ECLI:NL:RBOBR:2026:432

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600263:R-RK en NL:TZ:2600264:R-RK
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om moratorium en schuldsaneringsregeling in het kader van huurovereenkomst en ontruiming

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek van een verzoekster om een moratorium op de ontruiming van haar huurwoning. De verzoekster, die in een problematische schuldensituatie verkeert, had een verzoek ingediend om de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis tot ontruiming te schorsen. Dit verzoek was ingediend in het kader van de Faillissementswet, specifiek artikel 287b, om te voorkomen dat zij op 14 januari 2026 uit haar woning zou worden gezet. De rechtbank heeft in haar beoordeling een belangenafweging gemaakt tussen de verzoekster en de verhuurder, Woonstichting Joost. De rechtbank oordeelde dat de belangen van de verzoekster om in de woning te blijven zwaarder wegen dan de belangen van de verhuurder bij ontruiming, mits de verzoekster de huur tijdig en volledig blijft betalen. De rechtbank heeft het verzoek om moratorium toegewezen voor een periode van maximaal zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Daarnaast heeft de rechtbank de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. De beslissing is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Zaaknummers /rekestnummers:
NL:TZ:2600263:R-RK (verzoek moratorium)
NL:TZ:2600264:R-RK (verzoek schuldsaneringsregeling)
Uitspraakdatum: 23 januari 2026
Toewijzing verzoek voorlopige voorziening (moratorium)
Niet-ontvankelijk in verzoek toepassing schuldsaneringsregeling
in de zaak van:
[naam] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
tegen
de stichting STICHTING WOONSTICHTING JOOST,
gevestigd te Boxtel,
hierna te noemen: JOOST.

1.Het procesverloop

1.1.
Namens [verzoekster] is bij e-mailbericht van 8 januari 2026 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek voorlopige voorziening ter griffie van deze rechtbank ingediend (zie artikel 287b Faillissementswet, hierna: Fw) ter voorkoming van de ontruiming van de door haar gehuurde woning op 14 januari 2026. Deze verzoekschriften zijn op 13 januari 2026 tevens per post ontvangen.
1.2.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 9 januari 2026 bij wijze van tijdelijke voorziening de tenuitvoerlegging geschorst van het hierna onder 2.1. vermelde vonnis tot ontruiming van de woning voor de periode totdat door de rechtbank bij eindbeslissing op het verzoek is beslist.
1.3.
Advocaat mr. C.J.P. Schellekens heeft op 13 januari 2026 per e-mailbericht namens JOOST een verweerschrift ingediend.
1.4.
Bij e-mailbericht van 13 januari 2026 heeft mr. IJpelaar namens [verzoekster] aanvullende stukken ingediend, te weten een e-mailbericht van de beoogd beschermingsbewindvoerder en een beroepschrift tegen de eerdere beëindiging van beschermingsbewind.
1.5.
Het verzoek is op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Daar is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door advocaat mr. D.A. IJpelaar, en door [naam 2] , beoogd beschermingsbewindvoerder. Namens verweerder zijn verschenen advocaat
mr. C.J.P. Schellekens, [naam 3] , wijkconsulent, en [naam 4] , wijkbeheerder.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
[verzoekster] huurt van Woonstichting Joost een woning gelegen aan [adres] , [plaats] (hierna: de woning). Wegens een huurschuld heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 30 januari 2025 de huurovereenkomst ontbonden en [verzoekster] veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten. Bij exploot van 7 januari 2026 is de ontruiming van de woning aangezegd tegen 14 januari 2026. [verzoekster] verzoekt om gedurende een termijn van zes maanden de ten uitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming te verbieden.
2.2.
[verzoekster] heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan haar verzoek.
[verzoekster] verkeert in een problematische schuldensituatie, maar is bezig om met behulp van Schuldhulpverlening gemeente [woonplaats] een minnelijk traject op te starten, zodat zij aan alle schuldeisers een schuldregeling kan aanbieden. De ontruiming van de woning zal het traject van deze (nog) aan te bieden schuldregeling doorkruisen, omdat zij niet over vervangende woonruimte kan beschikken.
2.3.
Namens JOOST is op zitting haar (eerder schriftelijk ingediende) verweer in die zin gewijzigd dat niet langer wordt verzocht om [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, maar dit verzoek af te wijzen. Daartoe wordt alleen nog aangevoerd dat [verzoekster] door de opheffing van het bewind over haar goederen tekort is geschoten in de nakoming van de door JOOST met haar gesloten laatste kans overeenkomst. Om die reden dienen de belangen van JOOST bij ontruiming van de woning zwaarder te wegen dan de belangen van [verzoekster] bij voorzetting van het gebruik van de woning.

