hiervoor verzonden facturen mochten in vier termijnen van 25% worden betaald, binnen respectievelijk 30, 60, 90 en 120 dagen na factuurdatum.
3.4.
[gedaagde] ’s betalingen verliepen vanaf 2015 steeds moeizamer en vanaf dat moment bestonden regelmatig betalingsachterstanden. Ook bleken de door [gedaagde] bij wijze van betaling verzonden cheques niet altijd gedekt.
Via haar handelsagent [A] voerde Rev’it! frequent overleg met [gedaagde] over de openstaande facturen en de betaling ervan. In dat kader stuurde Rev'it! regelmatig rekeningoverzichten aan [gedaagde] waaruit het openstaande saldo bleek.
Medio 2018 bestond er een langdurige betalingsachterstand. Deze bedroeg volgens Rev’it! € 33.265,08. Volgens [gedaagde] bedroeg de achterstand € 19.494,88, maar zou dat bedrag gedeeltelijk gedekt zijn door cheques.
Rev’it! zette haar handelsagent [A] weer aan het werk maar dat leidde niet tot een oplossing voor het verschil van mening tussen partijen over de hoogte van [gedaagde] ’s betalingsachterstand en de betaling daarvan.
Vanwege deze voortdurende discussie en het uitblijven van betalingen door [gedaagde] , heeft Rev'it! het account van [gedaagde] met ingang van 21 februari 2019 geblokkeerd en de uitstaande orders geannuleerd.
Correspondentie tussen [A] en een door Rev’it! ingeschakelde [land] advocaat enerzijds en een door [gedaagde] ingeschakelde [land] advocaat anderzijds heeft de discussie tussen partijen niet kunnen beslechten.
Hierop heeft Rev’it! [gedaagde] gedagvaard.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Rev’it! vordert na wijziging van eis – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 27.288,65, vermeerderd met contractueel verschuldigde rente en kosten.
Voorts verzoekt Rev’it! het te wijzen vonnis te voorzien van een certificaat als vermeld in art. 53 van Pro de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (“Brussel I-bis”).
4.2.
In aanvulling op haar stellingen en standpunten waarover in het incidenteel vonnis al is beslist, legt Rev’it! aan haar vorderingen en verzoek het volgende ten grondslag:
- Rev’it! heeft tot februari 2019 motorkleding verkocht en geleverd aan [gedaagde] en [gedaagde] daarvoor facturen verzonden. [gedaagde] heeft de verzonden facturen niet betaald binnen de overeengekomen betalingstermijnen van respectievelijk 30, 60, 90 en 120 dagen na factuurdatum, al naar gelang het soort order het betrof. Ter zake van Rev’it!’s leveranties is een betalingsachterstand van € 27.288,65 ontstaan.
Aldus schiet [gedaagde] jegens Rev’it! toerekenbaar tekort in de nakoming van haar financiële verplichtingen jegens Rev’it! [gedaagde] is gesommeerd tot betaling van de openstaande facturen, maar [gedaagde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
- Op grond van artikel 8 lid 3 van Pro de AV is [gedaagde] over de achterstallige factuurbedragen rente verschuldigd vanaf de successievelijke vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling. Deze rente beloopt 1,5% per maand. Subsidiair vordert Rev’it! de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW en meer subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro.
- Over de hoogte en de betaling van [gedaagde] ’s betalingsachterstand hebben Rev’it! en [gedaagde] herhaaldelijk en langdurig gesproken, onder andere via tussenkomst van Rev’it!’s [land] handelsagent en [land] advocaten, die van 2 april 2019 tot en met 30 december 2020 met elkaar hebben gecorrespondeerd.
[gedaagde] verkeert in verzuim en is op grond van artikel 8 lid 4 van Pro de AV buitengerechtelijke invorderingskosten verschuldigd gelijk aan 15% van de hoofdsom, zijnde een bedrag van € 4.093,30, subsidiair op grond van art. 6:96 lid 2 sub c BW Pro een bedrag berekend conform de Wet Incassokosten.
- Rev’it! vordert vergoeding van de vertaalkosten die zij heeft moeten maken voor vertaling van de dagvaarding in de [land] taal, nu zij op grond van de geldende wetgeving gehouden is voor vertaling daarvan zorg te dragen.
e. Rev’it! heeft belang bij het verzochte certificaat, nu [gedaagde] gevestigd is in [land] . Daar wil Rev’it! het vonnis ten uitvoer kunnen leggen, indien [gedaagde] er niet vrijwillig aan voldoet.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rev'it!, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rev'it!, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Rev'it! in de kosten van deze procedure.
4.4.
In aanvulling op haar stellingen en standpunten waarover in het incidenteel vonnis al is beslist, voert [gedaagde] het volgende aan.
- [gedaagde] betwist de gefactureerde zaken geleverd te hebben gekregen. Rev’it! heeft geen bewijs overgelegd van de levering van de kleding die wordt gefactureerd;
- Voor wat betreft het aan hoofdsom gevorderde bedrag is de vordering ondeugdelijk onderbouwd. Immers:
(i) Niet alle gevorderde facturen zijn overgelegd;
(ii) De als productie 2 overgelegde facturen sluiten niet aan bij het als productie 1 overgelegde overzicht van de facturen;
(iii) Rev’it! heeft niet alle door [gedaagde] geplaatste en met de overgelegde facturen corresponderende orders overgelegd. Orders, facturen en het overzicht van de facturen corresponderen (dus) niet met elkaar. De administratie van Rev’it! is niet op orde.
- De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten worden afgewezen, omdat:
(i) het bedrag buitensporig is, waardoor het betreffende beding uit de AV onredelijk is en buiten toepassing moet blijven; en
(ii) er geen buitengerechtelijke inspanningen zijn gesteld of gebleken. Er zijn geen aanmaningen overgelegd en er is rauwelijks gedagvaard.
- Nu er geen aanmaningen zijn overgelegd, kan niet worden gesteld dat [gedaagde] in verzuim verkeerde, zodat rente niet kan worden toegewezen.
De contractuele rente is buitensporig hoog gezien de negatieve rentepercentages van de afgelopen jaren. Het rentepercentage moet daarom buiten toepassing worden gelaten subsidiair gematigd worden;
- [gedaagde] betwist dat de bij de dagvaarding overgelegde factuur voor de vertaalkosten betrekking heeft op deze zaak;
- Het verzochte certificaat ex art. 53 van Pro Brussel I-bis is overbodig, aangezien [gedaagde] heeft verklaard vrijwillig aan het te wijzen vonnis te zullen voldoen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van Rev'it! tot betaling van € 23.412,00, vermeerderd met rente en kosten.
4.7.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
- Door de jarenlange distributierelatie tussen partijen is een onbenoemde duurovereenkomst ontstaan, die erop neerkwam dat er voor een langere periode over en weer structureel verplichtingen bestonden.
- De duurovereenkomst tussen partijen was weliswaar opzegbaar maar op grond van de redelijkheid en billijkheid diende:
(i) een voldoende zwaarwegende grond daarvoor aanwezig te zijn;
(ii) een opzegtermijn in acht te worden genomen; of
(iii) schadevergoeding aan [gedaagde] te worden betaald.
Rev’it! heeft geen opzegtermijn in acht genomen en dient dus schadevergoeding te betalen.
- Voor zover Rev’it! de overeenkomst heeft ontbonden wegens tekortschieten van de zijde van [gedaagde] geldt dat voor ontbinding van de duurovereenkomst op grond van art. 6:265 BW Pro niet-nakoming/tekortschieten door [gedaagde] is vereist.
Daarnaast dient de nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk te zijn of dient [gedaagde] in verzuim te zijn. Aan geen van deze voorwaarden voor ontbinding is voldaan.
- Voor zover [gedaagde] tekortgeschoten is, is haar tekortkoming te gering om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen, gezien:
(i) het handelsvolume;
(ii) het aantal jaren dat de relatie naar tevredenheid van beide partijen heeft geduurd; en
(iii) de exclusiviteit van de relatie tussen [gedaagde] en Rev’it!
- [gedaagde] mocht er op vertrouwen dat de samenwerking niet met onmiddellijke ingang zou worden beëindigd, alwaar de leveranties van Rev’it! een aanzienlijk deel van de omzet van [gedaagde] vertegenwoordigden. In die zin was [gedaagde] voor haar bedrijfsvoering op enige wijze afhankelijk van de voortzetting van de overeenkomst met Rev’it!
- Alles overziend, acht [gedaagde] een opzegtermijn van zes maanden redelijk. Rev’it! heeft vanaf 11 april 2016 tot en met 21 februari 2019 9 (34 maanden) bij [gedaagde] een omzet geboekt van € 132.666,54. De maandelijkse omzet bedroeg € 3.902 en de door Rev’it! verschuldigde schadevergoeding bedraagt daarmee 6 × € 3.902 = € 23.412, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 februari 2019.
4.8.
Rev'it! voert verweer. Rev'it! concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.9.
Rev'it! voert het volgende aan.
- Er bestond geen duurovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben alleen sinds 2008 losse koopovereenkomsten met elkaar gesloten via het onlinebestelsysteem van Rev’it!, waar [gedaagde] bestellingen plaatste. Iedere bestelling vertegenwoordigde een op zichzelf staande transactie en [gedaagde] was nooit verplicht om regelmatig bestellingen te plaatsen. Er waren ook tijdsperioden waarin [gedaagde] helemaal geen bestellingen plaatste. Omgekeerd bestond er voor Rev’it! geen verplichting tot het afsluiten van koopovereenkomsten met [gedaagde] of het accepteren van haar bestellingen. Het is voorgekomen dat Rev’it! orders van [gedaagde] weigerde;
- Rev’it! betwist dat haar motorkleding een aanzienlijk deel van de omzet van [gedaagde] uitmaakte. [gedaagde] verkocht motorkleding van verschillende partijen en kon eenvoudigweg modekleding van een andere leverancier inkopen en verkopen.
[gedaagde] was voor haar bedrijfsvoering dus niet afhankelijk van Rev’it!
c. De handelsrelatie is niet met onmiddellijke ingang beëindigd. [gedaagde] is geruime tijd verzocht om betalingen te doen. Rev’it! heeft het account van [gedaagde] al eens eerder geblokkeerd wegens betalingsproblemen. Partijen hadden al geruime tijd discussie over de hoogte van de onbetaalde facturen en de betaling ervan, maar kwamen niet tot een oplossing. Vanwege de betalingsachterstand zijn openstaande orders van [gedaagde] geannuleerd. Rev’it! mocht dat op grond van artikel 8 lid 3 van Pro de AV doen.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Inleiding
5.1.
In conventie staat de vraag centraal of [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens Rev’it! en, zo ja, voor welk bedrag. [gedaagde] heeft dat in haar conclusie van antwoord in conventie betwist en zij heeft bij die gelegenheid gewezen op ogenschijnlijke inconsistenties in de onderbouwing van Rev’it’s vordering aan hoofdsom. Deze onderbouwing oogde inderdaad op het eerste gezicht erg onoverzichtelijk. Honderden pagina’s in de [land] taal gestelde facturen, orderbevestigingen en onduidelijke overzichten van eveneens honderden regels vol nummers en bedragen maakten (de hoogte van) Rev’it!’s vordering niet direct voldoende inzichtelijk. Wat het verband was tussen diverse stukken, bijvoorbeeld het als productie 1 door Rev’it! overgelegde overzicht “overzicht uit de administratie van Rev'it!” en het als productie 7 overgelegde “compleet rekeningoverzicht”, werd niet duidelijk.
[gedaagde] ’s betwisting bracht Rev’it! ertoe om bij haar conclusie van antwoord in reconventie en wijziging van eis in conventie wederom honderden pagina’s aan rekeningoverzichten, facturen en orderbevestigingen over te leggen, met inbegrip van een overzicht dat alle van 2008 tot en met 2019 verzonden facturen, creditfacturen, chequebetalingen en bankoverboekingen zou weergeven.
Aan de andere kant was de [gedaagde] ’s betwisting dat zij geen van de gefactureerde zaken had ontvangen niet onderbouwd en zonder nadere toelichting ook niet erg geloofwaardig in het licht van de talrijke door Rev’it! overgelegde afleverbonnen van transporteurs.
