ECLI:NL:RBOBR:2026:4420

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
SHE 25/1990
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij Ziektewetuitkering

Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV van 6 augustus 2008 waarin zijn Ziektewetuitkering werd stopgezet. Hij diende pas in 2025 een bezwaarschrift in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. Eiser stelde vervolgens beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Tijdens de zitting overhandigde eiser een beslissing op bezwaar van 11 november 2008, waaruit bleek dat het bezwaar al destijds was behandeld. De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep, omdat het geschil feitelijk al was beslecht.

Eiser verzocht het UWV te veroordelen in proceskosten, stellende dat het UWV niet alle relevante stukken had verstrekt. De rechtbank verwierp dit, omdat het UWV de stukken niet meer kon vinden en de bewaartermijn van 5 jaar was verstreken. De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1990

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. van der Linden),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen het besluit van 6 augustus 2008. Met dat besluit heeft het UWV een maatregel aan eiser opgelegd die inhoudt dat zijn Ziektewetuitkering niet wordt betaald. Het UWV heeft het bezwaar van 5 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens de zitting is gebleken dat het UWV op 11 november 2008 al heeft beslist op het bezwaar van 18 augustus 2008. Eiser heeft zijn beroep niet ingetrokken, maar hij verzoekt wel het UWV te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in bezwaar en beroep.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser bij de beoordeling van het bestreden besluit geen belang meer heeft. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 augustus 2008 heeft het UWV een maatregel aan eiser opgelegd die inhoudt dat zijn Ziektewetuitkering niet wordt betaald.
2.1.
Op 5 februari 2025 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van het UWV van 6 augustus 2008. Het UWV heeft het bezwaar van eiser met het besluit van 9 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser de bezwaartermijn zeer ruim heeft overschreden (het bestreden besluit).
2.2.
Eiser heeft op 16 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Partijen hebben desgevraagd aangegeven dat zij niet opnieuw op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft daarom op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het besluit van 9 juli 2025
3. In de bezwaarprocedure heeft het UWV eiser gevraagd wat de reden is voor de termijnoverschrijding. Eiser heeft daarvoor als reden gegeven dat hij zijn bezwaar al op 10 september 2008 heeft verstuurd en dat dit niet in behandeling is genomen. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij dit bezwaarschrift nooit heeft ontvangen. Het UWV heeft de digitale en fysieke dossierstukken bekeken en naar eiser opgestuurd. Volgens het UWV is tussen deze dossierstukken het bezwaarschrift niet teruggevonden.
3.1.
Tijdens de zitting heeft eiser een beslissing op bezwaar overgelegd van 11 november 2008. Hij heeft toegelicht dat hij die kort voor de zitting op zijn zolder heeft gevonden. Uit deze beslissing blijkt dat eiser op 18 augustus 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van 6 augustus 2008 en dat daarop is beslist.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij dit beroep. Hij wilde bereiken dat er een beslissing werd genomen op zijn bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2008 en die beslissing is al op 11 november 2008 genomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is.
Wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van eiser?
4. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep en het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. [2] Dit kan ook als het beroep niet-ontvankelijk is.
4.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het UWV te veroordelen in de proceskosten. Eiser stelt zich daartoe op het standpunt dat het noodzakelijk was om deze procedure te voeren doordat het UWV, zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase, niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking heeft gesteld. Als het UWV dat wel had gedaan, had eiser deze procedure niet hoeven te voeren.
4.2.
Het UWV heeft ter zitting verklaard dat hij alle fysieke dossiers die er nog waren uit het archief heeft opgevraagd en heeft bekeken, maar dat hij de beslissing van 11 november 2008 niet heeft aangetroffen. Het UWV stelt daarnaast dat hij gelet op het tijdverloop vermoedt dat hij dit niet meer boven water kan krijgen. Ten aanzien van het verzoek om een veroordeling in de proceskosten volgt het UWV hetgeen is bepaald in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft de beslissing van 11 november 2008 gevonden in een doos op zolder, kort voor aanvang van de zitting van 9 maart 2026 waarin het ging om het bestreden besluit. De bezwaarprocedure die aanleiding heeft gegeven voor het bestreden besluit is echter op 5 februari 2025 gestart. Eiser beschikte op dat moment al over de beslissing op bezwaar van 11 november 2008. De rechtbank oordeelt dat het aan eiser zelf is te wijten dat hij voor het opstarten van zowel de bezwaar- als beroepsprocedure, niet eerst goed heeft gecontroleerd of het bezwaar dat hij in 2008 maakte niet reeds was afgehandeld. Eiser had deze procedure daarmee kunnen voorkomen.
4.4.
Het standpunt van eiser dat deze procedure had kunnen worden voorkomen als het UWV alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overlegd, volgt de rechtbank niet. Sinds de beslissing op bezwaar van 11 november 2008 zijn namelijk meer dan 16 jaar verstreken. De rechtbank sluit gelet op dit tijdverloop niet uit dat het UWV niet meer over de beslissing op bezwaar van 11 november 2008 beschikt. Conform hoofdstuk II, paragraaf B, categorie 3.1 van de selectielijst van het UWV, is de bewaartermijn voor een beslissing op bezwaar 5 jaar na afhandeling van de bezwaarprocedure. [3] Dat zou betekenen dat het UWV de beslissing op bezwaar van eiser al geruime tijd geleden kan hebben vernietigd. Het is dan ook niet aan het UWV te wijten dat hij 16 jaar na de beslissing op bezwaar niet in staat is om dit stuk ter beschikking te stellen.
4.5.
Voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.

Conclusie

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit niet inhoudelijk beoordeelt. Het UWV hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden en eiser krijgt het griffierecht ook niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:64 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit volgt uit artikel 8:75 van Pro de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Selectielijst Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Stcrt. 2017, 9044.