In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek van een verzoekster om een moratorium op de ontruiming van haar huurwoning. De verzoekster, die in een problematische schuldensituatie verkeert, had een verzoek ingediend om de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis tot ontruiming te schorsen. Dit verzoek was ingediend in het kader van de Faillissementswet, specifiek artikel 287b, om te voorkomen dat zij op 14 januari 2026 uit haar woning zou worden gezet. De rechtbank heeft in haar beoordeling een belangenafweging gemaakt tussen de verzoekster en de verhuurder, Woonstichting Joost. De rechtbank oordeelde dat de belangen van de verzoekster om in de woning te blijven zwaarder wegen dan de belangen van de verhuurder bij ontruiming, mits de verzoekster de huur tijdig en volledig blijft betalen. De rechtbank heeft het verzoek om moratorium toegewezen voor een periode van maximaal zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Daarnaast heeft de rechtbank de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. De beslissing is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.