Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4376

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
82.271941.23 ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling medeplegen valsheid in geschrift

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €97.500,-, later verhoogd tot €117.975,-. De verdediging betwistte primair de vordering en subsidiair de berekening van het voordeel.

De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde met twee valse facturen wederrechtelijk gelden had ontvangen van een bedrijf dat hij samen met zijn broer bezat en dat hij kort daarna met terugwerkende kracht had verkocht. De rechtbank baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewezenverklaring in de strafzaak en stelde het bedrag vast op €97.500,- exclusief btw, omdat btw slechts een doorlopende post is die niet tot het vermogen van de veroordeelde behoort.

De verdediging voerde aan dat vennootschapsbelasting in mindering moest worden gebracht, maar de rechtbank verwierp dit op grond van vaste rechtspraak. De vennootschapsbelasting betreft een heffing over daadwerkelijk genoten voordeel en wordt niet in mindering gebracht op het te ontnemen bedrag. De rechtbank legde de betalingsverplichting op aan de veroordeelde en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 975 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €97.500,- op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.271941.23]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.271941.23 [ontneming]
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1959] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie van 20 maart 2026 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 97.500,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting van 4 juni 2026 gewijzigd. De vordering strekt thans tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 117.975,-.

De beoordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vast te stellen op € 117.975,- en voor dit bedrag een betalingsverplichting op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit van hetgeen in de onderliggende strafzaak aan veroordeelde ten laste is gelegd. Subsidiair betwist de verdediging de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De veroordeelde is bij vonnis van 18 juni 2026 van deze rechtbank veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
- Medeplegen van valsheid in geschrift.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verdachte is vrijgesproken van niet-ambtelijke omkoping, maar veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift. Zoals in de strafzaak is overwogen, heeft verdachte met de twee valse facturen wederrechtelijk gelden kunnen ontvangen van het bedrijf waarvan hij, samen met zijn broer, eigenaar was, welk bedrijf hij kort nadien met terugwerkende kracht heeft verkocht. Deze gelden betreffen naar het oordeel van de rechtbank wederrechtelijk genoten voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 1 Sr.
De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring in de strafzaak rust. Daaruit volgt dat veroordeelde wederrechtelijk een bedrag van € 117.975,- inclusief btw heeft ontvangen, zijnde de bedragen waar de twee valse facturen aan ten grondslag liggen. Exclusief btw betreft het een bedrag ter hoogte van € 97.500,-.
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het door veroordeelde daadwerkelijk genoten voordeel. Daarbij laat de rechtbank de ontvangen btw buiten beschouwing. Deze btw heeft veroordeelde immers niet als voordeel genoten, maar als onderdeel van de prijs ontvangen om deze vervolgens aan de Belastingdienst af te dragen. Het betreft daarmee een bedrag dat niet tot het vermogen van veroordeelde is gaan behoren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de over het ontvangen bedrag verschuldigde vennootschapsbelasting in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan de btw betreft de vennootschapsbelasting geen bedrag dat veroordeelde slechts als doorlopende post heeft ontvangen, maar een heffing over voordeel dat veroordeelde wel daadwerkelijk heeft genoten en dat tot zijn vermogen is gaan behoren. Volgens vaste rechtspraak houdt de rechtbank bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening met de over dat voordeel verschuldigde belasting. Dit berust op het fiscale mechanisme dat een eventuele heffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel ongedaan wordt gemaakt indien en voor zover dat voordeel wordt ontnomen. De verschuldigde vennootschapsbelasting komt daarom niet in mindering op het te ontnemen voordeel.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op € 97.500,-

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • stelthet bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 97.500,- (zevenennegentigduizend vijfhonderd euro);
  • legtaan [verdachte] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter hoogte van € 97.500,- (zevenennegentigduizend vijfhonderd euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaaltde duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 975 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 18 juni 2026.