ECLI:NL:RBOBR:2026:4478

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/01/394542 / HA ZA 23-417
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 843a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing uitleg prijsafspraken in expediteursovereenkomst

Vion en UTI werkten jarenlang samen in het containervervoer van vleesproducten. In 2019 sloten zij een nieuwe Framework Supply Agreement (FSA) waarin onduidelijkheid ontstond over de vraag of UTI een eigen marge bovenop de rederijtarieven mocht rekenen. Vion ontdekte dat UTI hogere bedragen factureerde dan de rederijen en vorderde ruim €15 miljoen terug.

De rechtbank beoordeelde de uitleg van de FSA aan de hand van de Haviltex-maatstaf en concludeerde dat Vion haar stellingen onvoldoende had onderbouwd. De presentatie van UTI, de onderhandelingen en de tekst van de FSA gaven geen duidelijkheid dat UTI geen marge mocht hanteren. Ook de gedragingen na het sluiten van de overeenkomst ondersteunden de uitleg van Vion niet.

Een heimelijk opgenomen telefoongesprek tussen vertegenwoordigers van partijen bood geen ondubbelzinnige erkenning van Vions standpunt. De rechtbank oordeelde dat Vion er niet zonder meer van mocht uitgaan dat UTI geen marge meer zou rekenen en wees de vordering af. Vion werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Vion af wegens onvoldoende onderbouwing dat UTI geen marge mocht rekenen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/394542 / HA ZA 23-417
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
VION FOOD INTERNATIONAL B.V.,
te Boxtel,
eisende partij,
hierna te noemen: Vion,
advocaat: mr. H. Knotter,
tegen
UNSWORTH TRANSPORT INTERNATIONAL FORWARDING B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: UTI,
advocaat: mr. D.J. Verheij.

1.De zaak in het kort

1.1.
UTI verzorgt in opdracht van Vion overzees containervervoer van de vleesproducten van Vion. Nadat zij jarenlang hadden samengewerkt, hebben zij in 2019 een nieuwe overeenkomst gesloten, de FSA. UTI heeft onder de FSA niet de prijs die rederijen voor het zeevervoer hanteren een-op-een aan Vion doorbelast, maar deze prijs voor Vion verhoogd met een (voor Vion onbekende) eigen marge. Vion heeft dit bij toeval ontdekt. Zij meent dat UTI daartoe op grond van de FSA het recht niet had en vordert betaling van UTI van een bedrag van ruim € 15 miljoen dat zij te veel zou hebben betaald. UTI weigert te betalen want zij meent dat zij, net als onder de eerdere Mantelovereenkomst, ook onder de FSA het recht had een eigen marge te hanteren.
1.2.
De rechtbank beoordeelt dit geschil, dat ziet op de uitleg van (prijsafspraken in) een overeenkomst, aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De rechtbank oordeelt dat Vion haar stellingen over de uitleg van de FSA niet voldoende heeft onderbouwd. Het staat dan ook niet vast dat haar uitleg de juiste is, zodat haar vordering moet worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 t/m 33 met voorwaardelijk incident,
- de conclusie van antwoord met bijlagen 1 t/m 7,
- de brieven van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van UTI met aanvullende bijlagen 8 t/m 14,
- de akte van Vion met aanvullende bijlagen 34 t/m 38, inclusief een USB-stick,
- de akte van UTI met aanvullende bijlage 15.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De brief van UTI van 24 maart 2026, met enkele opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal, is aan het dossier toegevoegd.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Vion is een groothandel in vleesproducten. De producten van Vion worden wereldwijd verhandeld, waarbij gebruik wordt gemaakt van zeevervoer in (gekoelde) containers. Vion koopt zelf vervoer in bij rederijen, maar werkt ook samen met expediteurs.
3.2.
UTI is een expediteur op het gebied van overzees containervervoer en fungeert daarbij als intermediair tussen klanten en rederijen. De dienstverlening van UTI omvat niet alleen het inschakelen van een rederij voor het zeevervoer, maar ook het regelen van alle met het vervoer verband houdende logistiek, zoals eventueel wegvervoer en alle administratieve formaliteiten.
3.3.
Vion en UTI hebben ongeveer 20 jaar samengewerkt. Daarbij was geen sprake van exclusiviteit: Vion schakelde naast UTI ook andere expediteurs in en een deel van haar vervoer bracht Vion ook zelf onder bij rederijen.
De Mantelovereenkomst van 2014
3.4.
Vanaf 1 oktober 2014 waren de afspraken tussen Vion en UTI vastgelegd in een Mantelovereenkomst.
3.5.
Onder deze Mantelovereenkomst maakten partijen vaste tariefafspraken met elkaar, telkens voor een bepaalde duur. Aanvankelijk ging het om kwartaalafspraken, later werden de periodes waarop de afspraken zagen langer. Vanaf 2016 onderhandelden Vion en UTI jaarlijks tarieven uit.
3.6.
Deze onderhandelingen verliepen via een door Vion uitgeschreven tenderproces, waarin Vion tariefafspraken maakte met verschillende vervoerspartijen. UTI en andere deelnemers aan de tender konden per bestemming (ook wel ‘lane’ genoemd) en per indicatief te vervoeren volume een tariefvoorstel aan Vion doen. Dit leidde dan tot vaste tariefafspraken voor een jaar voor een bepaalde bestemming.
3.7.
Artikel 4 van Pro de Mantelovereenkomst luidde als volgt (waarin UTI wordt aangeduid als ‘leverancier’ en de onderstreping door de rechtbank is aangebracht):
Artikel 4 Prijzen Pro en voorwaarden
1. De leverancier verplicht zich om de in bijlage 1 genoemde diensten uitsluitend conform de schriftelijk met de productgroepmanager overeengekomen voorwaarden, in het bijzonderniet tegen hogere dan de geldende nettoprijzen,aan te bieden en te leveren.
2. Prijswijzigingen worden alleen na akkoord van de productgroepmanager doorgevoerd. (…)”
3.8.
Partijen zijn het erover eens dat deze bepaling inhield dat UTI onder de Mantelovereenkomst de periodiek met Vion overeengekomen tarieven voor zeevervoer bij Vion in rekening bracht met daarin begrepen een marge voor UTI, en dat daar geen nadere kosten bij kwamen. Vion wist dus dat UTI een marge in rekening bracht.
3.9.
Vion kon van deze met UTI afgesproken tarieven gebruik maken, maar was daar niet toe verplicht. Vion kon per transport blijven bepalen aan wie zij dat zou uitbesteden (tegen het voor dat jaar afgesproken tarief). Op grond van de Mantelovereenkomst was Vion niet verplicht om diensten van UTI af te nemen, en het stond haar vrij om haar moverende redenen de Mantelovereenkomst op te zeggen.
De FSA van 2019
3.10.
Eind 2018 nam de heer [A] , destijds CEO van UTI (hierna: [A] ), namens UTI het initiatief om te komen tot nieuwe afspraken over de samenwerking met Vion. [A] nam daarover contact op met de heer [B] , toenmalig Hoofd Planning en Logistiek bij Vion (hierna: [B] ). Sinds juni 2019 werkt [B] niet meer bij Vion.
3.11.
[A] legde de ideeën van UTI aan Vion voor aan de hand van een presentatie van november 2018 met de titel ‘Our new way of working together’ (bijlage 38 van Vion). De voorstellen van UTI stonden in drie slides samengevat als volgt weergegeven:
3.12.
