De rechtbank Oost-Brabant heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €97.500,-, later verhoogd tot €117.975,-. De verdediging betwistte primair de vordering en subsidiair de berekening van het voordeel.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde met twee valse facturen wederrechtelijk gelden had ontvangen van een bedrijf dat hij samen met zijn broer bezat en dat hij kort daarna met terugwerkende kracht had verkocht. De rechtbank baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewezenverklaring in de strafzaak en stelde het bedrag vast op €97.500,- exclusief btw, omdat btw slechts een doorlopende post is die niet tot het vermogen van de veroordeelde behoort.
De verdediging voerde aan dat vennootschapsbelasting in mindering moest worden gebracht, maar de rechtbank verwierp dit op grond van vaste rechtspraak. De vennootschapsbelasting betreft een heffing over daadwerkelijk genoten voordeel en wordt niet in mindering gebracht op het te ontnemen bedrag. De rechtbank legde de betalingsverplichting op aan de veroordeelde en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 975 dagen.