3.3. De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek moratorium
3.1.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een
– dreigende – executie een adempauze te bieden zodat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of het moratorium dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287 lid 4 Fw. Bij de beoordeling van het verzoek dient een belangenafweging te worden gemaakt waarbij de belangen van [verzoekster] moeten worden afgewogen tegen de belangen van JOOST. Voor toewijzing van het verzoek (lees: schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming voor de duur van maximaal zes maanden en verlenging van de huurovereenkomst voor de duur van zes maanden) zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat een minnelijk traject is of zeer (spoedig) kan worden opgestart. Indien op voorhand voldoende inzichtelijk is dat er geen reële kans bestaat dat gedurende de periode van maximaal zes maanden – al dan niet met een beroep op artikel 287a Fw – een minnelijke schuldregeling tot stand zal komen, is toewijzing van het verzoek niet gerechtvaardigd. De op grond van artikel 287b Fw gevraagde voorlopige voorziening (moratorium) strekt ertoe om artikel 305 Fw van toepassing te verklaren (artikel 287b lid 4 Fw). In artikel 305 lid 2 Fw is onder meer bepaald dat een vonnis tot ontruiming van woonruimte uitgesproken vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt opgeschort mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan en dat de huurovereenkomst wordt verlengd. De rechtbank leest het verzoek van [verzoekster] in voormelde zin met dien verstande dat de voorlopige voorziening voor maximaal zes maanden kan worden uitgesproken.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening spoedeisend is.
3.3.
JOOST heeft belang bij huurders die tijdig de verschuldigde huurtermijnen voldoen. Ook heeft JOOST er belang bij om bij tekortschietende huurders de huurovereenkomst te kunnen ontbinden en tot ontruiming over te gaan.
3.4.
Daartegenover staat dat de verzochte voorziening noodzakelijk is om [verzoekster] in staat te stellen om een schuldregeling aan te bieden aan haar schuldeisers en daarover tot overeenstemming te komen zodat haar problematische financiële situatie kan worden opgelost.
3.5.
Gelet op het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat alle schuldeisers van [verzoekster] in beeld zijn. [verzoekster] heeft op zitting aan de rechtbank met haar mobiele telefoon een foto getoond van een door haar voormalige beschermingsbewindvoerder opgesteld overzicht van schuldeisers. Dit beschermingsbewind heeft gelopen van 17 april tot en met 23 oktober 2025. De op dit overzicht, gedateerd van 31 juli 2025, getoonde schuldenlast van in totaal € 47.000,- is volgens [verzoekster] niet meer gewijzigd. Schuldhulpverlening gemeente [woonplaats] heeft toegezegd met het traject tot het treffen van een minnelijke schuldregeling te zullen starten na toewijzing van het verzoek moratorium, aldus mr. IJpelaar. Dit maakt dat voldoende aannemelijk is dat op korte termijn namens [verzoekster] aan haar schuldeisers een schuldregeling zal worden aangeboden.
Bij deze schuldenlast is het evenwel aan te raden dat [verzoekster] daarbij niet alleen door Schuldhulpverlening gemeente [woonplaats] wordt bijgestaan, maar tevens door een beschermingsbewindvoerder. Niet is gebleken dat er dan geen reële kans bestaat dat daarna een minnelijke schuldregeling tot stand zal komen.
3.6.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het belang van [verzoekster] om (voorlopig) in de huidige huurwoning te mogen blijven zwaarder weegt dan het belang van JOOST bij ontruiming. Daarbij neemt de rechtbank ook het volgende in aanmerking.
3.6.1.
[verzoekster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij over voldoende inkomen beschikt om de verschuldigde huurpenningen te kunnen voldoen alsmede dat zij in een voldoende stabiele financiële situatie verkeert. Het staat immers vast dat [verzoekster] ná het vonnis tot ontruiming de huurachterstand niet verder heeft laten oplopen. Dat is evenmin het geval na de opheffing van het bewind over haar goederen bij beschikking van deze rechtbank van
23 oktober 2025. Voor zover [verzoekster] daarmee te kort is geschoten in de met JOOST gesloten laatste kans overeenkomst, heeft dat JOOST dus niet financieel benadeeld.
Verder heeft de beoogd beschermingsbewindvoerder bij e-mailbericht van 13 januari 2026 richting [verzoekster] bevestigd dat er voor haar bij de rechtbank met spoed een verzoek tot beschermingsbewindvoering zal worden gedaan. Op de zitting heeft de beoogd beschermingsbewindvoerder aangegeven dat dit verzoek inmiddels is ingediend en een zitting wordt gepland. Gelet op al het voorgaande is tijdige en volledige nakoming van de betaling van de toekomstig verschuldigde huurpenningen voldoende gewaarborgd.
3.7.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het verzoek zal worden toegewezen. Hieraan wordt overigens uitdrukkelijk de voorwaarde verbonden dat [verzoekster] ook de toekomstig verschuldigde huurpenningen vanaf heden tijdig en volledig voldoet. Indien [verzoekster] daarin tekortschiet, is [verzoekster] in beginsel gerechtigd het vonnis ten uitvoer te leggen. De toewijzing van het verzoek komt dus neer op een allerlaatste kans aan [verzoekster] om de woning te kunnen blijven huren.
3.8.
De voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 Fw wordt ingevolge het bepaalde in artikel 287b lid 5 Fw uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Bij het hiervoor onder 1.2. genoemde tussenvonnis is deze voorziening al voor een deel van de periode van zes maanden opgelegd. De voorziening zal daarom voor het resterende deel van deze periode worden opgelegd.
Ten aanzien van het verzoek schuldsaneringsregeling
3.9
Omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal [verzoekster] , gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, lid 1, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan [verzoekster] te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 januari 2025 door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant op verzoek van JOOST uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning gelegen aan [adres] , [plaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
4.2.
bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van 5 maanden en 18 dagen, dus tot en met 9 juli 2026;
4.3.
bepaalt dat genoemde voorziening slechts geldt zolang door [verzoekster] de verschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan, waaronder de voor februari 2026 verschuldigde huursom;
4.4.
verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284 lid 1 Fw;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 23 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.