Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4584

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
71.086376.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 420bis.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen productie synthetische drugs en eenvoudig witwassen

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van (met)amfetamine en MDMA en aan eenvoudig witwassen. Verdachte bouwde, repareerde en verkocht ketels en onderdelen die specifiek bestemd waren voor de productie van deze synthetische drugs. Uit uitgebreid technisch en forensisch onderzoek, camerabeelden en communicatie bleek overtuigend dat verdachte bewust ketels vervaardigde voor drugslabs.

De rechtbank verwierp het verweer dat verdachte niet wist waarvoor de ketels werden gebruikt, mede vanwege de specifieke constructie van de ketels, de verwijdering van typeplaatjes, het gebruik van zwart folie bij transport en de contante betalingen zonder facturen. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat er geen nauwe samenwerking met een ander was vastgesteld.

Ten aanzien van het witwassen oordeelde de rechtbank dat verdachte contante geldbedragen had ontvangen uit de illegale handel, maar dat niet bewezen kon worden dat hij handelingen had verricht om de herkomst van het geld te verbergen. Daarom werd eenvoudig witwassen bewezen verklaard. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, voor voorbereidingshandelingen productie synthetische drugs en eenvoudig witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [71.086376.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 71.086376.23
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2024, 13 februari 2025 en 15 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 augustus 2024.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 februari 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of (met)amfetamine, zijnde MDMA en/of (met)amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen (sub 2°) en/of
- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),
immers, heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op voornoemd(e) tijdstip(pen) in voornoemde pleegplaats
- vervaardigd en/of hersteld en/of aangepast en/of ter beschikking gehad en/of geleverd en/of verkocht een of meerdere (kookreactie-en/of destillatie)ketel(s) en/of een of meerdere pakkingen en/of een of meerdere thermometers en/of een of meerdere (koel)buizen en/of een of meerdere opvangvaten en/of andere voorwerp(en) bestemd voor de productie/vervaardiging van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of
- in het kader van voormelde activiteiten gecommuniceerd en/of informatie gedeeld en/of afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad;
2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (van) (een) voorwerp (en), te weten (in totaal) 592.000 euro, althans een of meerdere (grote) geldbedrag(en),
(a)
(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld
en/of
(b)
(telkens) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voormeld(e) voorwerp (en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig(e) (eigen) misdrijf/misdrijven,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding
De verdachte wordt er, samengevat, van verdacht dat hij ketels (en onderdelen daarvan) ten behoeve van de productie van (met)amfetamine en MDMA heeft gemaakt, gerepareerd en verkocht en dat hij de opbrengst daarvan heeft witgewassen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van hetgeen onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd. Kort gezegd acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van (met)amfetamine en/of MDMA en gewoontewitwassen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
In de kern komt het verweer van de raadsman ten aanzien van feit 1 erop neer dat verdachte weliswaar enkele ketels heeft gebouwd, mantels heeft aangebracht en reparaties aan ketels en/of toebehoren heeft verricht, maar dat hij niet wist waarvoor deze ketels en ketelonderdelen gebruikt werden.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de ketels uitsluitend bestemd waren voor de productie van (met)amfetamine en/of MDMA. Niet uitgesloten is dat de ketels gebruikt kunnen worden voor de productie van andere middelen, bijvoorbeeld geneesmiddelen of 4-MMC, maar dat is niet ten laste gelegd.
Ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde witwassen meent de raadsman dat niet bewezen kan worden verklaard dat het in de tenlastelegging concreet genoemde bedrag van € 592.000 uit misdrijf afkomstig was. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte over dat bedrag beschikte, en dat hij dit bedrag gewoontegetrouw heeft witgewassen.
Evenmin is gebleken dat verdachte met de door hem ontvangen contante geldbedragen witwashandelingen heeft verricht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit vonnis, welke bijlage als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1: voorbereidingshandelingen

Inleiding
Naar aanleiding van TCI-informatie dat “ [bedrijfsnaam] te Rotterdam al jaren ketels bouwt voor drugslabs” is op 7 maart 2023 het strafrechtelijk onderzoek 26Allan opgestart naar het bedrijf [bedrijfsnaam] en de eigenaar daarvan: verdachte [verdachte] .
In dit onderzoek is een breed scala aan opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, een opname vertrouwelijke communicatie (OVC), het plaatsen van camera’s die gericht stonden op de voorzijde van het bedrijfspand (vanaf 8 juni 2023) en in de werkplaats van [bedrijfsnaam] (vanaf 27 september 2023). Hierbij werden de beelden opgenomen ter identificatie van bezoekende klanten die ketels en/of andere hardware ten behoeve van de productie van synthetische drugs kwamen ophalen. Ook werd er vanaf 13 november 2023 binnengedrongen in het geautomatiseerde camera- en/of beveiligingssysteem van [bedrijfsnaam] .
