ECLI:NL:RBOBR:2026:4626

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
01-2569663-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van grote hoeveelheden drugs en ernstige verkeersdelicten

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van diverse verdovende middelen, waaronder ruim 26 kilo ketamine, en meerdere ernstige verkeersdelicten. De feiten betreffen onder meer het rijden zonder geldig rijbewijs, weigering tot bloedonderzoek, spookrijden en het overschrijden van een doorgetrokken streep.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer bekennende verklaringen, proces-verbalen en deskundigenrapporten. Verdachte werd vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs. De strafmaat werd bepaald met inachtneming van de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden gericht op gedragsinterventie en behandeling. Daarnaast werd een rijontzegging van 9 maanden opgelegd vanwege de ernstige verkeersovertredingen die levensgevaar veroorzaakten. Verdachte deed afstand van de inbeslaggenomen drugs en auto, en de iPhone werd vrijgegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 18 maanden voorwaardelijk en 9 maanden rijontzegging wegens drugsbezit en ernstige verkeersovertredingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.269663.25, 01.061889.25, 01.238860.25 en 01.044793.26 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2026, 7 april 2026 en 16 juni 2026.
Op de zitting van 16 juni 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 12 december 2025 en 12 mei 2026.
Aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-269663-25, nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juni 2026 is gewijzigd:
feit 1:
hij,
op of omstreeks 10 oktober 2025 te Best, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 6549,8 gram 4-CMC,
- 24,8 gram, zijnde in totaal 53 pillen MDMA,
- 344,3 gram amfetamine,
- 226,1 gram cocaïne,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC, MDMA, cocaïne, amfetamine en/of metamfetamine,
zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij,
op of omstreeks 10 oktober 2025 te Best,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 79,8 gram 2-MMC en/of 1417,29 gram 4-BMC,
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
hij,
op of omstreeks 10 oktober 2025 te Best en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 285,8 gram hennep en/of 228,1 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende THC, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 4:
hij,
op of omstreeks 10 oktober 2025 te Best,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet,
een werkzame stof, te weten ongeveer 26,77 kilogram ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materieel bevattende ketamine in voorraad heeft gehad.;
T.a.v. 01-061889-25:
Hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk 18,97 gram, althans een hoeveelheid ketamine, in elk geval een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub b van de Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad, verkocht, afgeleverd, ter hand gesteld en/of ingevoerd.
T.a.v. 01-238860-25:
feit 1
hij op of omstreeks 29 maart 2025 te Eindhoven, in elk geval
in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
feit 2
hij op of omstreeks 29 maart 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig met [kenteken] heeft gereden op de weg, Huizingalaan te Eindhoven zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
T.a.v. 01-044793-26:
feit 1
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 7,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine, zijnde amfetamie
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
feit 2
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden
als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Randweg-Oost, zich
opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximum snelheid, althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veiligverkeer ter plaatse was geboden en/of
- meermalen althans eenmaal, een doorgetrokken streep te overschrijden en/of
- meermalen, althans eenmaal, over enige afstand spook te rijden

door welke verkeersgedraging(en) van verdachtelevensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden als bestuurder van eenvoertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Randweg-Oost,- heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximum snelheid,althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veiligverkeer ter plaatse was geboden en/of- meermalen althans eenmaal, een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of- meermalen, althans eenmaal, over enige afstand heeft spook gereden, door welke gedraging(en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of hetverkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 3:
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden terwijl hij wist ofredelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Randweg-Oost, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.
Verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij harddrugs, softdrugs en ketamine voorhanden heeft gehad. Het gaat in totaal om ruim 7 kilo aan 4-CMC, MDMA, amfetamine, 2-MMC en 4-BMC, ruim 26 kilo aan ketamine en ruim 500 gram hennep en hasjiesj.
Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij in een personenauto heeft gereden zonder rijbewijs, dat hij in een personenauto heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, dat hij heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek en dat hij zodanig gevaarlijk heeft gereden dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, dan wel dat door zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg kon worden veroorzaakt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 01-044793-26 acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat verdachte zodanig gevaarlijk heeft gereden dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraakoverweging 01.061889.25.
Uit de productbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd d.d. 16 juli 2024 blijkt dat de aangetroffen ketamine voldoet aan de omschrijving van het begrip ‘werkzame stof’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder x.1, van de Geneesmiddelenwet. Dat er sprake is van een geneesmiddel in de zin van artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet is niet bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken ten aanzien van het ten laste gelegde onder dit parketnummer.
Vrijspraakoverweging 01.238860.25 feit 2.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte volgens de tekst van de tenlastelegging wordt verweten dat hij als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de weg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs is afgegeven. De rechtbank stelt op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat aan verdachte wel een rijbewijs is afgegeven, maar dat deze ongeldig is verklaard. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte t.a.v. 01-238860-25 onder feit 2 is ten laste gelegd en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank volstaat gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen, nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen verweer is gevoerd.
T.a.v. 01.269663.25 feiten 1, 2, 3 en 4 [1] :
  • de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 juni 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen​​​​, opgemaakt door [verbalisant 1] op 17 maart 2026, pag. 27 en 28;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] op 15 oktober 2025, pag. 263 en bijlage pag. 267 tot en met 271;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt door [verbalisant 3] , pag. 546;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt door [verbalisant 3] , pag. 555;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een vervolgbeslissing over inbeslagneming, pag. 612, voor zover inhoudende;
  • een proces-verbaal van bevindingen​​​, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op 12 oktober 2025, pag. 278 en 279;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 10] en
[verbalisant 11] op 15 oktober 2025, pag. 298 en 299;
  • een proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2100-2025229625-10 , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 12] , [verbalisant 13] , [verbalisant 3] en [verbalisant 14] op 11 oktober 2025, pag. 48 en 49 en fotoblad pag. 51, 52, 59, 61, 62, 63, 65, 68, 69;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] op 18 maart 2026, pag. 301;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op 12 oktober 2025, pag. 290;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een bevoegdheidsbeoordeling 26-027 d.d. 26 februari 2026 van de IGJ, pag. 366 en 367 en bijlage pag. 370.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
T.a.v. 01.238860.25 feit 1 [2] :
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 juni 2026;
  • een proces-verbaal rijden onder invloed, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] op 29 maart 2025, pag. 8 tot en met 10.
T.a.v. 01.044793.26 [3] :
Feit 1:
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 juni 2026;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving inbeslagneming d.d. 27 juni 2025, pag. 39;
  • een proces-verbaal onderzoek drugs, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en
[verbalisant 15] op 1 juli 2025, pag. 14;
- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport NFiDENT d.d. 15 juli 2025 met zaaknummer 2025.07.15.163, pag. 34.
Feit 2 primair:
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 juni 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] op 6 juli 2025, pag. 6 tot en met 8.
Feit 3:
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 juni 2026;
  • een schriftelijk bescheid, te weten een aangetekende brief van het CBR Divisie Rijgeschiktheid d.d. 10 oktober 2023 gericht aan verdachte, pag. 64;
  • een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] op 6 juli 2025, pag. 6.
Bewijsoverweging t.a.v. 01.044793.26 feit 2 primair.
De rechtbank is van oordeel dat de verkeersgedragingen van verdachte tezamen een ernstige schending van de verkeersregels opleveren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte meerdere gedragingen heeft verricht die zijn genoemd in artikel 5a onder lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Verder acht de rechtbank bewezen dat het opzet van verdachte zowel gericht was op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden daarvan. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders dan dat bij hem sprake was van opzet.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Immers, de verbalisant beschrijft in zijn proces-verbaal dat verdachte meerdere verkeersdeelnemers is tegengekomen. De gedragingen vonden bovendien gedeeltelijk plaats binnen de bebouwde kom en op een tijdstip (rond 21:00 uur) waarop de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers kan worden verwacht. De rechtbank acht verder van belang dat het rijgedrag van verdachte en de weginrichting met zich bracht dat verdachte niet steeds in staat is geweest om adequaat te kunnen reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. Zo heeft verdachte op de verkeerde weghelft gereden terwijl de rijbanen gescheiden waren door middel van een midden geleider, waardoor het voor verdachte onmogelijk was terug te keren naar de juiste rijbaan. Hij is vervolgens een rotonde in tegengestelde richting opgereden. Dit terwijl het zicht op die rotonde was belemmerd door hoge begroeiing op en naast de rotonde. Hij heeft daardoor niet kunnen zien of er tegemoetkomend verkeer aankwam en hier niet op kunnen anticiperen. Uit het dossier volgt ook dat andere verkeersdeelnemers moesten uitwijken voor verdachte. Dat er die avond geen aanrijding heeft plaatsgevonden is niet aan verdachte te danken, maar aan de oplettendheid van de andere verkeersdeelnemers die tijdig hebben kunnen remmen en uitwijken.
De conclusie op grond van deze overwegingen is dat de rechtbank feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
T.a.v. 01-269663-25:
Feit 1:
op 10 oktober 2025 te Best,
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 6549,8 gram 4-CMC,
- 24,8 gram, zijnde in totaal 53 pillen MDMA,
- 344,3 gram amfetamine,
- 226,1 gram cocaïne,
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2:
op 10 oktober 2025 te Best,
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk,
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten 79,8 gram 2-MMC en 1417,29 gram 4-BMC,
aanwezig heeft gehad;
Feit 3:
op 10 oktober 2025 te Best en Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende THC, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Feit 4:
op 10 oktober 2025 te Best,
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk,
zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet,
een werkzame stof, te weten ongeveer 26,77 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad.
T.a.v. 01.238860.25:
Feit 1:
op 29 maart 2025 te Eindhoven, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen.
T.a.v. 01.044793.26:
Feit 1:
op 27 juni 2025 te Reusel, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 7,8 gram amfetamine,
zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2 primair:
op 27 juni 2025 te Reusel, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Randweg-Oost, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximumsnelheid, en
- meermalen een doorgetrokken streep te overschrijden en
- meermalen over enige afstand spook te rijden,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
Feit 3:
op 27 juni 2025 te Reusel, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Randweg-Oost, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, met een groot voorwaardelijke strafdeel, zodat verdachte de hulp en begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van verschillende verdovende middelen en het zonder registratie in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen en illegale geneesmiddelen schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien gaat handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor schade en overlast kan worden toegebracht aan anderen. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker gebruikt als partydrug.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare verkeersfeiten. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft niet alleen veel te hard gereden, hij is ook meermaals over een doorgetrokken streep de andere weghelft op gereden en is spookrijdend een rotonde op gereden. Verdachte mag van geluk spreken dat hij niet frontaal op andere verkeersdeelnemers is gebotst, maar dat is niet aan zijn gedrag te danken. Verdachte is verder als bestuurder van een personenauto de weg op gegaan, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek omdat hij kennelijk, zo heeft verdachte ter zitting verklaard, zwaar onder invloed was van verdovende middelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte
Verdachte was geen onbekende op het gebied van Opiumwetdelicten en verkeersdelicten. Hij heeft een uitgebreid strafblad op beide gebieden. Dit heeft hem niet weerhouden de hiervoor bewezenverklaarde feiten te plegen. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij, anders dan bij de politie, ter zitting open kaart heeft gespeeld en verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen lijkt te nemen. Verdachte heeft zonder terughoudendheid verklaard over de door hem begane strafbare feiten en zijn verslavingsproblematiek. De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 29 mei 2026. Uit dit rapport volgt dat er op meerdere leefgebieden problemen zijn, met name op het gebied van middelengebruik en houding. Verdachte gebruikt al sinds jonge leeftijd drugs. Uit zijn woongeschiedenis, scholing/werk en zijn financiële problemen blijkt dat het verdachte niet goed lukt om zijn leven zonder hulp vorm te geven. Ten tijde van het gesprek met de reclassering bagatelliseerde verdachte de negatieve impact van zijn drugsgebruik op zijn leven. Gelet op zijn verklaring ter terechtzitting lijkt verdachte zich daar nu meer bewust van te zijn. Verdachte heeft ten overstaan van de reclassering en bij de behandeling ter terechtzitting erkend dat het tijd is om hulp te aanvaarden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en hier aan aantal bijzondere voorwaarden aan te koppelen die bestaan uit een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en aflossing van schulden. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven volledig mee te willen werken aan de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.
De op te leggen straf
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het in voorraad hebben van een hoeveelheid ketamine bestaan geen oriëntatiepunten. Echter, omdat dit middel gebruikt en verhandeld wordt als partydrug en het in dat opzicht niet veel verschilt met het aanwezig hebben van harddrugs, heeft de rechtbank hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten ten aanzien van het bezit van harddrugs. Met het aanwezig hebben van ruim 26 kilo ketamine en ruim 8600 gram harddrugs gaat het oriëntatiepunt uit van een gevangenisstraf van tenminste 36 maanden onvoorwaardelijk.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht en met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Het voorwaardelijke deel dient enerzijds als stevige stok achter de deur – om verdachte te laten beseffen dat hij zich geen strafbare feiten kan veroorloven – en anderzijds om de behandeling en overige geadviseerde voorwaarden mogelijk te maken zodat verdachte zijn leven op de rit kan krijgen. De rechtbank zal hiermee een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening heeft gehouden met voornoemde strafmatigende omstandigheden.
Naast een gevangenisstraf is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van de verkeersfeiten en dan met name de overtreding van artikel 5a van de WVW, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden op zijn plaats is. Met de rijontzegging wordt tevens beoogd verkeersdeelnemers te beschermen tegen mogelijke herhaling van gevaarzettend gedrag.