Begin 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen Vion en UTI over een nieuw te sluiten overeenkomst. Dit heeft geleid tot de totstandkoming van de Framework Supply Agreement for the purchase of Ocean Freight and related Services (hierna: de FSA) met ingangsdatum 1 april 2019 en een looptijd van drie jaar, met een verlengingsrecht voor Vion van één jaar.
3.13.
De FSA bestond uit een preambule en een aantal artikelen, waarin werd verwezen naar vier annexen die ook deel uitmaakten van de overeenkomst. Enkele voor deze zaak relevante bepalingen uit de annexen 2 en 3 luiden als volgt (waarbij met ‘freight’ wordt bedoeld ‘zeevervoer’, met ‘reefers’ wordt bedoeld ‘gekoelde containers’, met ‘BAF’ wordt gedoeld op een mogelijke opslag in verband met schommelingen in de brandstofprijzen, en de onderstreping door de rechtbank is aangebracht):
Annex 2:
Ia. Joint Buying, generalThe Joint Buying is defined as an agreement of consortium buying. Therefore Parties explicitly agree that UTI shall only be responsible for the joint procurement activity of containerized transport rates. For Vion this means the port - port shipments of 40 ft HQ Reefer containers including the movements as requested by Vion (e.g. spot requests).
UTI will negotiate freight rates on behalf of Vion and UTI will negotiate based on Vion's requirements' against the negotiated terms & conditions. UTI will do its best effort to negotiate favorable freight rates on behalf of Vion.
The volumes mentioned in the rate bid sheet are indicative volumes and the intentions of Vion are to ship the volumes YOY as mentioned in the bidding sheet. By no means these volumes grant exclusivity to UTI nor- represent a volume commitment from Vion to UTI. Vion is entitled to allocate volumes to other parties.
Vion has the intention to increase the volume over the coming period through 2022 (3 year contract).
1c. Joint buying; earing of risks, liability and force majeureFor shipments whereby Vion only uses the negotiated rates by UTI and no other services are supplied by UTI then the following rules apply:- Vion shall bear the risk for the containers during transport. During the entire termof the transport, Vion shall be liable for the loss of or damage to the containers.- UTI shall never be liable for indirect or consequential damages, loss of profitsand/or loss of revenues.- UTI is waived from any liability in any form or any kind by Vion.- UTI’s sole and only task is the procurement of contracted freight rates annualy.- Vion will manage, organize and insure for own account and risk the transportexecution.
For shipments whereby Vion does use other services (e.g. booking, trucking etc.), above mentioned rules do not apply but the rules of the specific activity apply as specified in Annex 3.

2.Booking of reefers by Vion

Vion can book reefers at UTI based on the tender result.

Annex 3:
Joint buying feeParties agree a joint buying fee of € 25,00 per allocated container (40 ft HQ Reefer) per deep sea transport, with a maximum of € 100.000 (Hundred Thousand Euro) per contract year.
Handling fee for booked reefersIn case Vion books a reefer at UTI, Vion will pay a handling fee of € 40,00 per booked reefer.
Ocean freight ratesOceanfreight rates are agreed net-netand can vary per each quarter due to BAF (Bunker Adjustment Factor) fluctuations. Parties agree in the month before the start of each new quarter the BAF part in the total rate per lane.
3.14.
Over wat de nieuwe afspraken in de FSA precies inhielden – en dan met name ten aanzien van de vraag of UTI onder de FSA een eigen marge in rekening mocht brengen boven op de rederijprijzen voor het zeevervoer – zijn partijen het niet eens. Daarover gaat deze procedure. Bij de beoordeling zal met het oog daarop de totstandkoming, inhoud en uitleg van de FSA aan de orde komen.
Vion constateert verschillen in de facturering
3.15.
Vanaf 1 april 2019 zijn Vion en UTI op basis van de FSA met elkaar verdergegaan. Eind 2022 ontving Vion per abuis vijf facturen van door UTI ingeschakelde rederijen voor het vervoer van containers met producten van Vion. Die facturen waren eigenlijk bestemd voor UTI. Voor het vervoer van diezelfde containers ontving Vion ook facturen van UTI. Vion constateerde toen dat de bedragen op de facturen niet overeenkwamen; het door UTI aan Vion gefactureerde bedrag voor het vervoer van een container was hoger dan het bedrag dat de rederij voor het vervoer van diezelfde container van Vion aan UTI in rekening bracht. Ook op andere punten kwamen de facturen niet met elkaar overeen.
3.16.
Vion meende dat de facturering van UTI in strijd was met gemaakte afspraken in de FSA en heeft daarop bij UTI gevraagd om inzage in een tiental facturen van rederijen. Vion wilde nagaan of hier sprake was van een incidentele fout of van een bewust afwijken van de afspraken door UTI. UTI heeft aan dit verzoek om inzage geen gehoor gegeven. Partijen zijn met elkaar in gesprek gegaan en daaruit bleek dat partijen een verschillende uitleg gaven aan de prijsafspraken voor het zeevervoer in de FSA, wat UTI nog eens bevestigde in een mailbericht. Vion heeft vervolgens op 15 december 2022 de FSA en daarmee de samenwerking met UTI beëindigd per 1 april 2023.
3.17.
In een brief van 23 december 2022 heeft Vion UTI aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij stelt te hebben geleden en nog te zullen lijden doordat UTI in strijd met de afspraken in de FSA te hoge bedragen bij haar factureerde, welke schade Vion in deze brief heeft geschat op een bedrag van bijna € 9 miljoen tot mogelijk bijna € 15 miljoen. Vion heeft UTI in deze brief onder meer ook gesommeerd:
(-) het in rekening brengen van marge op het zeevervoer per direct te staken,
(-) een bedrag van €138.325,- aan te veel betaalde joint buying fee terug te betalen,
(-) een verklaring af te leggen over de periode waarin UTI een marge heeft gefactureerd en over eventueel overige verborgen vergoeding die aan Vion is gefactureerd, en
(-) duidelijkheid te verschaffen over de in rekening gebrachte marge door middel van een accountantsverklaring.
3.18.
Nadien heeft nog correspondentie tussen de advocaten van partijen plaatsgevonden, wat niet heeft geleid tot overeenstemming.
3.19.
Op 4 juli 2023 heeft Vion een dagvaarding uitgebracht.

4.Het geschil

4.1.
Vion heeft uitvoerige vorderingen ingesteld. In de kern komt het erop neer dat Vion de rechtbank vraagt om UTI te veroordelen tot betaling van € 15.481.560,48, vermeerderd met rente en kosten, omdat UTI boven op de rederijtarieven een eigen marge in rekening heeft gebracht bij Vion, terwijl UTI daartoe op grond van de FSA niet gerechtigd was.
4.2.
Enkel voor het geval een verweer van UTI tegen de hoogte van het gevorderde bedrag zou kunnen slagen, vordert Vion (in voorwaardelijk incident) tevens dat de rechtbank bepaalt dat UTI inzage moet verstrekken in alle inkoopfacturen, op straffe van een dwangsom, een en ander op grond van artikel 843a Rv zoals dat luidde tot 1 januari 2025. Voor het geval de rechtbank dit (voorwaardelijk) incident zou afwijzen, vordert Vion (in onderdeel 3 van haar vordering) eveneens voorwaardelijk dat de rechtbank bepaalt dat UTI op straffe van een dwangsom moet meewerken aan een door de rechtbank te bevelen deskundigenonderzoek om de omvang van de onterecht in rekening gebrachte marge te bepalen.
4.3.
