De rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek van een betrokkene tot wijziging van zijn voornaam, waarbij het Openbaar Ministerie (OM) aanvankelijk adviseerde het verzoek af te wijzen vanwege het strafrechtelijk verleden van verzoeker, waaronder een veroordeling voor het doden van zijn moeder en een opgelegde tbs-maatregel die recent was geëindigd.
Het OM uitte zorgen over de gevolgen van de naamswijziging in het justitiële registratiesysteem, met name een hiaat in de koppeling van oude en nieuwe namen in de Justitiële Documentatie, wat onwenselijk zou zijn bij recidive. Verzoeker stelde dat zijn resocialisatie ernstig wordt belemmerd doordat zijn strafrechtelijk verleden via internetzoekopdrachten altijd zichtbaar blijft, wat zijn kansen op stage, werk en sociale contacten schaadt.
De rechtbank overwoog dat voornaamswijziging een zwaarwichtig belang vereist en dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bescherming biedt aan het privé- en gezinsleven, waaronder voornamen vallen. Na afweging van belangen vond de rechtbank het persoonlijk belang van verzoeker zwaarder wegen dan het algemeen belang bij naamconsistentie.
De rechtbank verwierp de stelling van het OM dat oude identiteitsbewijzen nog gebruikt kunnen worden na naamswijziging en concludeerde dat oude documenten ongeldig worden, waardoor verzoeker zich met de nieuwe naam moet legitimeren. Ook wees de rechtbank op het feit dat zoekresultaten met de oude naam niet meer herleidbaar zijn naar de nieuwe naam.
De rechtbank achtte de nieuwe voornaam passend en niet strijdig met wettelijke bepalingen en besloot het verzoek tot voornaamswijziging toe te wijzen.