Beslag.

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de aangetroffen drugs, de google telefoon en de personenauto. Daarnaast heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat er geen strafvorderlijk belang meer bestaat voor de inbeslagname van de iPhone en dat deze daarom retour kan naar verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 47 Wetboek van Strafrecht
2, 2a, 3, 10, 10b, 11 Opiumwet
5a, 9, 163, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994
38 Geneesmiddelenwet
1, 2, 6 Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder 01.061889.25 en 01.238860.25 feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
De rechtbank verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. 01.269663.25 feit 1:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
T.a.v. 01.269663.25 feit 2:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
T.a.v. 01.269663.25 feit 3:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
T.a.v. 01.269663.25 feit 4:
Medeplegen van het overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
T.a.v. 01.238860.25 feit 1:
Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
T.a.v. 01.044793.26 feit 1:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
T.a.v. 01.044793.26 feit 2 primair:
Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
T.a.v. 01.044793.26 feit 3:
Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
T.a.v. 01-269663-25 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, 01-044793-26 feit 1, feit 2 primair, feit 3, en 01-238860-25 feit 1:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan
18 maanden voorwaardelijken een
proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Novadic-Kentron op het adres dr. Polatstraat 74-76 te Eindhoven;
- dat de veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus/Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in locatie van Rentree of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- dat de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
T.a.v. 01-044793-26 feit 2 primair, feit 3, 01-238860-25 feit 1:
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Blanken, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025229473.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025067322.
3.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025142657.