Op 11 juni 2024 vond de actiedag in het onderzoek 26Allan plaats, waarbij verdachte is aangehouden.
In de periode van 12 september 2021 tot en met 30 juli 2024 zijn er in Nederland vijftien (met)amfetamine en/of MDMA-productie/opslaglocaties ontmanteld waarbij opviel dat een aantal op die locaties aangetroffen ketels op elkaar leken. Volgens onderzoek vertoonden 36 productieketels (of onderdelen daarvan) onderling zoveel gelijkenissen dat deze door een en dezelfde bouwer gemaakt moesten zijn. Van één ketel met hetzelfde uiterlijk is middels foto-opnamen in de telefoon van verdachte vast komen te staan dat hij deze in december 2022 in zijn bedrijfspand in Rotterdam heeft vervaardigd.
Zo hadden de aangetroffen drugsketels alle een platte boven-en onderzijde. Op vrijwel alle ketels was een roermotor met daaraan een roermechanisme aanwezig. Alle roermechanismes – op het roermechanisme van de productielocatie te Someren na – hadden hetzelfde uiterlijk. De gebruikte destillatiebuizen hadden voor wat betreft lengte en diameter dezelfde afmetingen. De roermotor werd in bijna alle gevallen aangestuurd door een frequentieregelaar welke bevestigd was op een antracietkleurige/wit-gespikkelde broodplank. Op twee locaties kon niet worden vastgesteld dat deze frequentieregelaars bevestigd waren geweest op een broodplank, nu deze ketels zwaar beschadigd werden aangetroffen na een explosie. Alle ketels stonden op vierkante poten onder een kleine hoek naar buiten. Bij alle op de ketels aangetroffen roermotoren en frequentieregelaars waren de typeplaatjes verwijderd of onleesbaar gemaakt.
Nu onvoldoende duidelijk is of de ketel die in december 2022 in het bedrijfspand van verdachte is gezien later in het productieproces terecht is gekomen, zal de rechtbank uitgaan van 36 ketels.
Is verdachte de bouwer van de ketels?
De vraag is of de verdachte de bouwer van die de ketels is.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte (uiteindelijk) heeft verklaard dat hij inderdaad een (gering) aantal ketels heeft gemaakt en ook dat hij bij een aantal ketels een mantel heeft aangebracht. Verdachte ontkent echter dat hij al die ketels heeft vervaardigd.
Op de bedrijfslocatie van verdachte werden bij een doorzoeking diverse frequentieregelaars aangetroffen. Deze frequentieregelaars komen overeen met de frequentieregelaars die op de verschillende productielocaties zijn aangetroffen. Ook werd bij verdachte een stapel broodplanken aangetroffen met een identiek uiterlijk als de broodplanken die in voornoemde productielocaties waren aangetroffen en waarop de frequentieregelaars waren bevestigd.
Bij alle aangetroffen productieketels stonden de vierkante poten onder een kleine hoek naar buiten. Bij de doorzoeking in het bedrijf van verdachte werden vierkante gelijkende materialen aangetroffen. Onder de poten zat vaak een rechthoekig plaatje waaraan daaronder telkens op dezelfde wijze drie zwenkwielen waren bevestigd. Bij de doorzoeking in het bedrijf van verdachte werden gelijksoortige rechthoekige plaatjes en zwenkwielen aangetroffen. Op de camerabeelden van het bedrijf van de verdachte is ook te zien dat ketelvormige voorwerpen werden opgehaald met zwenkwielen.
Op negen productie/opslaglocaties, waar soms meer dan één ketel stond, is vastgesteld dat de werktuigsporen die werden waargenomen op zogenaamde kabelschoenen (op of bij een ketel) afkomstig zijn van kabelschoentangen die op de bedrijfslocatie van de verdachte zijn aangetroffen.
Op de locatie Baarle-Hertog is de binnenzijde van een paneel van de aangetroffen ketel bemonsterd. Kort gezegd is de kans dat die bemonstering DNA-materiaal van de verdachte bevat is extreem veel waarschijnlijker dan wanneer het materiaal van een onbekende persoon afkomstig is. Ook is daar DNA-materiaal aangetroffen waarbij de kans dat dit materiaal afkomstig is van [betrokkene 1] , de persoon die voor de verdachte laswerkzaamheden verrichtte, zeer veel waarschijnlijker is dan dat het materiaal van een onbekende persoon afkomstig is.
