Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4315

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
01-327848-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging zware mishandeling en verlaten plaats ongeval met bestelbus

Op 1 december 2025 reed verdachte met hoge snelheid met een bestelbus tegen het slachtoffer aan, waarbij het slachtoffer op de motorkap belandde en werd meegesleurd. Verdachte verliet vervolgens de plaats van het ongeval terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer letsel had opgelopen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag en zware mishandeling, maar veroordeelde hem voor poging tot zware mishandeling en het verlaten van de plaats ongeval. De bewijslast berustte vooral op authentieke camerabeelden en verklaringen van het slachtoffer en getuigen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden. De straf is mede gebaseerd op de ernst van het feit, het bewust creëren van gevaar voor het slachtoffer en het feit dat verdachte in de proeftijd van eerdere veroordelingen verkeerde.

Daarnaast werden eerdere vorderingen tot tenuitvoerlegging van straffen aangepast: een gevangenisstraf van twee weken werd omgezet in een werkstraf van 28 uur, en een proeftijd werd verlengd met één jaar. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder behandeling gericht op gedragsverbetering en reclasseringstoezicht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden wegens poging zware mishandeling en verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.327848.25, 10.099205.24 (tul), 22.002044.22 (tul)
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 maart 2026 (pro forma) en 1 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 1 december 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, als bestuurder van een (rijdende) bestelbus met (hoge) snelheid in de richting van/op/tegen voornoemde [slachtoffer] heeft in-/aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 1 december 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door als bestuurder van een (rijdende) bestelbus met (hoge) snelheid in de richting van/op/tegen voornoemde [slachtoffer] in/aan te rijden;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 december 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een (rijdende) bestelbus met (hoge) snelheid in de richting van/op/tegen voornoemde [slachtoffer] heeft in-/aangereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland op de Pastoor Hoekx-singel, op of omstreeks 1 december 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [slachtoffer]
letsel en/of schade was toegebracht.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair (poging tot doodslag) en subsidiair (zware mishandeling) ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) en van feit 2 (verlaten plaats ongeval).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van feit 1 bepleit. Volgens de verdediging moet uitgegaan worden van de verklaring van de aangever, nu de camerabeelden een vertekend beeld kunnen geven. De aangever heeft er zelf voor gekozen om de bestelbus van verdachte vast te houden, dus kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte met de bestelbus tegen aangever is aangereden. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de gebezigde bewijsmiddelen als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Feit 1
Bewijsoverwegingen
De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de authenticiteit van de camerabeelden. De rechtbank gaat dus voor het bewijs mede uit van de beschrijving van de beelden door de verbalisant.
De rechtbank overweegt dat op de camerabeelden te zien is dat aangever aan de voorkant van de bestelbus staat. Vervolgens beweegt de bestelbus vooruit en raakt aangever. Aangever belandt op de motorkap en wordt door de bus meegesleurd. Niet ter discussie staat dat verdachte bestuurder was van de bestelbus op de beelden. De rechtbank stelt dus op basis van het voorgaande vast dat verdachte als bestuurder van een bestelbus tegen aangever is aangereden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe deze gedraging moet worden gekwalificeerd.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Ten aanzien van de poging tot doodslag overweegt de rechtbank dat uit het dossier onvoldoende blijkt hoe hard verdachte met de bestelbus tegen verdachte aan heeft gereden en of hierdoor – in het kader van voorwaardelijk opzet van verdachte – de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstond. Ten aanzien van de zware mishandeling overweegt de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is dat aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Door met de bestelbus tegen de frontaal voor de bus staande aangever aan te rijden en vervolgens nog een stuk door te rijden, heeft verdachte de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat aangever onder de bestelbus terecht zou komen en daarbij zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Het was zeker geen onwaarschijnlijke mogelijkheid dat aangever onder de bestelbus zou komen en door de bus zou worden overreden, terwijl die bestelbus een dergelijke omvang en gewicht heeft dat er dan een zeer reële kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel zou zijn. Dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard, is af te leiden uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen.
De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Feit 2
Verdachte heeft bekend dat hij wist dat aangever was gevallen en dat hij de plaats ongeval heeft verlaten. Met de wijze waarop verdachte tegen aangever is aangereden en het feit dat hij aangever heeft zien vallen, moest verdachte redelijkerwijs vermoeden dat aangever daarbij letsel had opgelopen. Verdachte stelt verder dat hij niet wist dat hij kort daarvoor tegen de auto van aangever was gebotst. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uit de verklaring van aangever, [getuige] en verdachte zelf blijkt dat het raam aan de bestuurderskant van de bestelauto op een kier stond op het moment dat aangever tegen verdachte praatte. Zowel de aangever als [getuige] geven aan dat aangever duidelijk heeft gemaakt dat verdachte tegen zijn auto was gereden en dat verdachte antwoordde dat hij de bestelbus ging parkeren. De rechtbank concludeert daaruit dat verdachte op zijn minst genomen redelijkerwijs moest vermoeden dat hij schade had veroorzaakt. De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zowel ten aanzien van het letsel als ten aanzien van de schade.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen in de bijlage, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Feit 1
meer subsidiair
op 1 december 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een bestelbus tegen voornoemde [slachtoffer] heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, op de Pastoor Hoekx-singel, op 1 december 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [slachtoffer] letsel en schade was toegebracht.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verder eist de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte niet terug in detentie hoeft, nu hij zijn leven eindelijk weer op orde heeft. Verdachte wil meewerken aan bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf. Daarnaast nog een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen is overbodig.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en het verlaten van de plaats van het ongeval. Hij is met een bestelbus tegen het slachtoffer aan gereden na schade te hebben veroorzaakt aan diens auto. Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een groot gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen. Verdachte heeft dit gedaan terwijl hij in de proeftijd van twee verschillende eerdere veroordelingen liep, waarvan één voor een verkeersfeit.
De rechtbank volgt de officier van justitie in haar eis. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal hiervan 85 dagen voorwaardelijk opleggen, zodat verdachte voor deze feiten niet terug naar de gevangenis hoeft.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om behandeling voor zijn psychische problematiek te laten ondergaan om zo het risico op recidive in te perken. Uit het Pro Justitia-rapport van GZ-psychologen M. de Klerk en L. Aa volgt namelijk dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zullen als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling worden gekoppeld. De behandeling zal zijn gericht op het versterken van de cognitieve vaardigheden, het vergroten van probleeminzicht, verantwoordelijkheidsgevoel, emotieregulatie en copingsvaardigheden.
Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 9 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

22.002044.22
De zaak met parketnummer 22.002044.22 is aangebracht bij vordering van 22 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te gerechtshof Den Haag van 7 november 2024. De tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken wordt gevorderd.
Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
10.099205.24
De zaak met parketnummer 10.099205.24 is aangebracht bij vordering van 19 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te rechtbank Rotterdam van 26 november 2024. De tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden wordt gevorderd.
Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vorderingen gewijzigd in verlenging van de proeftijd in beide zaken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens verlenging van de proeftijd in beide zaken bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen voldoen aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vorderingen. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde zich gedurende de proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
22.002044.22
In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken te gelasten, een taakstraf te gelasten voor de duur van 28 uren, te vervangen door 14 dagen hechtenis. De rechtbank overweegt daarbij dat deze voorwaardelijke straf is opgelegd voor een verkeersfeit, terwijl de onderhavige zaak ook betrekking heeft op feiten die zich in het verkeer hebben voorgedaan. Nu verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit in het verkeer, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging aangewezen. In de persoonlijke omstandigheden en de ontwikkeling die verdachte doormaakt, ziet de rechtbank wel aanleiding om deze straf daarbij om te zetten in een werkstraf.
10.099205.24
In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding nu geen tenuitvoerlegging te gelasten, maar de vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar. De rechtbank overweegt daarbij dat de voorwaardelijke straf is opgelegd voor een geheel andersoortig delict en tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden naar het oordeel van de rechtbank geen passende reactie is in onderhavige zaak.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 60, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
7, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1 meer subsidiair:
poging tot zware mishandeling
feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
straf
t.a.v. feit 1 meer subsidiair en 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK, Rotterdam;
2. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het versterken van de cognitieve vaardigheden, het vergroten van probleeminzicht, verantwoordelijkheidsgevoel, emotieregulatie en copingsvaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
t.a.v. feit 2:
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
beslissing na voorwaardelijke veroordeling
beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Gerechtshof Den Haag van 7 november 2024, gewezen onder parketnummer
22.002044.22, te weten:
een gevangenisstraf van 2 weken, en gelast in plaats daarvan een werkstraf voor de duur van 28 uren subsidiair 14 dagen hechtenis;
verlengt de proeftijd, bepaald bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Rotterdam d.d. 26 november 2024, gewezen onder parketnummer
10.099205.24, met één jaar;
bevel voorlopige hechtenis
heft op het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,
mr. A. van der Hilst en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 15 juni 2026.