5.2.
De rechtbank heeft daarom op 14 augustus 2025 per e-mail een regiebrief tevens houdende het bevel aan de advocaten toegezonden, teneinde te komen tot een inzichtelijke presentatie van het geschil. Dat e-mailbericht vermeldt onder andere:
“Voor een goed verloop van de mondelinge behandeling is het noodzakelijk dat partijen de rechtbank in staat stellen om zich een oordeel te vormen over de geschilpunten.
Om de mondelinge behandeling gestructureerd en zinvol te kunnen laten verlopen volgt op de voet van artikel 22 Rv Pro. onderstaande instructie aan u beiden.
De rechtbank wil dat u beiden in onderling overleg en samenwerking komt tot een inventarisatie en waar mogelijk beoordeling van de door Rev aan haar vordering ten grondslag gelegde orders, leveranties en verzonden facturen enerzijds en de gestelde (deel)betalingen door [gedaagde] en eventueel resterende betwistingen of weren van [gedaagde] anderzijds. Het is uw beider verantwoordelijkheid, in de context van artikel 21 Rv Pro en artikel 22 lid 1 Rv Pro, uw standpunten deugdelijk te structureren en te presenteren, zodat de rechtbank het vereiste inzicht heeft.
De rechtbank stelt zich op dit punt voor dat mr. Van Loon, ongetwijfeld met ondersteuning van de financiële afdeling van Rev of desnoods de accountant van Rev,uiterlijk op 1 september 2025aan mr. Dorgelo in bewerkbare vorm een in landscape af te drukken tabel (of bij voorkeur een Excelbestand), toezendt dat van de facturen kolomsgewijs in ieder geval de volgende gegevens bevat: (1) ordernummer, (2) factuurnummer, (3) nummer afleverbon.
Per volgens Rev openstaande factuur dienen order, factuur en afleverbon ook bijgevoegd te worden. Weliswaar zijn volgens Rev alle facturen en afleverbonnen al eens overgelegd, maar op deze wijze is een gestructureerde beoordeling per factuur mogelijk zonder dat heen en weer gebladerd moet worden tussen verschillende documenten. Per factuur worden van de zijde van Rev bij het overzicht dus in ieder geval drie bijlagen gevoegd.
Het is vervolgens aan mr. Dorgelo en [gedaagde] om de overgelegde tabel en de daarbij gevoegde stukken te controleren en in afzonderlijke kolommen van hetzelfde overzicht aan te geven (4) of de factuur is ‘betwist’, (5) zo ja, wat de reden daarvan is, (6) of de factuur is betaald en (7) zo ja, wanneer.
Achter iedere factuur dienen door [gedaagde] bescheiden bijgevoegd te worden ter onderbouwing van de ‘betwisting’ dan wel de gestelde betaling.
Vervolgens zendt mr. Dorgelouiterlijk 15 september 2025de aangevulde tabel met de gecombineerde bescheiden (zowel de door mr. Van Loon achter de tabel gevoegde bescheiden als de door haar zelf achter de tabel gevoegde bescheiden) aan mr. Van Loon en de rechtbank.
Het overzicht bevat in deze fase dus zeven kolommen voor (1) ordernummer, (2) factuurnummer, (3) nummer afleverbon, (4) ‘betwisting’ ja/nee, (5) eventuele reden voor ‘betwisting’, (6) betaling ja/nee en (7) eventuele datum van betaling, waarvan er in beginsel steeds vijf zijn ingevuld.
De bijlagen bij het overzicht bestaan uit order, factuur, afleverbon, eventuele onderbouwing betwisting en eventueel betalingsbewijs. Deze bijlagen worden overeenkomstig de nummering hierboven van een nummer voorzien, zodat direct duidelijk is in welke categorie het document moet worden bezien.
Gelet op de omvang van het geheel, zal verzending van een digitaal bestand per Zivver vooralsnog volstaan.”
5.3.
Alleen zijdens Rev’it! is tijdig uitvoering gegeven aan het bevel. De rechtbank verwijst naar de overgelegde producties 24 en 25.
Tijdens de mondelinge behandeling is hierover besproken dat deze producties leidend zijn bij de beoordeling van Rev’it!’s vordering en dat de door Rev’it! eerder overgelegde producties 1, 2, 3, 7, 12, 15, 16, 17, 22 en 23 buiten beschouwing gelaten kunnen worden.
Mr. Dorgelo heeft op zondagavond 5 oktober 2025 om 23.31 en op maandagmorgen 6 oktober 2025 om 9.48 nog stukken toegezonden voor de mondelinge behandeling die 6 oktober 2025 om 9.00 begon. Een adequate toelichting voor deze gang van zaken is niet gegeven.
De rechtbank heeft deze stukken niet geaccepteerd aangezien zij buiten de in het bevel en in de wet gestelde termijnen zijn ingediend en aangezien er met het oog op de goede procesorde geen redenen zijn om de stukken te accepteren. De rechtbank heeft dan ook geen kennisgenomen van deze stukken.
De hoofdsom
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat Rev’it! met de bescheiden die zij ter uitvoering van het bevel op gestructureerde wijze heeft overgelegd haar vordering voor wat betreft de hoofdsom voldoende en inzichtelijk heeft onderbouwd. Per factuur heeft Rev’it! een opdrachtbevestiging en een afleverbon overgelegd. Voor zover enkele afleverbonnen ontbreken, is de door Rev’it! tijdens de mondelinge behandeling gegeven verklaring daarvoor (DPD bewaart dergelijke bonnen pas enkele maanden en [gedaagde] heeft te laat geklaagd) plausibel en ook niet voldoende toegelicht door [gedaagde] betwist.
In het bijzonder is de rechtbank gelet op de talrijke afleverbonnen van transporteurs die Rev’it heeft overgelegd van oordeel dat [gedaagde] ’s betwisting dat zij de gefactureerde zaken heeft ontvangen als onvoldoende gemotiveerd van de hand moet worden gewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling is zijdens Rev’it! ook gesteld dat in de contacten tussen de [land] advocaten van partijen nooit is gesproken over het niet geleverd zijn van zaken, wat voor de hand gelegen zou hebben indien dit een reëel bezwaar van [gedaagde] geweest zou zijn. Dat is zijdens [gedaagde] niet betwist.
Andere verweren ten aanzien van de hoofdsom heeft [gedaagde] niet gevoerd.
5.5.
Het als productie 24 overgelegde Excelbestand sluit met een bedrag aan openstaande facturen van € 30.518,34. Daarop strekt volgens het bestand een bedrag van € 3.229,75 ter zake van creditfacturen in mindering. Al met al resteert dus een bedrag van € 27.288,59 opeisbaar door Rev’it! van [gedaagde] te vorderen. De rechtbank zal dat bedrag dan ook als hoofdsom toewijzen.
Rente
5.6.
De gevorderde rente zal de rechtbank ook toewijzen.
Het door Rev’it gehanteerde percentage van 1,5% per maand vloeit voort uit artikel 8 lid 3 van Pro de AV. Deze algemene voorwaarden maken, zoals de rechtbank al in het incidenteel vonnis heeft overwogen, deel uit van de overeenkomsten tussen Rev’it! en [gedaagde] en aldus is [gedaagde] gehouden deze rente te betalen. Deze rente is wellicht hoog, maar in een zakelijke relatie en ten opzichte van de wettelijke handelsrente niet zodanig hoog dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
De verwijzing door [gedaagde] naar negatieve rentepercentages van de “afgelopen jaren” kan haar niet baten. Deze negatieve rentepercentages hebben zich niet continu voorgedaan en waren ook alleen van toepassing op spaartegoeden. Voor bedrijfsfinanciering diende nog steeds rente betaald te worden. De wettelijke handelsrente was in de relevante periodes hoog en de achtergrond van deze rente is dat bedrijven tijdig moeten betalen. Doordat [gedaagde] Rev’it! niet betaalde, voorzag Rev’it! [gedaagde] in feite van leverancierskrediet.
De rechtbank verwerpt [gedaagde] ’s betoog dat, nu er geen aanmaningen zijn overgelegd, niet kan worden (vast)gesteld dat [gedaagde] in verzuim verkeerde, zodat rente niet kan worden toegewezen.
Zoals Rev’it heeft betoogd, gelden de overeengekomen betalingstermijnen als fatale termijnen. Bij overschrijding daarvan treedt van rechtswege verzuim in.
5.7.
Wat betreft het bedrag van de verschuldigde rente heeft Rev’it! als productie 26 een uitgebreide rentespecificatie overgelegd. Volgens de toelichting in de akte betreft het hier een berekening van de rente die per openstaande factuur is verschuldigd vanaf de respectievelijke vervaldata tot 6 oktober 2025. De totale rentevordering van Rev’it! bedraagt volgens deze specificatie op 6 oktober 2025 € 34.962,96.
Tijdens de mondelinge behandeling is noch deze berekeningsmethode noch het bedrag van de zijde van [gedaagde] betwist, zodat de rechtbank ook dit bedrag zal toewijzen, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 27.288,65 vanaf 6 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Buitengerechtelijke invorderingskosten
5.8.
Het door Rev’it! ter zake van buitengerechtelijke invorderingskosten gevorderde bedrag van € 4.093,30 is eveneens toewijsbaar.
De verschuldigdheid van deze post vloeit voort uit artikel 8 lid 4 van Pro de AV. Deze algemene voorwaarden maken, zoals de rechtbank al in het incidenteel vonnis heeft overwogen, deel uit van de overeenkomsten tussen Rev’it! en [gedaagde] en aldus is [gedaagde] gehouden deze kosten te betalen.
Uit de door Rev’it! overgelegde stukken blijkt in voldoende mate van een redelijk langdurig en inhoudelijk overlegproces tussen Rev’it!, haar [land] agent en haar [land] advocaat enerzijds en [gedaagde] en haar [land] advocaat anderzijds. Tegen die achtergrond komt het gevorderde bedrag de rechtbank niet onredelijk voor.
[gedaagde] heeft niet nader onderbouwd waarom dit bedrag buitensporig zou zijn. [gedaagde] ’s stelling dat Rev’it! rauwelijks heeft gedagvaard is aantoonbaar niet juist en tegen beter weten in geponeerd.
Vertaalkosten
5.9.
De door Rev’it! gevorderde vergoeding voor de gemaakte vertaalkosten acht de rechtbank tot een bedrag van € 465 toewijsbaar als onderdeel van de proceskosten. De noodzaak voor de vertaling is door [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] heeft alleen betwist dat de als productie 6 overgelegde factuur van een vertaalbureau aan het kantoor van mr. Van Loon betrekking had op de vertaling van de aan [gedaagde] uitgebrachte dagvaarding.
In reactie hierop heeft mr. Van Loon tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de betreffende factuur betrekking heeft op de onderhavige zaak. Dat is zijdens [gedaagde] niet meer betwist.
In het door Rev’it! gevorderde bedrag van € 562,65 is een bedrag van € 97,65 aan omzetbelasting begrepen. Dit laatste bedrag is voor Rev’it! als onderneming als voorbelasting aftrekbaar en vormt daarom geen schade.
Totaalbedrag vordering
5.10.
Uit het voorgaande vloeit voort dat [gedaagde] aan Rev’it! moet betalen:
Hoofdsom € 27.288,65
Rente tot 6 oktober 2025 € 34.962,96
Buitengerechtelijke invorderingskosten
€ 4.093,30
Totaalbedrag € 66.344,91
te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 27.288,65 vanaf 6 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Certificaat
5.11.
De rechtbank zal bepalen dat de griffier het verzochte certificaat ex art. 53 Brussel Pro I-bis aan Rev’it! afgeeft. Nu [gedaagde] in [land] gevestigd is, heeft Rev’it! belang bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis tegen [gedaagde] in [land] . Het verzochte certificaat vergemakkelijkt dat en daarom geldt Rev’it! als belanghebbende in de zin van artikel 53 van Pro deze verordening.
Artikel 53 van Pro genoemde verordening bepaalt dat de rechtbank op verzoek van een belanghebbende partij het certificaat afgeeft. De rechtbank heeft daarin geen discretionaire ruimte, anders dan de toetsing of het geding onder de werkingssfeer van deze verordening valt.
De Brussel I bis-Verordening is blijkens art. 1 lid Pro 1, eerste volzin, van toepassing op ‘burgerlijke en handelszaken’. De term ‘burgerlijke en handelszaken’ is een verordeningsautonoom begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van enerzijds de doelstellingen en het stelsel van de verordening zoals onder andere tot uitdrukking komend in de considerans van de verordening, en anderzijds de algemene beginselen die in alle rechtsstelsels van de lidstaten tezamen te vinden zijn. Of een onderwerp valt onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van art. 1 lid Pro 1, wordt in het bijzonder bepaald door de aard van de rechten die door de desbetreffende procedure worden gewaarborgd. [2] In de rechtspraak van het HvJ EU wordt een ruime uitleg van het begrip ‘burgerlijke en handelszaak’ voorgestaan. [3]
Gelet op de aard van het geschil (de betaling van door een ondernemer aan een andere ondernemer geleverde zaken) is de Brussel I bis-Verordening op dit geschil van toepassing. [gedaagde] heeft dat overigens ook niet betwist.
5.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rev'it! worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
103,33
- griffierecht
2.837,00
- vertaalkosten
465,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.116,33
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.14.
De rechtbank wijst de reconventionele vordering van [gedaagde] af en legt hieronder uit waarop die beslissing is gebaseerd.
5.15.
[gedaagde] heeft aan haar vordering tot schadevergoeding het bestaan van een duurovereenkomst met Rev’it! een grondslag gelegd. Rev’it! heeft het bestaan van die duurovereenkomst gemotiveerd betwist.
Op dit punt is mr. Dorgelo tijdens de mondelinge behandeling over de invulling van de gestelde duurovereenkomst de vraag gesteld wat die concreet voor verplichtingen over en weer zou hebben meegebracht. Daarop is geen adequaat antwoord gegeven. Op de vraag of er een minimale afnameverplichting was, is geantwoord
“Er zijn nooit eisen gesteld aan elkaar.”
Hiermee is bevestigd dat er geen sprake was van een duurovereenkomst. Uit een dergelijke overeenkomst vloeien immers wel rechten en plichten voort.
Hooguit was sprake van een langdurige handelsrelatie, maar die was niet van een zodanige aard, gelet op de (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid, dat de door [gedaagde] gestelde voorwaarden voor beëindiging daarop van toepassing zijn. Niets is gesteld over investeringen van [gedaagde] die niet kunnen worden terugverdiend of over andere prestaties over en weer, anders dan koop en verkoop.
Ook voor het overige zijn de door [gedaagde] aan deze vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden na de gemotiveerde betwisting door Rev’it! niet nader onderbouwd.
5.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rev'it! worden begroot op:
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.711,00
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.18.
Ook voor wat betreft de proceskosten in reconventie heeft Rev’it! verzocht om afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 van Pro Brussel I-bis. Conform hetgeen hierboven is geoordeeld in r.o. 5.11 zal het certificaat ook voor deze vordering worden afgegeven aan Rev’it!

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Rev'it! te betalen een bedrag van € 66.344,91, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 27.288,65 vanaf 6 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.116,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
6.3.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.711,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank ten behoeve van Rev’it! met betrekking tot dit vonnis een certificaat als vermeld in art. 53 van Pro Brussel I-bis afgeeft,
6.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.1, 6.2, 6.4, 6.5, 6.6 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.In het incidenteel vonnis is al beslist over de toepasselijkheid van Rev’it!’s algemene voorwaarden en in het verlengde daarvan over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toe te passen Nederlands recht.
2.HvJ EG 17 november 1998, C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, NJ 1999/339 (Van Uden/Deco-Line).
3.Zie o.a. HvJ EU 28 februari 2019, C-579/17, ECLI:EU:C:2019:162, NJ 2019/160 (BUAK/Korana) en HvJ EU 25 maart 2021, C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236 (Obala/NLB Leasing)