Op een productielocatie (Numandsdorp) stonden vier nieuwe ketels die waren verpakt in zwart folie. Op de camerabeelden van het bedrijf van de verdachte is te zien dat de ketelvormige voorwerpen die daar werden opgehaald ook in zwart folie werden verpakt.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de hiervoor bedoelde 36 ketels door de verdachte zijn gemaakt.
Wetenschap bij verdachte?
Dan is de vraag of de verdachte wist dat deze ketels zouden worden gebruikt voor de productie van MDMA en/of (met)amfetamine. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist waar de ketels die hij heeft gemaakt voor zouden worden gebruikt. Volgens verdachte hebben zijn klanten tegen hem gezegd dat de ketels voor het mengen van soeppoeder, verfpoeder en/of het reinigen van frituurolie bestemd waren.
Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte bewust ketels gemaakt die bestemd waren voor de productie van (met)amfetamine en/of MDMA.
De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Allereerst geldt dat het een feit van algemene bekendheid is dat apparaten voor de legale industrie, bijvoorbeeld de voedingsindustrie, aan bepaalde specifieke normen moeten voldoen. Dit vereist specifieke productkennis en uit niets is gebleken dat de verdachte over die specifieke kennis beschikte. Hierbij past niet dat de verdachte op instructie van een klant een ketel zou bouwen zonder dat de verdachte weet waar deze ketel precies voor gemaakt wordt.
Daarnaast waren de door de verdachte vervaardigde ketels of onderdelen daarvan zodanig specifiek ontworpen en geconstrueerd dat deze bij uitsluitend geschikt zijn voor de productie van synthetische drugs, zoals ook volgt uit het proces-verbaal “technisch onderzoek ketelbouwer” (proces-verbaal pag. 3457-3513).
Om ketels te produceren is constructieve expertise en specifieke proceskennis over het gebruik van de materialen vereist. De verdachte beschikte over deze kennis.
Zo zijn in de telefoon van verdachte tientallen schetsen van ketels en toebehoren aangetroffen. Op deze schetsen stonden vaak afmetingen en benodigdheden vermeld. Opvallend was dat bij deze schetsen iedere keer “RVS 316” stond vermeld.
Deze codering is toegekend aan roestvrijstaal dat is bestand tegen de werking van hoge temperaturen en zuren, zoals bij de productie van synthetische drugs vereist is.
Ook is op de camerabeelden die zijn opgenomen in het kantoor van het bedrijfspand van de verdachte, zoals op 22 januari 2024 met [betrokkene 2] , te zien en te horen dat de verdachte samen met [betrokkene 2] de wensen met betrekking tot (een) te bouwen ketel(s) bespreekt en terwijl verdachte daarbij iets uitlegt. Te horen is dat [betrokkene 2] zegt: "Kijk als deze klaar is ja ik pomp hem over die kant op, dan kan ik doorgaan met deze meteen is extra tijd. Snap je? (…) Maar niet zo hoog broer, je hebt de vorige keer heb je hem hier gezet weet je nog?". Verdachte heeft het onder meer over afmetingen, een motor, een koeler en vuur en branders. Op 13 mei 2024 spreekt de verdachte met [betrokkene 3] , waarin de verdachte aangeeft dat hij op een bepaalde manier last en dat het zijn systeem is. Dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende machtig zou zijn en meepraat met zijn gesprekspartner, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet hier niets aan af. Uit de gesprekken blijkt duidelijk dat de verdachte (en ook zijn gesprekspartner) weet waar het gesprek over gaat.
Voorts wijst de rechtbank op de gedragingen van de verdachte rondom het maken en leveren van de ketels. De verdachte schakelde de camera’s in zijn bedrijf veelal uit op het moment dat een ketel werd opgehaald. Als er aan een ketel werd gewerkt, werd om de ketel een scherm geplaatst om deze uit het zicht te houden en de toegangsdeur van het bedrijf werd gesloten.
De ketels werden voor aflevering verpakt in zwart ondoorzichtig folie en de ketels werden gebracht of opgehaald op tijdstippen in de ochtend waarop omliggende bedrijven nog niet open waren. Gevraagd naar het waarom van deze zwarte folie, antwoordde verdachte bij de politie dat zijn klanten dat wilden onder meer zodat anderen niet konden zien wat het was.
Typeplaatjes op apparatuur of onderdelen werden verwijderd of onleesbaar gemaakt. Verdachte heeft geen enkele factuur van een klant voor wie hij een ketel bouwde of repareerde. Evenmin wist hij de naam van de persoon of het bedrijf voor wie hij een ketel bouwde of repareerde te noemen.
