ECLI:NL:RBOBR:2026:4630

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
01.248532.20
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 SvArt. 6 EVRMArt. 11 lid 5 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing vervolging wegens onvermogen verdachte effectief deel te nemen aan strafproces door ALS

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die wordt verdacht van grootschalige hennepteelt, deelname aan een criminele organisatie, cocaïnehandel en witwassen. De zaak is complex en omvat meerdere feiten en internationale elementen.

Verdachte lijdt aan amyotrofische laterale sclerose (ALS), waardoor hij volledig afhankelijk is van zorg, niet kan spreken of langdurig zitten, en concentratieproblemen heeft. De raadsman verzocht om schorsing van de vervolging omdat verdachte niet effectief kan deelnemen aan de strafprocedure, mede gezien de omvang en complexiteit van de zaak.

De officieren van justitie erkenden de ernstige fysieke beperkingen maar stelden dat onvoldoende is vastgesteld of verdachte de strekking van de vervolging niet kan begrijpen. De rechtbank oordeelde dat artikel 16 Sv Pro niet alleen ziet op psychische stoornissen maar ook op het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro.

Gezien de medische situatie en de complexiteit van de zaak kan verdachte niet effectief deelnemen aan de inhoudelijke zitting, geen verklaring afleggen, noch adequaat overleggen met zijn raadsman. Daarom schorst de rechtbank de vervolging in de huidige stand van zaken.

Uitkomst: De vervolging van verdachte wordt geschorst wegens zijn onvermogen om effectief deel te nemen aan het strafproces door ALS.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.248532.20
Datum uitspraak: 23 juni 2026.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1978] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2021, 13 april 2021 en 23 juni 2026.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 december 2020.
Aan verdachte is, nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 23 juni 2026 is gewijzigd op de voet van artikel 314a Sv ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 maart 2020 tot en met 14 juni 2020 te Veldhoven en/of Eindhoven en/of Geldrop en/of Nuenen en/of Dussen en/of Helmond en/of Hank, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een grote hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet), te weten (in totaal) circa 1.288 kilo hennep, althans een grote hoeveelheid, (natte en/of droge) hennep en/of circa 2.760, althans een groot aantal, hennepstekken, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
ten aanzien van feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2019 tot en met 6 oktober 2020 te Veldhoven en/of Eindhoven en/of Geldrop en/of Nuenen en/of Hank, althans in Nederland, en/of België
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe behoorden:
  • verdachte en/of
  • [medeverdachte 1] en/of
  • [medeverdachte 2] en/of
  • [medeverdachte 3] en/of
  • [medeverdachte 4] en/of
  • [medeverdachte 5] en/of
  • [medeverdachte 6] , en/of
  • [medeverdachte 7] , en/of
  • [medeverdachte 8]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde Pro en/of vierde en/of vijfde lid Opiumwet, zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

ten aanzien van feit 3:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 13 september 2020 te Veldhoven en/of Elsloo en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Nuenen en/of Zeeland, althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België en/of Quito en/of Guayaquil en/of Posorja en/of Huaquillas, althans in Ecuador en/of in Panama en/of Cartagena, althans in Colombia, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een grote hoeveelheid) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
  • een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
  • zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
- (
(Encrochat)gesprekken gevoerd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met een persoon (in Zuid-Amerika) (bekend onder de Encrochat-gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 1] ”) waarin hij, verdachte:
* informeert naar de mogelijkheden van het per cargovlucht (van KLM) vervoeren van postzakken van Quito naar Amsterdam en/of
* informeert naar de mogelijkheden van een lijn van Zuid-Amerika naar (de haven in) Antwerpen en/of
* informeert naar de wijze van het (in Ecuador) aan boord (van een schip/boot) brengen van de lading en/of informeert naar de planning van het werk en/of informeert naar de planning van het vertrek van het/de schip/boot en/of aangeeft een aanbetaling te hebben gedaan en/of
  • een (aan)betaling gedaan (van circa € 73.850,00) ten behoeve van een transport (per schip/boot) van een hoeveelheid cocaïne (zie Encrochatberichten met “ [gebruikersnaam 1] ” d.d. 29-05-2020) en/of
  • (een) geldbedrag(en) (van circa € 73.850,00) afgeleverd te Elsloo en/of
  • een geldbedrag van circa 20.000,00 dollar of een equivalent daarvan in euro’s afgeleverd te Amsterdam en/of
  • (een) geldbedrag(en) (van circa € 35.000,00) afgeleverd te Rotterdam en/of
  • (een) geldbedrag(en) (van circa € 31.090,00) opgehaald te Zeeland en/of
  • (Encrochat)gesprekken gevoerd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met een of meer perso(o)n(en) (bekend onder de Encrochat-gebruikersna(a)m(en) “ [gebruikersnaam 1] ” en/of “ [gebruikersnaam 2] ” en/of “ [gebruikersnaam 3] ” en/of “ [gebruikersnaam 4] ” en/of “ [gebruikersnaam 5] ” en/of “ [gebruikersnaam 6] ”) met betrekking tot het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of
  • (Encrochat)gesprekken gevoerd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met een of meer perso(o)n(en) (bekend onder de Encrochat-gebruikersna(a)m(en) “ [gebruikersnaam 3] ” en/of “ [gebruikersnaam 4] ”) met betrekking tot (de) deklading(en) voor het vervoeren van een hoeveelheid cocaïne;
ten aanzien van feit 4:hij, op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 oktober 2020, te Nuenen en/of Veldhoven Eindhoven en/of en/of Oirschot, in elk geval in Nederland, en/of in Spanje en/of in Dubai en/of Mauritius en/of Zwitserland en/of Malta en/of Liechtenstein, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen, althans eenmaal (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) (van) (een) voorwerp(en) te weten onder meer:
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 75.805,00, althans enig geldbedrag (zie DOC-0195) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 100.000,00, althans enig geldbedrag (zie AMB-253) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 50.000,00, althans een bedrag van circa € 23.000,00 en/of € 27.000,00, althans enig geldbedrag (zie AMB-210 t/m 210D) en/of
  • een of meer panden, te weten twee appartementen en/of twee garageboxen, gelegen op het adres [adres 2] te Torremolinos (Spanje) (zie SFO-DOC-003) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 27.500,00, althans enig geldbedrag (zie AMB-168) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 11.495,00, althans enig geldbedrag (zie AMB-359 verband houdend met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 20.792,64, althans enig geldbedrag (zie AMB-359 verband houdend met [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ) en/of
  • een geldbedrag van (in totaal) circa € 350.000,00, althans enig geldbedrag (zie AMB-338)
(sub a)
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel – heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren,
en/of
(sub b)
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans
redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
ten aanzien van feit 5:
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2017 tot en met 6 oktober 2020 te Veldhoven en/of Nuenen en/of Geldrop en/of Roermond en/of Brussel en/of Lille en/of Bangui en/of Dubai en/of München en/of Kampala, in ieder geval in Nederland en/of België en/of Frankrijk en/of de Centraal Afrikaanse Republiek en/of Sao Tomé e Principe en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of Duitsland en/of Oeganda heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en een rechtspersoon, waartoe behoorden:
  • -verdachte en/of
  • - [medeverdachte 9] en/of
  • - [medeverdachte 10] en/of
  • [medeverdachte 1] en/of
  • [medeverdachte 11]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

  • omkoping (artikel 177 juncto Pro 178a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
  • witwassen (artikel 420bis en/of 420bis.1 en/of 420ter van het Wetboek van Strafrecht) (zie AMB-325)
zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging.

Het verzoek van de verdediging.
Ter terechtzitting van 23 juni 2026 heeft de raadsman van verdachte verzocht om schorsing van de vervolging van verdachte. Verdachte lijdt aan amyotrofische laterale sclerose (hierna: ALS). Ten gevolge van deze aandoening is verdachte 24 uur per dag aan zijn bed gekluisterd en is hij volledig afhankelijk van de hulp en ondersteuning van anderen bij alle dagelijkse handelingen. Verdachte kan niet langdurig zelfstandig ademen en ligt daardoor continu aan de beademing. Verdachte kan niet langdurig spreken en kan maximaal 2 uur in een rolstoel zitten. Verder is sprake van concentratieproblemen. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting toegelicht hoe hij zijn contacten met verdachte heeft ervaren en heeft verwezen naar de inhoud van een brief van de huisarts van verdachte en een emailbericht van een bij de verzorging van verdachte betrokken verpleegkundig specialist van het Maastricht UMC van 10 juni 2026.
Gelet op de inhoud van die stukken en op basis van zijn eigen waarnemingen en ervaringen met verdachte, is de raadsman van mening dat verdachte niet in staat is om effectief deel te kunnen nemen aan de strafprocedure. Verdachte kan niet fysiek ter zitting verschijnen. Verder is zinvol overleg tussen verdachte en advocaat, mede gezien de omvang en complexiteit van de zaak, niet mogelijk. Subsidiair heeft de raadsman van verdachte verzocht tot aanhouding van de strafzaak voor het benoemen van één of meer deskundigen. Deze deskundigen zouden dan een oordeel kunnen geven over de fysieke en mentale gezondheid van verdachte.
Het standpunt van de officieren van justitie.
De officieren van justitie hebben naar voren gebracht dat verdachte binnen het dossier wordt gezien als hoofdverdachte. In dat kader is ook een ontnemingszaak aanhangig. Vervolging dient daarom, aldus de officieren van justitie, indien mogelijk voortgezet te worden. De officieren van justitie betwisten niet dat verdachte kampt met zeer ernstige fysieke beperkingen zoals die blijken uit de door de raadsman overgelegde stukken. Zij zijn echter van mening dat uit de brief van de huisarts en het emailbericht van de verpleegkundig specialist onvoldoende blijkt of verdachte op dit moment nog in staat kan worden geacht om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Gelet hierop hebben de officieren van justitie zich aangesloten bij het subsidiaire verzoek van de raadsman.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van artikel 16 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is de rechter verplicht, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging te schorsen indien de verdachte aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De ratio van deze voor de rechter dwingende regel ligt in een van de beginselen van het strafprocesrecht, namelijk dat de verdachte gedurende zijn berechting in de gelegenheid en in staat moet zijn, zijn verdediging te (doen) voeren. Wanneer dat niet zo is, gebiedt artikel 16 Sv Pro dat de vervolging wordt geschorst.
Op basis van de thans voorhanden zijnde stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte op dit moment niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen op grond van psychische problematiek, een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 16 Sv Pro. In zoverre is de rechtbank het eens met het standpunt van de officieren van justitie.
De rechtbank is echter van oordeel dat de reikwijdte van artikel 16 Sv Pro verder strekt dan de letterlijke tekst suggereert. Als de bepaling wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 6 EVRM Pro en het daarin neergelegde recht op een eerlijk proces, dan is er namelijk ook aanleiding om de vervolging te schorsen als verdachte gelet op zijn medische beperkingen niet in staat is om effectief aan de strafprocedure deel te nemen.
Op basis van de door de verdediging overgelegde medische informatie is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet in staat is om op verantwoorde wijze deel te nemen aan de inhoudelijke zitting, dit mede gelet op de omvang en complexiteit van de zaak en de verwachte zittingsduur. Verdachte kan geen verklaring afleggen ter terechtzitting of anderszins naar voren brengen wat hij van belang vindt voor zijn verdediging.
Ook het effectief overleggen met de raadsman, het bepalen van de verdedigingsstrategie en het al dan niet met hulp van en in overleg met de raadsman kennisnemen van de relevante dossierstukken acht de rechtbank niet realistisch.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op dit moment niet effectief kan deelnemen aan het strafproces en zal de rechtbank de vervolging van verdachte schorsen in de stand waarin deze zich thans bevindt.

DE UITSPRAAK

De rechtbank schorst de vervolging van verdachte, [verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 23 juni 2026.