Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4419

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
26/152
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.45 OmgevingsplanArt. 22.63 OmgevingsplanArt. 22.70 OmgevingsplanArt. 22.74 OmgevingsplanArt. 6.6 Omgevingsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en aanpassing maatwerkvoorschriften geluidsbelasting padelbanen gemeente Boxtel

Eiseres ervaart geluidsoverlast van padelbanen van een nabijgelegen vereniging en betwist de door het college vastgestelde maatwerkvoorschriften die een geluidsbelasting van 46 dB(A) toestaan. De rechtbank oordeelt dat het college de geluidsbelasting onjuist heeft berekend, onder meer doordat de garage van eiseres als relevant meetpunt niet is meegenomen en de bezettingsgraad van de banen te laag is ingeschat.

De rechtbank stelt vast dat de juiste geluidsbelasting 48 dB(A) bedraagt en dat de maatwerkvoorschriften met 46 dB(A) niet naleefbaar zijn. Het college heeft echter voldoende gemotiveerd waarom de hogere norm aanvaardbaar is, waarbij belangen van eiseres zijn afgewogen tegen het maatschappelijk belang van sportbevordering en de kosten van een groter geluidsscherm.

De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het de lagere geluidsnormen bevat en stelt de maatwerkvoorschriften zelf vast op 48 dB(A). Voorschriften voor toernooien vervallen omdat deze geen afwijking meer vormen. Eiseres krijgt gelijk in haar beroep, maar de vereniging mag de padelactiviteiten voortzetten binnen de aangepaste normen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de onjuiste maatwerkvoorschriften en stelt deze zelf vast op 48 dB(A), waarbij de padelactiviteiten mogen doorgaan binnen deze aangepaste normen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/152 OWMIL