De bestelbusjes die de ketels – veelal vroeg in de ochtend - kwamen ophalen waren niet ook voorzien van bedrijfsnamen.
De betaling geschiedde contant en de verdachte heeft verklaard dat hij hiervoor geen facturen maakte omdat zijn klanten nalieten de naam van hun bedrijf door te geven aan hem. Voornoemde gedragingen duiden onmiskenbaar op verhullingshandelingen.
Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wist dat hij ketels maakte die bestemd waren voor de productie van MDMA en/of (met)amfetamine.
Dat de ketels mogelijk geschikt zouden zijn voor de productie van andere middelen, zoals door de verdediging is aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders, nu de verdachte wist waarvoor de ketels bestemd waren.
Bovendien blijkt dat in alle ontmantelde productielocaties waarin de door verdachte vervaardigde ketels werden aangetroffen uitsluitend (met)amfetamine en/of MDMA werd geproduceerd.
Medeplegen?
Hoewel de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feit 1 regelmatig heeft samengewerkt met een ander, te weten [betrokkene 1] , kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, nu [betrokkene 1] enkel laswerkzaamheden heeft verricht in opdracht van de verdachte.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde “medeplegen”.
Feit 2: Witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van aan verdachte ten laste gelegde (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen van geldbedragen vast moet komen te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen dat die geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren en dat verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad. Ook moet worden vastgesteld dat verdachte met deze geldbedragen een zogenaamde witwashandeling heeft verricht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”, zoals het verbergen, verhullen, omzetten of overdragen als omschreven in artikel 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heeft weliswaar kunnen vaststellen dat verdachte de geldbedragen, afkomstig uit de strafbare verkoop en reparaties van de drugsketels, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar niet dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag.
Dit betekent dat het bewezen verklaarde niet gekwalificeerd kan worden als witwassen in de zin van artikel 420bis of 420quater Sr.
De strafbaarstelling van eenvoudig witwassen in artikel 420bis.1 Sr – zoals impliciet subsidiair is ten laste gelegd – richt zich specifiek op de situatie van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Immers uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte contante geldbedragen ontving voor de door hem gebouwde ketels en andere onderdelen.
De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde eenvoudig witwassen in de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024.
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet een concreet geldbedrag van € 592.000 kan worden vastgesteld.
Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte meermalen geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.
Nu in de wet van het eenvoudig witwassen een gewoonte maken niet strafbaar is gesteld, zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
1.
op tijdstippen in de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of (met)amfetamine, zijnde MDMA en (met)amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,- anderen gelegenheid, middelenof inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte,
wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),immers, heeft hij, verdachte, op tijdstippen in voornoemde pleegplaats- vervaardigd en hersteld en aangepast en ter beschikking gehad en geleverd en verkocht (kookreactie-en/of destillatie)ketel(s) en pakkingen en thermometers en (koel)buizen en andere voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en- in het kader van voormelde activiteiten gecommuniceerd eninformatie gedeeld en afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad;
2op tijdstippen in de periode van 17 maart 2021 tot en met 10 juni 2024 te Rotterdam, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen, telkens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat voormelde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijven;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de leeftijd en gezondheidssituatie van de verdachte. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor Opiumwet- of vermogensdelicten.
De raadsman heeft tenslotte verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop, de duur van schorsing van de voorlopige hechtenis en de beperkte rol van de verdachte als uitvoerend metaalbewerker.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op grote schaal drugsketels en andere hardware geproduceerd die bestemd waren om te worden gebruikt in professionele (met)amfetamine- en/of MDMA- productielocaties. De door de verdachte vervaardigde ketels zijn onder meer in vijftien verschillende – en door het hele land verspreide – productie- of opslaglocaties aangetroffen. Verdachte was hiermee een onmisbare schakel in de landelijke keten van de productie van synthetische drugs. Bij hem konden immers de voor deze productie benodigde ketels worden besteld en afgehaald. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het professionaliseren van een groot aantal productielocaties.
Het is algemeen bekend dat verspreiding van drugs ernstige nadelige maatschappelijke gevolgen kent, waaronder gezondheidsschade voor drugsgebruikers en vermogensdelicten die drugsverslaafden plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien.
De verspreiding van, ook naar het buitenland, en handel in harddrugs gaan daarnaast gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waarbij eigen financieel gewin belangrijker is dan het welzijn van anderen en waarin ook het toepassen van grof geweld vaak niet wordt geschuwd.
Het afval dat ontstaat door de productie van synthetische drugs wordt vaak geloosd, hetgeen grote schade aan het milieu veroorzaakt. Bovendien is er bij de bereidingsprocessen gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Dat ontploffingsgevaar heeft zich in dit geval op twee productielocaties verwezenlijkt, met alle risico’s van dien.
Verdachte heeft de gevolgen van zijn handelen op de koop toe genomen en zich enkel laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin. Hij heeft door zijn gedragingen een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van en de handel in harddrugs, met alle hierboven beschreven, schadelijke gevolgen van dien.
Daarnaast heeft verdachte geldbedragen witgewassen. Deze geldbedragen zijn afkomstig uit het door verdachte gepleegde misdrijf, namelijk het maken en verkopen drugsketels en andere hardware. Een dergelijk witwasfeit is verwerpelijk en heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel economische verkeer.
Gelet op de grote hoeveelheid geproduceerde ketels en hardware, de cruciale rol die verdachte speelde in de keten van de harddrugsproductie, de lange periode waarover de feiten zich uitstrekken en de grote maatschappelijke gevolgen van die feiten, is geen andere straf dan een gevangenisstraf in deze zaak aan de orde.
Ten aanzien van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.
De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026.
Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.
Alles overziend, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden – waarvan 8 maanden voorwaardelijk – met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De proeftijd van het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank bepalen op de duur van 3 jaren.
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel en een langere proeftijd noodzakelijk als ‘stok achter de deur’ om het recidiverisico zoveel mogelijk te beperken.
De rechtbank legt een lagere straf aan verdachte op dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat hiermee de ernst van het feiten tot uitdrukking komt en de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt van het aan verdachte ten laste gelegde witwasdelict.
Ook heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, waaronder de situatie dat verdachte zich gedurende een periode van bijna twee jaren aan schorsingsvoorwaarden – waaronder een contactverbod met [betrokkene 1] en een wekelijkse meldplicht op het politiebureau – heeft moeten houden.
De voorlopige hechtenis
De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte – die volgens de voorwaarden van het schorsingsbevel van 16 september 2024 bij einduitspraak herleeft – bij datum vonnis opnieuw te schorsen
.
Daarbij heeft de raadsman verzocht om schorsingsvoorwaarde nummer 8, te weten het inleveren van het paspoort van verdachte ten behoeve van de officier van justitie, te laten vervallen.
Bij de beslissing over de schorsing van de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging
van belangen van enerzijds strafvordering en anderzijds de verdachte. Bij die belangenafweging staat voorop dat de voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast.
Voor het daadwerkelijk ondergaan van voorlopige hechtenis is slechts ruimte als dat noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van de voorlopige hechtenis.
De omstandigheid dat bij een veroordelend vonnis een gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, is volgens geldende jurisprudentie geen zelfstandige grond voor opheffing van de schorsing of het laten herleven van de voorlopige hechtenis.
In dit geval geldt dat aan de voorlopige hechtenis gevaar voor herhaling ten grondslag ligt. Door het veroordelend vonnis is deze grond bij de belangenafweging in gewicht toegenomen. De voorlopige hechtenis van de verdachte is echter al bijna twee jaren geschorst geweest. Gedurende die periode golden schorsingsvoorwaarden waaraan de verdachte zich heeft gehouden. Er hebben geen incidenten plaatsgevonden die erop duiden dat de verdachte zich opnieuw met het plegen van strafbare feiten heeft beziggehouden.
Dat betekent dat het doel van de voorlopige hechtenis door het stellen van voorwaarden is (en kan worden) bereikt.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte daarom opnieuw schorsen, onder de voorwaarden die eerder ook aan hem zijn opgelegd. Deze voorwaarden zijn in een apart bevel vastgelegd. Eén van die schorsingsvoorwaarden houdt in dat de verdachte zijn paspoort heeft moeten inleveren bij de politie ten behoeve van de officier van justitie te
‘s-Hertogenbosch. De verdachte kan hierdoor bijvoorbeeld niet naar Turkije reizen om familieleden te bezoeken.
Gelet op het mogelijke vluchtgevaar dat door de veroordeling tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog steeds en wellicht nog sterker aanwezig is, ziet de rechtbank geen reden om deze voorwaarde te laten vallen, zoals door de verdediging is verzocht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
het bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het
plegen van dat feit; meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
ten aanzien van feit 1, feit 2:
een gevangenisstrafvoor de duur van
42 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan
8 maanden voorwaardelijken een
proeftijd van 3 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
voorlopige hechtenis
- schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de datum van dit vonnis om 13:00 uur onder de voorwaarden die in een apart bevel zijn vastgelegd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 29 juni 2026.