Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4373

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
82.244370.24 ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak omkoping

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 18 juni 2026 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €336.029,86 van verdachte. Deze vordering was gebaseerd op de stelling dat de winst die verdachte behaalde via zijn zakelijke relatie met een medeveroordeelde het gevolg was van niet-ambtelijke omkoping.

Verdachte was echter vrijgesproken van het strafbare feit van niet-ambtelijke omkoping, waardoor volgens de rechtbank geen sprake kon zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Hoewel verdachte wel was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, was niet gebleken dat hij daar financieel voordeel uit had gehaald.

De verdediging voerde aan dat de vordering afgewezen moest worden vanwege de vrijspraak en betwistte subsidiair de hoogte van het gevorderde bedrag vanwege het niet in aanmerking nemen van vennootschapsbelasting. De rechtbank oordeelde dat de vordering niet aannemelijk was en wees deze af.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken te ’s-Hertogenbosch, waarbij de rechtbank het standpunt van de verdediging volgde en de vordering van de officier van justitie verwierp.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af vanwege de vrijspraak van omkoping en het ontbreken van financieel voordeel uit valsheid in geschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.244370.24]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.244370.24 [ontneming]
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1956] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 336.029,86 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De beoordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vast te stellen op € 336.029,86 en voor dit bedrag een betalingsverplichting op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit van hetgeen in de onderliggende strafzaak aan veroordeelde ten laste is gelegd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een te hoog bedrag is berekend, omdat geen rekening is gehouden met de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De veroordeelde is bij vonnis van 18 juni 2026 van deze rechtbank onder meer veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
- Medeplegen van valsheid in geschrift;
Blijkens de ontnemingsrapportage en hetgeen ter terechtzitting van 4 juni 2026 door de officier van justitie is aangevoerd stelt de officier van justitie dat de gehele winst die veroordeelde (naar rato van zijn belang in [bedrijf] ) in zijn zakelijke relatie met zijn medeveroordeelde heeft verkregen als wederrechtelijk verkregen voordeel ten gevolge van niet-ambtelijke omkoping dient te worden ontnomen. De officier van justitie stelt dat zonder de omkoping, de klantrelatie niet zou hebben bestaan en de daarmee behaalde winst dus niet zou zijn gerealiseerd.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Nu verdachte is vrijgesproken van niet-ambtelijke omkoping is van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat strafbare feit geen sprake. Verdachte is wel veroordeeld voor valsheid in geschrift, maar niet is gebleken dat verdachte daar enig financieel voordeel uit heeft behaald.
Concluderend is het de rechtbank niet aannemelijk geworden dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wijst de rechtbank de vordering af.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
-
wijstde vordering van de officier van justitie d.d. 20 maart 2026, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 18 juni 2026.