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel

(gemachtigde: mr. B.M.E. Mallens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Tennis- en padelvereniging [naam] uit [woonplaats](de vereniging)
(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de geluidsbelasting die eiseres ervaart van een nabijgelegen tennis- en padelvereniging. De vereniging heeft het college verzocht om maatwerkvoorschriften zodat de padelactiviteiten binnen de geluidsnormen blijven. Het college heeft dat verzoek toegewezen. Eiseres vreest voor het voortduren van de overlast die zij ervaart. Volgens haar zijn de in de maatwerkvoorschriften gestelde normen niet goed vastgesteld en is de geluidsbelasting onaanvaardbaar hoger.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres gelijk heeft en dat de maatwerkvoorschriften van een verkeerde geluidsbelasting uitgaan. Omdat het college in deze procedure voldoende heeft onderbouwd dat en waarom het de werkelijke geluidsbelasting aanvaardbaar vindt, stelt de rechtbank maatwerkvoorschriften vast die wel overeenkomen met de werkelijke geluidsbelasting.
1.2.
Het beroep van eiseres is dus wel gegrond, maar het leidt niet tot het door haar gewenste gevolg. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. De vereniging heeft een aanvraag ingediend bij het college voor het opleggen van maatwerkvoorschriften. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 december 2025 toegewezen. Het college heeft dit bestreden besluit voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam] (partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres, [naam] (geluidsdeskundige van eiseres), de gemachtigde van het college, twee geluidsdeskundigen van het college ( [naam] en [naam] ) en de gemachtigden van de vereniging.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding en leeswijzer
3. De vereniging was van oorsprong een tennisvereniging met negen tennisbanen. Op enig moment heeft de vereniging één van de tennisbanen omgebouwd naar twee padelbanen. Omdat van padelbanen meer geluid afkomstig is dan van tennisbanen, heeft de vereniging het college verzocht om maatwerkvoorschriften die de padelsport legaliseren. Het college heeft met de maatwerkvoorschriften toegestaan dat specifiek op de woning van eiseres een geluidsbelasting met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 46 dB(A) is toegestaan. Daarbij heeft het college als eis gesteld dat de vereniging een geluidsscherm plaatst van 26 meter lang en 6 meter hoog.
3.1.
Eiseres is het niet eens met de maatwerkvoorschriften. Zij ervaart veel geluidsoverlast van de padelsport. Zij meent dat het college de geluidsbelasting verkeerd heeft berekend en deze ten onrechte aanvaardbaar heeft bevonden. Eiseres vindt ook dat het college de plaatsing van een langer geluidsscherm had moeten voorschrijven, namelijk van 55 meter.
3.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of het college de geluidsbelasting op de woning van eiseres op de juiste manier heeft berekend. De rechtbank zal daarbij tot de conclusie komen dat dit niet het geval is. Omdat het college de hogere geluidsbelasting aanvaardbaar acht, onderzoekt de rechtbank daarna of het college dat in redelijkheid kon doen. Nadat de rechtbank tot de conclusie komt dat dit het geval is, legt de rechtbank uit dat en waarom zij de maatwerkvoorschriften in hogere zin bijstelt.
Toetsingskader: inleiding
4. De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op de toegestane geluidsbelasting van de vereniging in de avonduren, tussen 19.00 en 23.00 uur. Op grond van artikel 22.63 van het omgevingsplan geldt in deze periode een maximale geluidsbelasting op een geluidgevoelig gebouw van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A).
4.1.
Op grond van artikel 22.45, eerste lid, van het omgevingsplan kan het college maatwerkvoorschriften stellen over – onder andere – de geluidsnormen van artikel 22.63. Met maatwerkvoorschriften kan het college afwijken van die geluidsnormen.
4.2.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de geluidsnormen die in deze zaak van toepassing zijn, eiseres slechts beperkt beschermen. Op grond van artikel 22.70, eerste lid, aanhef en onder c, van het omgevingsplan blijft het stemgeluid van bezoekers van de vereniging bij het bepalen van de geldende geluidsniveaus namelijk buiten beschouwing. Op grond van het tweede lid van deze bepaling wordt voor piekgeluiden geen rekening gehouden met geluiden van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. Deze piekgeluiden – die wel heel hinderlijk kunnen zijn – zijn dus niet gereguleerd.
Berekening geluidsbelasting
Inleiding
5. Volgens eiseres heeft het college de geluidsberekening verkeerd uitgevoerd. Daarbij heeft eiseres zich beroepen op een advies van een door haar ingeschakelde geluidsdeskundige. De werkelijke geluidsbelasting op de woning van eiseres is niet 46 dB(A), maar 48 dB(A). Eiseres voert daartoe twee argumenten aan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres op allebei de punten gelijk heeft, zodat het college uit had moeten gaan van een geluidsbelasting van 48 dB(A). Hierna legt de rechtbank uit waarom dat zo is.
Garage
6. Volgens eiseres had het college de garage van eiseres, die het dichtst bij de padelbanen van de vereniging ligt, ook als relevant meetpunt mee moeten nemen. Het college heeft in de besluitvorming ten onrechte verondersteld dat de garage geen deel uitmaakt van het geluidsgevoelige gebouw dat de woning van eiseres is.
6.1.
Het college is het met eiseres eens dat de garage mee had moeten worden gewogen.
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1.1 (begripsbepalingen), eerste lid, van het omgevingsplan, zijn de begripsbepalingen van (onder andere) Bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
In die Bijlage I, onderdeel A, van het Bkl wordt voor het begrip ‘geluidsgevoelig gebouw’ dan weer verwezen naar artikel 3.21 van het Bkl.
In artikel 3.21 van het Bkl staat dat een geluidgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.
Voor het begrip ‘nevengebruiksfunctie’ wordt volgens Bijlage I, onderdeel A, van het Bkl dan weer aangesloten bij de definitie die daaraan wordt gegeven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In de Bijlage I bij artikel 1.1, onder A, van het Bbl wordt ‘nevengebruiksfunctie’ gedefinieerd als ‘gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie’.
6.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de garage van eiseres ten dienste staat van het woongedeelte van eiseres en dus onderdeel uitmaakt van het geluidsgevoelige gebouw. Daarom was de geluidsbelasting op de gevel van de garage een relevant meetpunt. Het college had dit mee moeten wegen.
Representatieve bedrijfssituatie
7. Volgens eiseres is het college uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. Het college had uit moeten gaan van een bezetting van de padelbanen van 100% en niet van een bezetting van 85%.
7.1.
Het college zegt zich te baseren op de aanvraag van de vereniging. Daarin is vermeld dat sprake is van een bezetting van 85%.
7.2.
Op de zitting heeft de vereniging toegelicht dat de bezettingsgraad van 85% een jaargemiddelde bezettingsgraad is. De vereniging houdt dit geautomatiseerd bij door te kijken naar de reserveringen door het jaar heen. De vereniging heeft aangegeven dat in drukkere seizoenen een bezettingsgraad van 100% gangbaar is.
7.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 22.74 van het omgevingsplan wordt voor het berekenen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau gebruik gemaakt van de rekenmethoden die op grond van artikel 6.6 van de Omgevingsregeling gelden. In artikel 6.6 van de Omgevingsregeling wordt dan weer verwezen naar bijlage IVh van diezelfde regeling. In paragraaf 4.2 van die bijlage wordt over de representatieve bedrijfssituatie beschreven dat hiervoor kan worden aangesloten op de twaalf jaardagen na lawaaiigste jaardag. Anders gezegd: een bedrijfssituatie die meer dan twaalf keer per jaar voorkomt, mag geacht worden representatief te zijn. In deze zaak geldt dat, nu de vereniging gedurende het jaar voor langere periodes een padelbaanbezetting van 100% heeft, dit de representatieve bedrijfssituatie is. Het college is dus ten onrechte uitgegaan van een lager percentage.
Conclusie geluidsbelasting
7.4.
Het college heeft in de maatwerkvoorschriften bepaald dat de geluidsbelasting op de woning van eiseres, gemeten naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, maximaal 46 dB(A) mag bedragen. Partijen zijn het erover eens dat als het college uit was gegaan van de belasting van een 100% baanbezetting op de garage van eiseres, de geluidsbelasting maximaal 48 dB(A) bedraagt. Dat betekent dat de gestelde maatwerkvoorschriften niet naleefbaar zijn. De beroepsgrond slaagt dus.
Tussenconclusie
8. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de bestuursrechter maatwerkvoorschriften waarvan gebleken is dat deze niet naleefbaar zijn, vernietigt. [1] Dat zal de rechtbank later in deze uitspraak daarom ook doen.
8.1.
De rechtbank heeft het college op zitting gevraagd wat de volgende stap zou zijn als de rechtbank het besluit zou vernietigen. Het college heeft zich daarop op het standpunt gesteld dat het de correct berekende geluidsbelasting van 48 dB(A) eveneens aanvaardbaar vindt. Het college heeft de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien en de maatwerkvoorschriften zo aan te passen dan de toegestane geluidsbelasting, gemeten naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 48 dB(A) bedraagt.
8.2.
Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht beslecht de bestuursrechter het aan hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bezien of het college zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat een norm van 48 dB(A) aanvaardbaar is. Als dat het geval is, dan kan de rechtbank het geschil definitief beslechten door deze norm in de plaats te stellen van de 46 dB(A) die nu in de maatwerkvoorschriften staat.
Aanvaardbaarheid 48 dB(A)
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college haar belangen niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft afgewogen. Zij heeft veel last van de padelgeluiden en zij wenst rustig in de tuin te kunnen zitten en met open raam te kunnen slapen. De waarde van haar woning is ook gedaald. Het college heeft deze belangen niet kenbaar meegewogen bij het bepalen van de geluidsnormen in het bestreden besluit. Het college kon in redelijkheid niet besluiten dat de aanvankelijk beoogde norm van 46 dB(A) aanvaardbaar was. Dat geldt nog meer voor het toestaan van de door het college voorgestelde norm van 48 dB(A). Het college had aanleiding moeten zien om een groter geluidsscherm voor te schrijven dan het nu heeft gedaan.
9.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verhoogde geluidsnorm van 48 dB(A) acceptabel is om verschillende redenen. Het college stelt voorop dat deze norm de grenswaarde eerbiedigt die in artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan is gesteld voor de geluidsbelasting
binnende woning van eiseres van 30 dB(A). Daarbij rekent het college, zoals gebruikelijk, met een geluidsdempende werking van de gevels van de woning van 20 dB(A). Het college constateert dat de afwijking van de geluidsnormen in het omgevingsplan slechts nodig is ten aanzien van één woning die zich niet in een rustig gebied bevindt, mede gelet op het dubbele spoor en de eveneens nabijgelegen voetbalvelden. Het college heeft, gegeven deze informatie, de belangen van eiseres afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de bevordering van breedtesport in de gemeente Boxtel en daarmee de volksgezondheid. Het college heeft overwogen om een groter geluidsscherm voor te schrijven dat de geluidsbelasting op de woning van eiseres volledig weg zou nemen. Hiervan heeft het college echter afgezien vanwege het feit dat de kosten daarvan meer dan het dubbele zouden zijn dan van het voorgeschreven geluidsscherm, namelijk € 94.000,- in plaats van € 44.000,-. Dat acht het college onevenredig belastend voor de vereniging. Voor wat betreft de overlast die eiseres in haar tuin ervaart, stelt het college zich op het standpunt dat deze overlast niet gereguleerd is.
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van een bij maatwerkvoorschrift verhoogde geluidsnorm, zolang deze binnen de geldende grenswaarden blijft. Het college moet het belang van eiseres afwegen tegen verschillende andere maatschappelijke belangen en de rechtbank toetst niet zelf welk belang zij zwaarder vindt wegen. De rechtbank is van oordeel dat het college zich met de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de verhoogde norm van 48 dB(A) aanvaardbaar is. Het college heeft alle relevante belangen afgewogen en heeft daarbij de grenzen van zijn beoordelingsruimte niet overschreden. Het college kon zich ook op het standpunt stellen dat van de vereniging niet kan worden gevergd dat zij voor een relatief beperkte geluidswinst op één woning aanzienlijke aanvullende kosten maakt. Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de tuin van eiseres buiten het beschermingsbereik valt van de geluidsregels in het omgevingsplan en dat het college daar dus geen rekening mee hoeft te houden.
9.3.
De rechtbank merkt op dat zij oog heeft voor de door eiseres ervaren overlast. Het college en de vereniging gaan namelijk uit van een geluidsdempende werking van het voorgeschreven geluidsscherm van 7 dB(A). Op dit moment is er echter nog geen geluidsscherm aanwezig. Het ligt daarom in de rede dat eiseres op dit moment een aanzienlijke geluidsbelasting ervaart. Dit is echter een kwestie van handhaving. De rechtbank heeft van partijen begrepen dat hierover al een procedure loopt.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond omdat het college niet-naleefbare maatwerkvoorschriften heeft gesteld. Omdat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een correct berekend en dus naleefbaar maatwerkvoorschrift aanvaardbaar is, zal de rechtbank zelf dit correct berekende maatwerkvoorschrift stellen. Die bevoegdheid heeft de rechtbank op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
10.1.
De rechtbank vernietigt dus het bestreden besluit, voor zover het college daarin in de tabel, behorende bij voorschrift 1.1.1, een geluidsbelasting met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 46 dB(A) op de woning van eiseres heeft gesteld. De rechtbank bepaalt dat dat deze waarde 48 komt te luiden.
10.2.
De rechtbank vernietigt ook de voorschriften 1.1.4 en 1.1.5, waarin het college voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie (toernooien) een norm van 47 dB(A) heeft gesteld. Bij het stellen van deze voorschriften ging het college ervan uit dat toernooisituaties een baanbezetting van 100% kennen en dat dit afwijkt van een representatieve baanbezetting van 85%. Aangezien de representatieve baanbezetting 100% is, vormen toernooien geen afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. De voorschriften 1.1.4 en 1.1.5 hebben daarom geen toegevoegde waarde meer. De rechtbank zal deze voorschriften daarom niet vervangen door andere voorschriften.
10.3.
Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
10.4.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij zich kan voorstellen dat het voor eiseres vreemd is dat zij in wezen slechter af is door het instellen van beroep. De vereniging mag nu namelijk meer geluid produceren dan het geval was geweest als eiseres geen beroep had ingesteld. In het bestuursrecht geldt weliswaar een regel dat een burger in principe niet slechter af mag raken door in beroep te gaan, maar op deze regel bestaan verschillende uitzonderingen. De regel geldt niet als het bestuursorgaan hoe dan ook na afloop van de procedure bevoegd was geweest om het nadeligere besluit alsnog te nemen. [2] De regel geldt in principe ook niet als sprake is van een besluit waar verschillende partijen tegengestelde belangen bij hebben. [3] Deze uitzonderingen doen zich hier allebei voor.

Afrondend

11. De slotsom is dat eiseres wel gelijk krijgt in deze procedure, maar dat ze daarmee niet heeft bereikt dat de vereniging de padelactiviteiten moet staken. De vereniging kan hiermee verder gaan zolang zij zich houdt aan de geluidsnormen die zijn opgenomen in de door de rechtbank aangepaste maatwerkvoorschriften.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 december 2025 voor zover daarin in de tabel, behorende bij voorschrift 1.1.1, een geluidswaarde van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 46 dB(A) op de woning van eiseres is gesteld en vernietigt de voorschriften 1.1.4 en 1.1.5;
- wijzigt de geluidswaarde in de tabel, behorende bij voorschrift 1.1.1, naar een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 48 dB(A);
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. K.P. van Tilborg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6612, overweging 2.9.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0133.
3.Dat staat in de wetsgeschiedenis bij de Awb: