ECLI:NL:RBOBR:2026:4520
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen WOZ-beschikking niet-ontvankelijk wegens te late indiening
Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 22 februari 2025, maar diende het bezwaarschrift pas op 8 april 2025 in. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zeswekentermijn. De rechtbank toetste of het bezwaar tijdig was ingediend en of een termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.
De rechtbank oordeelde dat de dagtekening van het aanslagbiljet leidend is voor het begin van de bezwaartermijn, tenzij aannemelijk is gemaakt dat het aanslagbiljet later is verzonden. De heffingsambtenaar maakte aannemelijk dat het aanslagbiljet uiterlijk op de dagtekening is verzonden, terwijl eiseres onvoldoende betwistte dat dit niet het geval was. De termijn eindigde daarom op 7 april 2025, terwijl het bezwaarschrift op 10 april 2025 op de post werd gedaan.
Eiseres stelde dat de termijn pas begon te lopen bij terpostbezorging, maar ook dan was het bezwaar te laat. Er was geen verontschuldiging voor de te late indiening, mede omdat de gemachtigde van eiseres bekend had moeten zijn met de regels. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de WOZ-beschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldiging.