ECLI:NL:RBOBR:2026:4519
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen WOZ-beschikking niet-ontvankelijk wegens te late indiening
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 22 februari 2025, maar diende het bezwaarschrift pas op 8 april 2025 in. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zeswekentermijn. Eiser betwistte dit en stelde dat de termijn pas begon te lopen vanaf de datum van terpostbezorging, die volgens hem later was dan de dagtekening.
De rechtbank oordeelde dat de dagtekening van het aanslagbiljet leidend is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het aanslagbiljet later is verzonden. De heffingsambtenaar maakte aannemelijk dat het aanslagbiljet uiterlijk op de dagtekening was verzonden en bezorgd, terwijl eiser onvoldoende betwistte dat dit anders was. Ook gaf eiser geen nadere toelichting tijdens de zitting, waar hij niet verscheen.
De rechtbank concludeerde dat de bezwaartermijn op 7 april 2025 eindigde en het bezwaarschrift van 8 april 2025 te laat was ingediend. Er was geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding, mede omdat eiser en zijn gemachtigde bekend hadden moeten zijn met de regels. Het bezwaar werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de WOZ-beschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldiging.