Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
De vordering van de officier van justitie.
De beoordeling.
DE UITSPRAAK
wijstde vordering van de officier van justitie d.d. 20 maart 2026, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 18 juni 2026 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €336.029,86 van verdachte. Deze vordering was gebaseerd op de stelling dat de winst die verdachte behaalde via zijn zakelijke relatie met een medeveroordeelde het gevolg was van niet-ambtelijke omkoping.
Verdachte was echter vrijgesproken van het strafbare feit van niet-ambtelijke omkoping, waardoor volgens de rechtbank geen sprake kon zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Hoewel verdachte wel was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, was niet gebleken dat hij daar financieel voordeel uit had gehaald.
De verdediging voerde aan dat de vordering afgewezen moest worden vanwege de vrijspraak en betwistte subsidiair de hoogte van het gevorderde bedrag vanwege het niet in aanmerking nemen van vennootschapsbelasting. De rechtbank oordeelde dat de vordering niet aannemelijk was en wees deze af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken te ’s-Hertogenbosch, waarbij de rechtbank het standpunt van de verdediging volgde en de vordering van de officier van justitie verwierp.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af vanwege de vrijspraak van omkoping en het ontbreken van financieel voordeel uit valsheid in geschrift.