UTI voert verweer. UTI stelt zich onder meer op het standpunt dat zij bij het factureren niet in strijd met de FSA heeft gehandeld en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Vion, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vion in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Partijen zijn het oneens over de uitleg van de afspraken die zij maakten in de FSA over de prijs die UTI in rekening mocht brengen voor het organiseren van zeevervoer van containers van Vion.
De standpunten van partijen in het kort
5.2.
Vion stelt dat partijen onder de FSA, anders dan onder de Mantelovereenkomst, samenwerkten op basis van ‘joint buying’. Dit betekent volgens haar dat zij gezamenlijk met UTI en volledig transparant, via een tenderproces, de jaartarieven voor zeevervoer per lane uitonderhandelden met verschillende rederijen. Voor zover Vion vervolgens besloot om via UTI bij een van die rederijen vervoer in te kopen, gold de afspraak dat het tarief dat UTI met die rederij had uitonderhandeld – door Vion ook wel genoemd ‘tendertarief’ of ‘rederijtarief’ – net als een aantal overige met dit zeevervoer verband houdende kosten, door UTI een-op-een zou worden doorberekend aan Vion (daarop doelen volgens Vion de woorden “net-net” in annex 3 van de FSA). Anders dan onder de Mantelovereenkomst zouden de tendertarieven onder de FSA geen marge meer omvatten voor UTI. Als vergoeding voor haar werkzaamheden zou UTI onder de FSA uitsluitend een vaste booking fee en handling fee per container voor UTI ontvangen, waarvan de hoogte was bepaald in de FSA, aldus Vion.
5.3.
UTI betwist deze uitleg van de FSA. Volgens haar was het net als onder de Mantelovereenkomst ook onder de FSA nog altijd Vion die de tender uitschreef, waarna UTI in onderhandeling trad met rederijen om ten behoeve van Vion zo gunstig mogelijke tarieven af te spreken. Bij de onderhandelingen van UTI met de rederijen was Vion niet betrokken. Van gezamenlijke onderhandelingen was in die zin geen sprake. Nieuw onder de FSA was dat per lane de prijzen van verschillende rederijen in de tender werden betrokken (onder de Mantelovereenkomst bood UTI één tarief per lane aan Vion en bepaalde UTI zelf welke rederij zij daarvoor inschakelde). De ‘tendertarieven’ waren de tarieven die UTI vervolgens afsprak met Vion. Nergens in de FSA was bepaald dat deze tendertarieven, anders dan voorheen onder de Mantelovereenkomst, geen opslag voor UTI meer mochten bevatten boven op de tarieven die UTI met de rederijen had afgesproken. De met Vion voor de periode van een jaar afgesproken ‘tendertarieven’ (de rederijtarieven plus een opslag voor UTI) berekende UTI vervolgens conform de FSA een-op-een door aan Vion, zoals dat eerder ook onder de Mantelovereenkomst gebeurde met de ‘geldende nettoprijzen’, waarin eveneens een marge voor UTI was opgenomen. Nieuw onder de FSA was dat UTI aanspraak kon maken op een booking fee en handling fee per container, omdat UTI onder de FSA meer werk moest verrichten bij de onderhandelingen en de uitvoering, zo stelt UTI.
Maatstaf voor de uitleg van de FSA
5.4.
De vraag of UTI een marge mocht hanteren op haar inkooptarieven van de rederijen, is een vraag naar de uitleg van de FSA. Aangezien Vion en UTI grote professionele partijen zijn, komt bij die uitleg veel gewicht toe aan de in de FSA gekozen bewoordingen en de taalkundige betekenis daarvan. Maar dat is niet het enige waar de rechtbank naar moet kijken om de vraag te beantwoorden wat partijen zijn overeengekomen. De rechtbank dient daarnaast ook acht te slaan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenaamde Haviltex-criterium). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.
Bewijslastverdeling
5.5.
Indien, zoals in dit geval, discussie bestaat tussen partijen over de uitleg van een door hen gesloten overeenkomst, dan brengt de hoofdregel van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mee dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van die overeenkomst bij een bepaalde uitleg – in dit geval Vion – de bewijslast draagt ter zake van die uitleg. Daarbij gaat het niet om het bewijs van de inhoud van de overeenkomst als zodanig, maar om het bewijs van feiten en omstandigheden die (met toepassing van eerdergenoemde Haviltex-maatstaf) tot het oordeel (kunnen) leiden dat een overeenkomst met de door Vion verdedigde inhoud tot stand is gekomen. Indien het in dat verband door Vion te leveren bewijs onvoldoende is om op basis daarvan te kunnen oordelen dat de FSA moet worden uitgelegd zoals Vion voorstaat, dan komt dat voor risico van Vion en moeten haar daarop gebaseerde vorderingen worden afgewezen.
Uitleg van de FSA
5.6.
De rechtbank overweegt dat de letterlijke tekst van de FSA geen uitsluitsel geeft over de vraag of UTI een marge in rekening mag brengen op de inkooptarieven voor het zeevervoer. Daarover is in de FSA niets uitdrukkelijk bepaald, net zomin als in de eerdere Mantelovereenkomst.
5.7.
Voor de uitleg van de FSA die Vion voorstaat, waarbij geen ruimte is voor een marge voor UTI, zoekt Vion met name aansluiting bij de in annex 2 van de FSA gegeven definitie van ‘joint buying’ en het gebruik van de woorden ‘net-net’ in annex 3 (onder ‘Ocean freight rates’). Volgens Vion blijkt uit het gebruik van die bewoordingen, gelezen tegen de achtergrond van de bedoeling die partijen hadden om onder de FSA te gaan samenwerken volgens een nieuw transparant tendermodel met een vergoedingensysteem met vaste fees, dat onder de FSA geen ruimte meer was voor UTI om nog een marge in rekening te brengen, boven op de tarieven zoals de rederijen die bij UTI in rekening brachten.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat de door Vion gepresenteerde onderbouwing van haar standpunt over de uitleg van de FSA, bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door UTI, onvoldoende is en de door Vion beoogde conclusies niet kan dragen, en zal dat hier toelichten.
De presentatie
5.9.
Vion stelt – voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling – dat UTI haar voorstel om op een nieuwe manier te gaan samenwerken, met een andere tenderprocedure en een ander vergoedingensysteem, aan Vion heeft gepresenteerd aan de hand van de als bijlage 38 door Vion overgelegde slides (deels afgebeeld onder 3.11), waarbij namens UTI door [A] zou zijn gezegd dat UTI geen marge meer zou gaan hanteren boven op de rederijtarieven.
5.10.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat [A] omstreeks eind 2018 een presentatie heeft gehouden met voorstellen om na vele jaren te komen tot een vernieuwde samenwerking met Vion. Dat is door UTI niet weersproken. Dat door UTI een nieuwe manier van samenwerken werd beoogd, blijkt alleen al uit de titel van de presentatie: ‘Our new way of working together’. Dat als nieuw element in de samenwerking UTI geen marge meer in rekening meer zou brengen op de inkoopprijs van de rederijen, zoals Vion bepleit, blijkt echter niet uit de slides (afgebeeld onder 3.11):
(i) Op de slides wordt melding gemaakt van ‘increased transparancy’ en zijn aan ‘transparancy’ in de nieuwe situatie drie hartjes toegekend, tegenover twee hartjes onder de oude situatie. Onder de koptekst ‘transparancy’ staat de subtekst ‘(Vion books directly with selected carriers)’. De informatie op de slides geeft geen uitsluitsel over de vraag wat hier precies met ‘transparancy’ is bedoeld. Vion stelt dat meer transparantie inhield dat Vion en UTI gezamenlijk met rederijen zouden gaan onderhandelen, wat Vion inzicht zou bieden in de prijzen die verschillende rederijen hanteren per lane. Dat waren dan prijzen zonder marge voor UTI, zo betoogt Vion. UTI betwist deze uitleg en voert aan dat meer transparantie betekende dat Vion meer inzicht zou krijgen in de marktprijzen omdat Vion voortaan per lane meerdere prijzen voorgelegd zou krijgen, van verschillende rederijen. Volgens UTI zou van gezamenlijke onderhandelingen ook in de nieuwe samenwerking geen sprake zijn en betekende meer transparantie niet dat zij geen marge meer in rekening zou brengen. De rechtbank is van oordeel dat de lezing van Vion minder voor de hand ligt en tegenover de betwisting door UTI onvoldoende is toegelicht. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de inhoud van de presentatie niet blijkt dat Vion en UTI gezamenlijk met rederijen zouden gaan onderhandelen (daarin staat dat de onderhandelingen zullen gebeuren door UTI, zie de eerste afbeelding onder punt 3.11). De gepresenteerde nieuwe manier van werken zou Vion, anders dan voorheen, inzicht bieden in meerdere prijzen per lane zodat zij een goed beeld zou krijgen van welke rederij het gunstigst was op een bepaalde lane. Dat in de presentatie met meer ‘transparancy’ (ook) is gedoeld op het komen te vervallen van de marge van UTI, daarvoor biedt de presentatie geen aanknopingspunt.
(ii) Op de slides wordt melding gemaakt van een ‘fixed price per container for booking (..) and a handling fee (…)’ als nieuw element. Deze vermelding kan de vraag oproepen of die fees de enige vergoeding zouden zijn voor UTI, maar geeft daarop geen antwoord. Op de slides staat niet dat in de nieuwe situatie – anders dan onder de Mantelovereenkomst – de inkoopprijzen van de rederijen door UTI zonder marge aan Vion zullen worden doorbelast.
5.11.
Dat [A] bij het toelichten van de slides gezegd zou hebben dat UTI binnen de nieuwe samenwerking geen marge meer zou rekenen op de inkoopprijzen van de rederijen, zoals van de kant van Vion bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, maar door UTI is betwist, is naar het oordeel van de rechtbank door Vion onvoldoende onderbouwd.
(i) Het is de heer [C] (hierna: [C] ) geweest die ter zitting heeft verklaard dat [A] bij zijn presentatie expliciet zou hebben gezegd dat UTI alleen de inkoopprijs zou doorbelasten. Het staat echter niet vast dat [C] (destijds Backoffice Manager bij Vion) bij de presentatie van [A] aanwezig is geweest. Op de vraag wie er namens Vion aanwezig waren bij de presentatie heeft [A] ter zitting geen antwoord kunnen geven. De verklaringen van Vion hierover lopen nogal uiteen. Onduidelijk is daarom of alleen [B] daarbij aanwezig was, of [B] samen met de heer [D] , destijds Inkoper Logistiek bij Vion (hierna: [D] ), of [D] en [C] , mogelijk met een nog onbekende derde maar zonder [B] . Hier bestaat dus onduidelijkheid over.
(ii) Daarbij is ook nog het volgende van belang. De slides van de presentatie zijn pas kort voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht. In de dagvaarding staat niets vermeld over deze presentatie en komt de naam van [C] niet voor. [C] zou (zo heeft Vion tijdens de mondelinge behandeling toegelicht) de presentatie pas recent hebben teruggevonden en niet eerder hebben verklaard over de toezegging die [A] zou hebben gedaan omdat hij dacht dat er voldoende ander bewijs was. Desgevraagd heeft [C] ter zitting verklaard niets te kunnen verklaren over hoe de presentatie ging dan alleen dat [A] de slides volgde. In de slides staat echter niets opgenomen waaruit kan worden afgeleid dat er geen marge meer zou worden gerekend in de beoogde nieuwe opzet van samenwerking. Al met al acht de rechtbank de verklaring van [C] niet concreet en specifiek op het punt van de toezegging die [A] zou hebben gedaan. Zijn verklaring wordt ook niet ondersteund door andere feiten. De rechtbank verwijst ook naar punt (iii) hieronder.
(iii) Volgens alle scenario’s waarover van de kant van Vion is verklaard, over wie bij de presentatie aanwezig waren, moeten [B] en [D] , of althans één van hen, bij de presentatie van [A] aanwezig zijn geweest. In hun schriftelijke verklaringen (bijlagen 5 en 11 van Vion) hebben zij echter niets vermeld over de presentatie en ook niet over een – voor dit geschil tamelijk relevante – toezegging die [A] daarbij zou hebben gedaan over het doorbelasten van (enkel) inkoopprijzen. Dat door [A] die toezegging is gedaan, acht de rechtbank dan ook niet concreet en specifiek genoeg onderbouwd, nu dit enkel wordt gebaseerd op de verklaring van [C] waarover de rechtbank hiervoor haar oordeel heeft gegeven.
(iv) Vion stelt dat [A] bij de presentatie zou hebben verklaard dat alleen de inkoopprijs zou worden doorbelast (zie de verklaring van [C] hiervoor sub (i)). Deze woorden “alleen de inkoopprijs” zijn volgens de standpunten van Vion uitsluitend bij de presentatie gebruikt. Deze woorden komen niet terug in de FSA, noch in correspondentie of gesprekken over de FSA. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, is niet duidelijk wat in de context van de presentatie precies zou zijn bedoeld met de woorden “alleen de inkoopprijs”. Het is redelijkerwijs mogelijk dat hiermee is bedoeld een prijs inclusief een marge voor UTI. Voor zover de woorden “alleen de inkoopprijs” door [A] zijn gebruikt bij de presentatie, kunnen deze daarom niet doorslaggevend zijn voor de uitleg van de FSA op het punt of UTI een marge mocht rekenen.
5.12.
De rechtbank is kortom van oordeel dat Vion onvoldoende heeft onderbouwd dat UTI bij de presentatie van haar voorstel voor een nieuwe samenwerking bij Vion heeft toegezegd of althans het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat in de nieuwe situatie geen marge meer zou worden berekend, maar enkel de inkoopprijzen zonder eigen marge voor UTI nog aan Vion zouden worden doorbelast. Dat Vion dit redelijkerwijs mocht begrijpen is ook onvoldoende concreet en feitelijk naar voren gebracht.
De onderhandelingen en totstandkoming FSA
5.13.
Vion stelt dat over de FSA uitgebreid is onderhandeld en dat de uitkomst daarvan onder meer was dat UTI in de nieuwe samenwerking de inkoopprijzen van de rederijen voor het zeevervoer een-op-een aan Vion zou doorbelasten, zonder eigen marge voor UTI. Vion verwijst hiervoor naar de schriftelijke verklaringen van [B] en [D] (bijlagen 5 en 11 van Vion) en naar de drie conceptversies van de FSA die zijn gewisseld en de reactie van UTI daarop (bijlagen 8, 9 en 10 van Vion).
5.14.
De rechtbank overweegt dat uit hetgeen Vion naar voren brengt niet blijkt dat zij met UTI uitgebreid over de FSA heeft onderhandeld. Vion heeft ook geen inzicht gegeven in hoe de onderhandelingen zijn verlopen (wie heeft wie wanneer gesproken, gemaild, enz., en waar ging het specifiek over?) en of het niet langer door UTI hanteren van een marge daarbij uitdrukkelijk aan de orde is geweest en zo ja, op welke wijze. Vion heeft in dat kader slechts drie e-mailberichten overgelegd (bijlagen 8 tot en met 10 van Vion). De berichten zijn erg kort, zeker afgezet tegen het belang bij deze overeenkomst. In de berichten wordt ook nauwelijks ingegaan op de inhoud van de concepten, wat er is gewijzigd, waar nog specifiek aandacht aan moet worden besteed of waarover is gesproken, etc. Er blijkt in ieder geval niet uit dat er aandacht is geweest voor de vraag of UTI een marge zou mogen blijven hanteren. De rechtbank licht dit hieronder nog nader toe.
(i) Uit de schriftelijke verklaringen van [B] en [D] volgt dat het [B] was die enkele gesprekken met [A] voerde over een nieuwe samenwerking, waarna [B] de uitkomst daarvan deelde met [D] , die vervolgens een conceptversie van het contract opstelde en dat aan [A] stuurde, waarna dat concept nog tweemaal werd aangepast voordat het door partijen werd ondertekend. Ook [A] heeft verklaard dat de onderhandelingen op deze wijze hebben plaatsgevonden.
(ii) [B] heeft in zijn verklaring in algemene bewoordingen aangegeven wat de uitkomst was van de gesprekken met [A] , en wat de verwachtingen en belangen waren van partijen bij de nieuwe samenwerking. [B] heeft verklaard dat er wat hem betreft geen enkele onduidelijkheid over kan bestaan dat partijen hebben afgesproken dat UTI de rederijtarieven een-op-een zou doorbelasten aan Vion – wat volgens hem blijkt uit de toevoeging net-net in de FSA – maar [B] heeft niet concreet verklaard dat en in welke zin hij met [A] heeft gesproken over het niet langer hanteren van een marge over de inkoopkosten door UTI. Dat dit tussen hem en [A] uitdrukkelijk is besproken en afgesproken, is niet gesteld of onderbouwd.
(iii) [D] heeft een eerste conceptversie voor een overeenkomst over de nieuwe samenwerking opgesteld, zonder annexen, die [B] op 29 januari 2019 aan [A] heeft gestuurd (bijlage 8 van Vion), met als begeleidende tekst:
“Bijgaand concept ovk mbt de samenwerking op inkoopgebied van zeevracht.
Vraag mijnerzijds is of de scheiding der activiteiten duidelijk genoeg omschreven is, dwz dit betreft de vergoeding voor de door UTI onderhandelde tarieven en NIET voor overige activiteiten, bijvoorbeeld trucking. Dienen we dit nader te specificeren.
Andere vraag is of het duidelijk genoeg is dat dit een serieuze samenwerkingsovereenkomst is maar dat er geen exclusiviteit noch volume garanties door Vion gegeven (kunnen) worden.”
(iv) Op 3 april 2019 heeft [D] een tweede conceptversie, nu wel met annexen, aan [A] gestuurd (bijlage 9 van Vion), met als begeleidende tekst:
“Bijgaand het nieuwe concept wat ik nog met onze legal afdeling moet bespreken. Zij geven aan dat het “één geheel” moet zijn, ik moet er achteraan om te kijken wat ze hier mee bedoelen. Mij lijkt dat het niet ver van de versie af zal zitten die ik hier nu stuur. Zeevrachttarieven moeten nog toegevoegd worden.”
(v) [A] heeft diezelfde dag gereageerd (bijlage 9 van Vion) als volgt:
“ziet er wat mij betreft prima uit. Twee minor kanttekeningen.
[rechtbank: volgt een opmerking over betalingstermijn en Euromax toeslag]
Wij zullen de nieuwe tarieven met de afgesproken zeevrachten per heden aan jullie gaan doorbelasten en denk te kunnen zeggen dat onze gezamenlijk bedachte nieuwe samenwerking een bijzonder positief effect heeft gehad op onze toch al plezierige samenwerking. Wanneer jij de zeevrachten wenst toe te voegen zie ik deze uiteraard ook nog wel tegemoet.”
(vi) Op 8 april 2019 heeft [D] vervolgens een derde versie van de overeenkomst aan [A] gestuurd (bijlage 10 van Vion) met als begeleidende tekst:
“Onze legal afdeling heeft ook naar de mantelovereenkomst gekeken en ik heb aan de hand daarvan e.e.a. denk ik duidelijker omschreven met services, products en prijzen hiervoor.
Laat maar even weten of deze versie OK is, dan voeg ik de prijzen voor de zeevracht nog toe en dan kan het bij ons in de ondertekeningsprocedure.”
(vii) De drie versies van de FSA die zijn gedeeld waren elk tamelijk anders van opzet, maar bij het versturen van de tweede en derde versie heeft Vion de tekstwijzigingen ten opzichte van eerdere versies voor UTI niet zichtbaar gemaakt, en in de begeleidende mails is daar ook nagenoeg geen aandacht aan besteed. De ‘net-net’ bepaling in annex 3 waar Vion een beroep op doet, en die volgens Vion zou zijn toegevoegd om te benadrukken dat de tendertarieven van de rederijen door UTI zonder marge aan Vion zou worden doorbelast, is pas in de derde en laatste conceptversie voor het eerst opgenomen. In dat laatste concept en ook in de begeleidende mail aan [A] ontbreekt een nadere toelichting op het alsnog opnemen van deze bepaling in de overeenkomst. Vion heeft niet aan UTI duidelijk gemaakt wat zij met die bepaling bedoelde en dat dit dus fundamenteel anders was dan onder de Mantelovereenkomst (dit terwijl door Vion in de begeleidende mail wel aan de Mantelovereenkomst is gerefereerd). Van de zijde van UTI is op deze toevoeging van de ‘net-net’ bepaling niet gereageerd. Volgens [D] (Vion) heeft hij deze bepaling op instructie van [B] in de FSA gezet maar onduidelijk blijft waarom [B] die instructie gaf. De rechtbank verwijst ook naar punt (ii) hiervoor als het gaat om de gesprekken tussen [B] en [A] . Vion heeft verder niets verklaard over andere contacten met UTI waarin de ‘net-net’ bepaling aan de orde zou zijn gekomen.
5.15.
De rechtbank concludeert dat door Vion niet is gesteld en ook nergens uit blijkt dat in de onderhandelingsgesprekken zoals die tussen partijen hebben plaatsgevonden, of in de correspondentie tussen partijen over de conceptversies van de FSA, op enig moment uitdrukkelijk aan de orde is geweest dat UTI niet langer een marge zou hanteren op de inkoopprijzen van rederijen. Dat de uitkomst van de onderhandelingen was dat UTI geen marge meer zou hanteren, is hiermee door Vion dan ook onvoldoende onderbouwd. Bij deze stand van zaken heeft Vion redelijkerwijs niet mogen begrijpen dat er geen eigen marge meer voor UTI zou zijn.
De inhoud van de FSA: ‘joint buying’, ‘net-net’ en het gebruik van vaste fees
5.16.
Vion stelt dat uit de inhoud van de annexen 2 en 3 van de FSA en de daarin gekozen bewoordingen besloten ligt dat partijen voor het zeevervoer samen zouden gaan optrekken in het tenderproces met de rederijen (‘joint buying’), dat UTI de inkoopprijzen van de rederijen een-op-een aan Vion zou doorbelasten (‘net-net’) en dat UTI voortaan uitsluitend zou worden betaald in de vorm van vaste fees per container.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat de teksten in de annexen 2 en 3 van de FSA (hiervoor geciteerd onder punt 3.13) niet helder zijn over de vraag hoe het ‘joint buying’ in dit geval in zijn werk zou gaan en of UTI daarbij nog een marge zou mogen hanteren over de inkoopprijzen.
(i) De FSA is een overeenkomst op basis van ‘joint buying’ maar in annex 2 van de FSA staat niet goed uitgelegd wat partijen in dit geval hebben bedoeld met ‘joint buying’ of ‘consortium buying’. Partijen zijn het erover eens dat zij meer samen zouden optrekken in het tenderproces met de rederijen, maar hoe dat tenderproces eruit zou gaan zien is in de FSA niet uitgewerkt en wat het ‘tender result’ is, als bedoeld in annex 2 onder 2, is ook niet gedefinieerd. Mogelijk was het de bedoeling, zoals Vion stelt, dat Vion en UTI voortaan samen de tender zouden uitschrijven voor de rederijen, waarbij het ‘tender result’ dan de tarieven zouden zijn zoals door Vion en UTI met de rederijen uitonderhandeld. Maar omdat een uitwerking in de FSA ontbreekt, kan de bedoeling ook zijn geweest, zoals UTI stelt, dat net als onder de FSA alleen Vion de tender zou uitschrijven en dat UTI voor de vracht van Vion met een aantal rederijen zou onderhandelen, waarbij het ‘tender result’ de verschillende tarieven per lane zouden zijn die UTI vervolgens aan Vion zou aanbieden, waarbij het UTI zou vrijstaan daarbij een marge te hanteren. De FSA geeft hierover geen uitsluitsel. In annex 2 van de FSA staat dat UTI ‘on behalf of Vion’ met rederijen zal gaan onderhandelen over vrachttarieven, en daarbij haar best zal doen om gunstige tarieven voor Vion te onderhandelen. Ook daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat UTI alleen de met de rederij onderhandelde inkoopprijs aan Vion mocht doorbelasten. Hoe na het sluiten van de FSA feitelijk uitvoering is gegeven aan het tenderproces, zal hierna aan de komen onder punt 5.20 sub (i) en (ii).
(ii) In annex 3 van de FSA staat ‘Oceanfreight rates are agreed net-net’. Deze bepaling is pas in de derde en laatste versie van de conceptversie van de FSA toegevoegd door [D] , zonder toelichting of uitleg aan UTI wat daarmee is bedoeld. [D] heeft in zijn mail van 8 april 2019, waarmee hij die laatste conceptversie stuurde aan UTI, gerefereerd aan de Mantelovereenkomst (zie citaat in punt 5.14 sub (vi)), maar daarbij niet vermeld dat met ‘net-net’ tarieven in annex 3 door hem iets anders zou zijn bedoeld dan met ‘de geldende nettoprijzen’ uit artikel 4 van Pro de Mantelovereenkomst (zie citaat onder punt 3.7), waarvan tussen partijen vaststaat dat deze wel een marge voor UTI mochten bevatten. Volgens UTI betekende ‘net-net’ in de FSA net als onder de Mantelovereenkomst dat UTI alleen de in de tender met Vion afgesproken prijzen aan Vion mocht factureren, en geen bijkomende kosten. De stelling van Vion ter zitting dat ‘net-net’ in de branche een gebruikelijke term is die in een geval als dit betekent dat de expediteur enkel inkoopprijzen mag doorbelasten, is door UTI betwist en door Vion niet nader onderbouwd en kan daarom niet slagen. Uit het gebruik van de woorden ‘net-net’ in annex 3 kan dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat UTI geen marge (meer) mocht rekenen over de rederijtarieven.
(iii) In de FSA is bepaald dat UTI aanspraak kan maken op fees: een ‘joint buying fee’ van € 25,- per vervoerde container (tot een maximum van € 100.000,- per jaar) en een ‘handling fee’ van € 40,- per geboekte koelcontainer. Dit was nieuw in de FSA: onder de Mantelovereenkomst was het in rekening brengen van fees niet overeengekomen (en dat gebeurde ook niet). Het idee om te gaan werken met fees lijkt afkomstig te zijn geweest van UTI, die daarover voorstellen deed in de presentatie (zie onder punt 3.11). Waarom dat werd voorgesteld en waarop de bedragen van die fees waren gebaseerd, heeft UTI ter zitting niet kunnen uitleggen. Partijen hebben ook niet kunnen aangeven of, en zo ja, in welke zin over het gebruik van fees, de hoogte daarvan en de gevolgen daarvan voor het hanteren van marge is onderhandeld. Dat het gebruik van fees verband hield met een behoefte van Vion aan meer transparantie over de tarieven die rederijen hanteren, zoals Vion stelt, is door Vion niet aan de hand van concrete feiten toegelicht. De rechtbank verwijst naar punt 5.10 sub (i). Dat de introductie van fees zonder meer betekende dat geen marge meer mocht worden gerekend door UTI, is door Vion onvoldoende onderbouwd. Ter zitting is van de kant van Vion erkend dat in de branche geen sprake is van een vast gebruik om óf een marge óf een fee te hanteren, maar dat partijen alles met elkaar kunnen afspreken, ook een combinatie van fee en marge.
(iv) De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de hoogte van de fees zodanig was dat Vion er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat door UTI niet ook een marge zou worden gehanteerd. UTI heeft toegelicht dat de nieuwe manier van samenwerken voor haar extra werk met zich zou brengen; zo moest zij per lane met meerdere rederijen onderhandelingen gaan voeren om te komen tot een scherpe prijsopgave aan Vion per rederij en zou de uitvoering extra werk met zich brengen omdat soms per lane de vracht over schepen van verschillende rederijen verdeeld moest worden. Dit is door Vion niet voldoende concreet weersproken. En zoals UTI heeft aangevoerd kon zij slechts beperkte marges hanteren omdat haar tarieven anders niet zouden concurreren met die van andere expediteurs en rederijen waarmee Vion ook samenwerkte. UTI zou anders geen opdrachten meer van Vion krijgen. Ook dit heeft Vion niet betwist. UTI heeft aangevoerd dat zij met enkel de fees haar kosten niet kon dekken. Vion voert aan dat als dat al zo zou zijn, wat zij betwist, de FSA voor UTI toch commercieel interessant was omdat UTI met het volume van Vion bovenop haar eigen volume haar inkoopkracht kon vergroten en betere marges kon maken op transport voor andere opdrachtgevers dan Vion (zie onder andere de verklaring van [B] , bijlage 5 van Vion). Dat zij haar verliezen op de werkzaamheden voor Vion op deze manier zou kunnen compenseren bij andere opdrachtgevers, is door UTI weersproken. De rechtbank acht het ook niet zonder meer aannemelijk dat UTI er bewust mee zou instemmen om de winstgevende samenwerking onder de Mantelovereenkomst te vervangen door een mogelijk verlieslatende nieuwe samenwerking onder de FSA, waarbij zij dat verlies dan op andere opdrachtgevers zou moeten afwentelen. Vion heeft niet toegelicht uit welke concrete omstandigheden zij redelijkerwijs mocht afleiden dat UTI haar instemming gaf voor een nieuwe samenwerking met Vion die voor haar mogelijk verlieslatend zou zijn. Ook ontbreekt een heldere toelichting van Vion op het economisch evenwicht en de business case van de nieuwe samenwerking, bezien vanuit het perspectief van beide partijen. Al met al is de rechtbank van oordeel dat uit de keuze voor het in rekening brengen van fees onder de FSA onder deze omstandigheden niet kan worden afgeleid dat partijen bedoeld hebben te bepalen dat UTI geen marge meer mocht hanteren.
5.18.
De rechtbank beziet al het voorgaande (onder punt 5.6 tot en met 5.17) in onderlinge samenhang en komt tot de conclusie dat Vion haar stelling, dat in de inhoud van de FSA en de daarin gekozen bewoordingen besloten zou liggen dat UTI geen marge meer mocht hanteren, onvoldoende aan de hand van concrete feiten heeft onderbouwd. Bovendien ligt het voor de hand dat Vion een dergelijk voor haar belangrijk punt concreet en expliciet in de overeenkomst of de toelichting daarop zou benoemen, maar daarover is niets naar voren gebracht.
De handelwijze van partijen na het sluiten van de FSA
5.19.
Vion stelt dat haar uitleg van de prijsafspraken in de FSA steun vindt in de wijze waarop partijen na het sluiten van de FSA met elkaar samenwerkten.
5.20.
Uit het debat van partijen volgt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.
(i) Onder de Mantelovereenkomst koos UTI zelf met welke rederij(en) ze in onderhandeling trad voor de vracht van Vion. Als ze een rederij had gevonden die een goed tarief hanteerde, dan ging ze daarmee in zee en bood ze dat tarief (verhoogd met een eigen marge) aan Vion aan. Het idee van de FSA was dat Vion en UTI meer samen zouden optrekken in het tenderproces met de rederijen, en gelet op wat partijen daarover naar voren hebben gebracht staat wel vast dat het tenderproces onder de FSA feitelijk ook anders verliep. Vion en UTI hebben de rederijen onderling verdeeld en zijn ieder afzonderlijk onderhandelingen met die rederijen gaan voeren. Vion had zodoende direct zicht op de tarieven per lane van de rederijen die zij zelf bezocht. UTI kwam bij Vion terug met per lane de tarieven van de rederijen die zij had bezocht. Partijen vergeleken vervolgens die tarieven en na het verdelen van de vrachtvolumes gingen zij soms nog een keer terug naar rederijen om te proberen een scherper tarief te onderhandelen.
(ii) Door Vion is niet gesteld dat UTI de tarieven waarmee ze bij Vion terugkwam uitdrukkelijk bij haar heeft gepresenteerd als de inkooptarieven van die rederijen zónder eigen marge voor UTI. Vion heeft wel aangevoerd dat zij altijd heeft gedacht dat het ging om de inkooptarieven, zoals de heer [E] , die namens Vion vanaf begin 2021 betrokken was bij het tenderproces, namens Vion heeft verklaard (bijlage 34 van Vion). De rechtbank acht aannemelijk dat Vion dat heeft gedacht, maar ziet bij gebreke van een toelichting over concrete feiten onvoldoende grond om te oordelen dat Vion daar ook redelijkerwijs vanuit mocht gaan. Zoals de rechtbank hiervoor uitvoerig heeft besproken, staat immers niet vast dat daarover met UTI uitdrukkelijk of anderszins een afspraak was gemaakt.
(iii) Vion voert nog aan dat UTI vóór de FSA in mailberichten sprak over haar eigen tarieven (zonder een rederij te noemen):
‘onze tarieven zoals wij die kunnen offreren’(bijlage 4 van Vion), terwijl UTI onder de FSA de tarieven doorgaf zoals ze met de rederijen waren afgesproken:
‘in de bijlage de tarieven zoals we deze hebben afgesproken. Uiteraard rekening gehouden met de floating baf. Vanzelfsprekend zijn de tarieven all-in wat wij gezamenlijk hebben afgesproken en hebben afgestemd’(bijlage 13 van Vion). De rechtbank overweegt dat UTI onder de FSA weliswaar, anders dan daarvoor, een tarief per rederij opgaf, maar dat uit de tekst van bijlage 13 niet eenduidig blijkt dat UTI het daarin heeft over de tarieven zoals zij die met de rederij heeft afgesproken (het inkooptarief zonder eigen marge voor UTI). UTI maakte ook tariefafspraken met Vion en niet duidelijk is aan welke afspraak of afspraken UTI hier refereert: die met de rederij of die met Vion.
5.21.
De rechtbank ziet al met al in de gedragingen van partijen na het sluiten van de FSA, bezien in samenhang met al het voorgaande (vanaf punt 5.6), onvoldoende grond om aan te nemen dat de FSA zo moet worden uitgelegd dat deze geen ruimte bood voor UTI om een marge te hanteren op de tarieven voor het zeevervoer.
Het telefoongesprek met [A]
5.22.
Vion heeft kort voor de mondelinge behandeling een transcript en een audiobestand overgelegd van een telefoongesprek van 19 december 2022 tussen [D] en [A] (bijlagen 36 en 37 van Vion). Vion stelt dat [A] in dit gesprek meermaals heeft bevestigd dat de afspraak was gemaakt dat UTI haar inkooptarieven bij de rederijen een-op-een aan Vion in rekening zou brengen, dus zonder verschil tussen rederijtarieven en tendertarieven, vermeerderd met de fees. Volgens Vion is de andersluidende schriftelijke verklaring van [A] van 21 september 2023 (bijlage 4 van UTI) ongeloofwaardig en vermoedelijk zo afgelegd onder druk van UTI.
5.23.
UTI meent dat Vion deze heimelijk gemaakte opname van ruim drie jaar geleden eerder in het geding had moeten brengen, en dat Vion verkeerde conclusies verbindt aan dit telefoongesprek. UTI heeft een aanvullende verklaring overgelegd van [A] van 23 februari 2026 (bijlage 15 van UTI) waarin [A] volhardt bij de juistheid van zijn eerdere verklaring en aangeeft dat die gespreksopname, hoewel het gesprek wat rommelig verliep, dat ook bevestigt.
5.24.
De rechtbank overweegt over de bijlagen 36 en 37 van Vion dat deze niet alleen bijzonder laat in het geding zijn gebracht, maar, bezien in samenhang met al het voorgaande, ook niet voldoende kunnen bijdragen aan het door Vion te leveren bewijs van de door haar bepleite uitleg van de prijsafspraken in de FSA. De rechtbank heeft het gesprek beluisterd en is van oordeel dat daaruit onvoldoende blijkt van een duidelijke erkenning door [A] dat de afspraken zijn gemaakt zoals Vion bepleit. Uit het gesprek blijkt dat [D] er op verschillende manieren op heeft aangestuurd dat [A] zou bevestigen dat met hem de afspraak was gemaakt dat UTI van Vion enkel de inkoopprijs van de rederij plus de fees zou ontvangen en niet ook nog een marge. [A] , die met deze vraag werd overvallen, heeft daarop wel in zekere zin instemmend geantwoord, maar daarbij lijkt het erop dat hij niet echt op de kwestie heeft willen ingaan, [D] mogelijk naar de mond heeft willen praten en het gesprek op een vriendelijk niveau heeft willen voeren gezien de handelsrelatie tussen partijen. De passage onder regelnummers 68 tot 73 van de transcriptie (bijlage 36 van Vion) illustreert dit (waarbij met ‘ [D] ’ is bedoeld [D] en met ‘ [A] ’ is bedoeld [A] ):
“68. [D] : Is het zo dat in die drie jaar dat wij zaken hebben gedaan dat daar altijd een marge tussen gezeten heeft?
69. [A] : Dat waren gewoon de rederij-tarieven en dat was hetgeen wat wij hebben afgesproken.
70. [D] : Dus de inkoop van de rederij plus de twee fees dat is, dat zeg jij ook dat dat is afgesproken?
71. [A] : Ja, ja.
72. [D] : Nou dat is toch heel duidelijk dan?
73. [A] : Ja, zo was het. En natuurlijk waren daar wel fluctuaties in, met name bijvoorbeeld bij een MSC was dat in het extreme dat is gewoon, ook in jullie voordeel zeg maar, dat MSC wel deed we doen plus 2000 en daar hebben wij ons wel aan die tarieven gehouden. Dus dat dat moest, want dat gewoon die afspraak was. En MSC hield zich daar niet meer aan, maar dat weet jij als geen ander.”
Van een ondubbelzinnige of voldoende duidelijke erkenning door [A] is in de visie van de rechtbank, in het licht van de betwisting door [A] in zijn schriftelijke verklaring over hoe zijn woorden moeten worden uitgelegd (hoe Vion dat uitlegt) en zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling, geen sprake. Evenals Vion en UTI in de aanloop naar en bij het aangaan van de FSA, lijken [D] en [A] tijdens dit telefoongesprek langs elkaar heen te praten. De rechtbank verwijst naar de hiervoor genoemde passages en ook naar de volgende passages:

38. [D] : (…) is de discussie dus ontstaan wat nu net-net is. Er staat letterlijk in het contract dat de tarieven die Vion belast krijgt, dat die op net-net basis doorbelast worden. En wij interpreteren dat als van de factuur van de carrier gaat een op een naar Vion en daar komen dan de fees overheen. (….)
39. [A] : Uhu.(…)
44. [D] : Nou er blijkt weldegelijk (..) een marge te zitten tussen de inkoop en factuur naar Vion en daar komen dan nog een keer de fees bovenop. Hoe zie jij dat dan [A] , hoe zie jij dat contract dan?
45. [A] : van welke rederij is dat dan? Weet jij dat?
46. [D] : Dat weet ik niet. (..)
(…)
47. [A] : Nee, maar ja, die net-net tarieven zoals we die uit hebben onderhandeld met de rederijen die fluctueren. Want op een gegeven moment zijn er toeslagen gekomen, bedoel je dat nou?
48. [D] : Nee dat bedoel ik niet. (..) Maar er is, ja nogmaals, door [F] en door [G] (rechtbank: beide werkzaam bij UTI) aangegeven dat net-net door hun geïnterpreteerd wordt als het tendertarief. Een het tendertarief is de inkoop bij een rederij (…) plus een marge. Dat gaat naar Vion en dan nog de twee fees erop. (…)
49. [A] : Uhu.
50. [D] : (…) Maar heb ik dus, krijg ik dus te horen van [F] en [G] :’Nee, het is inkoop plus marge en dan nog twee fees.”Ja…..
51. [A] : Ja…. maar sinds wanneer is dat dan?
52. [D] : Nou nee, dat weten wij niet zeker…
[D] vat de bewoordingen “gewoon de rederij-tarieven” en “inkoop van de rederij” en “tendertarieven” op als een uitsluiting van iedere eigen marge van UTI, terwijl [A] de mogelijkheid openhoudt van een dergelijke marge als onderdeel van wat hij “rederij-tarieven” of “inkoop van de rederij” noemt. Als [D] met zoveel woorden zou hebben gevraagd “was iedere eigen marge van UTI uitgesloten” en als [A] daarop “ja” zou hebben geantwoord, dan zou de rechtbank dat wel opvatten als een ondubbelzinnige erkenning, maar zo is het gesprek niet gegaan.
Slotsom
5.25.
De rechtbank overweegt concluderend het volgende. Volgens Vion hebben partijen bij het aangaan van de FSA gekozen voor een andere manier van samenwerken. Zij zouden gaan samenwerken op basis van ‘joint buying’, in verband waarmee het tenderproces anders zou gaan verlopen en het vergoedingensysteem zou veranderen door de introductie van vaste fees. Zoals Vion ook aangeeft ging het hier om een wezenlijke wijziging ten opzichte van de manier waarop partijen in de vele jaren daarvoor hadden samengewerkt. Van een grote professionele partij als Vion, met een eigen juridische afdeling die naar Vion stelt ook bij het opstellen van de FSA betrokken was, mocht worden verwacht dat zij ervoor zou zorgen dat alle voor haar belangrijke onderdelen van de nieuwe samenwerking met UTI zouden worden besproken en in de FSA zouden worden neergelegd. Waar Vion van UTI verwachtte dat deze onder de FSA, anders dan onder de Mantelovereenkomst, geen marge meer zou hanteren maar enkel haar inkooptarieven zou doorbelasten, mocht redelijkerwijs van Vion worden verwacht dat zij dit uitdrukkelijk aan UTI zou voorleggen en in de FSA zou opnemen. Het lijkt er echter op dat de kwestie van de marge op geen enkel moment uitdrukkelijk aan de orde is geweest; niet tijdens de presentatie door [A] , niet bij de onderhandelingsgesprekken en ook niet bij het opstellen van de tekst van de FSA. De tekst van de FSA geeft hierover ook geen uitsluitsel. Onder deze omstandigheden mocht Vion er niet zonder meer en stilzwijgend van uitgaan dat UTI onder de FSA geen marge meer zou hanteren, wat Vion wel lijkt te hebben gedaan.
5.26.
Tot slot overweegt de rechtbank dat – anders dan UTI blijkens haar presentatie wel had gewenst – partijen in de FSA geen afspraken hebben gemaakt over exclusiviteit of omzetgaranties. Vion wilde dergelijke afspraken niet en behield dus ook onder de FSA volledig de vrijheid om het zeevervoer van haar containers uit te besteden aan andere expediteurs dan UTI, of rechtstreeks aan rederijen. Onder de FSA heeft Vion feitelijk ongeveer de helft van het zeevervoer van al haar containers door UTI laten verzorgen. Kennelijk bood UTI, ook met een eigen marge, concurrerende tarieven. Vion heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom zij redelijkerwijs mocht verwachten dat UTI voor nog lagere tarieven (namelijk zonder eigen marge voor UTI), wellicht zelfs onder de marktprijs, het zeevervoer voor haar zou verzorgen. De rechtbank verwijst naar wat hierover is overwogen onder punt 5.17 sub (iv).
5.27.
Met toepassing van de hiervoor onder punt 5.4 weergegeven maatstaf voor de uitleg van een overeenkomst, en rekening houdend met de bewijslastverdeling zoals toegelicht in punt 5.5, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Vion moet worden afgewezen. Wat Vion heeft aangevoerd, bezien in onderlinge samenhang, is onvoldoende om op basis daarvan te kunnen oordelen dat de FSA moet worden uitgelegd zoals Vion bepleit. Voor nadere bewijslevering door Vion ziet de rechtbank geen ruimte, bij gebreke van voldoende toegelichte concrete feiten die de door Vion beoogde conclusies kunnen dragen.
De voorwaardelijke (incidentele) vorderingen
5.28.
Aangezien de hoofdvorderingen van Vion moeten worden afgewezen, behoeft de hoogte van het gevorderde bedrag niet te worden vastgesteld. Aan een beoordeling van de voorwaardelijke (incidentele) vorderingen van Vion die daarop betrekking hebben, wordt daarom niet toegekomen.
De proceskosten
5.29.
Vion is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van UTI worden begroot op:
- griffierecht
8.519,00
- salaris advocaat
11.577,50
(2,5 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
20.285,50
5.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst het door Vion gevorderde af,
6.2.
veroordeelt Vion in de proceskosten van € 20.285,50, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Vion niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Vion tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
stelt vast dat het voorwaardelijk deel van de vordering van Vion en het voorwaardelijk incident geen behandeling behoeven,
6.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten, mr. L.S. Frakes en mr. S.A.H.J. Warringa en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.