Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4314

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2504437:R-RK
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende herstel

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een schuldenlast van €27.375,55 die zij niet kan aflossen. De rechtbank beoordeelt het verzoek op basis van de gedragsmaatstaf van goede trouw en de inspanningen van verzoekster om haar schulden af te lossen.

Uit de stukken blijkt dat verzoekster sinds het verlies van haar baan in 2023 niet heeft gewerkt of gesolliciteerd vanwege een burn-out, waarvoor zij zich nog niet heeft laten behandelen. Diverse trajecten en afspraken met de gemeente en beschermingsbewindvoerder zijn niet nagekomen, en verzoekster toont een passieve houding in haar herstelproces. Het psychologisch rapport adviseert behandeling om duurzaam functioneren te verbeteren.

De rechtbank concludeert dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest in het onbetaald laten van haar schulden en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Team Insolventie
Rekestnummer: NL:TZ:2504437:R-RK
Vonnis van 4 juni 2026
op het verzoek van
[naam],
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp-verzoek).
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- het op de zitting overhandigde ‘rapport psychologisch onderzoek”, opgesteld op 2 februari 2026 door basispsycholoog [naam] van [naam VOF] ;
- de zitting van donderdag 21 mei 2026, waarbij aanwezig waren:
- mevrouw [naam] , verzoekster;
- de heer drs. [naam] , beschermingsbewindvoerder bij [eenmanszaak] ;
- de heer [naam] , schuldhulpverlener, namens Kredietbank Nederland.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
Verzoekster verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Volgens verzoekster heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

de feiten
3.1.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst blijkt dat er sprake is van 11 schulden met een totale schuldenlast van € 27.375,55.
3.2.
Op 20 december 2024 heeft verzoekster een schuldregelingsovereenkomst gesloten met Kredietbank Nederland. Daarin is, onder meer, opgenomen dat verzoekster zich moet inspannen om werk te behouden, dan wel bij geen werk, aantoonbaar te solliciteren.
3.3.
Op 19 februari 2025 is aan de schuldeisers van verzoekster een aanbod gedaan.
3.4.
Bij het verzoekschrift is emailcorrespondentie overgelegd die in de periode juli 2025 tot en met januari 2026 is verstuurd tussen de consulent participatie van de gemeente [gemeente] (de heer [naam] ), de beschermingsbewindvoerder en verzoekster. Voor zover relevant, wordt een aantal van deze e-mails hieronder aangehaald.
Op 28 juli 2025 schrijft de heer [naam] per e-email aan verzoekster het volgende:
“Van [naam] begrijp ik dat u gemaakte afspraken afzegt. Ook bij het vrijwilligerswerk.
Hierover wil ik met u in gesprek. We maken ons zorgen over u. De insteek is enerzijds het niet nakomen van afspraken. Anderzijds zijn dit signalen dat er op andere leefgebieden zaken mogelijk beter kunnen.”
Op 10 januari 2026 schrijft de heer [naam] aan de beschermingsbewindvoerder het volgende:
“Deze week ga ik bij haar langs om te kijken hoe het gaat en welk traject we in gaan zetten.
Traject bij Forta4U is beëindigd(…)”
Op 19 januari 2026 schrijft de heer [naam] aan de beschermingsbewindvoerder het volgende:
“Morgen spreek ik haar en dan ga ik proberen om haar richting vrijwilligerswerk te bewegen(…)”
Hier reageert op 19 januari 2025 de beschermingsbewindvoerder als volgt op:
“…Als ik haar spreek of bezoek dan valt mij steeds weer op dat ze nog altijd extreem onzeker is, het minste of geringste raakt ze al van in de war en dan loopt ze helemaal vast in haar hoofd.
We zullen toch een manier moeten vinden om haar uit deze negatieve spiraal te krijgen, naast vrijwilligerswerk misschien toch aansturen op andersoortige begeleiding? (Maatschappelijk werk / behandeling psycholoog)”
Op 20 januari 2026 laat verzoekster aan haar beschermingsbewindvoerder weten:
“(…)klopt [naam] gaf mij de keuze of ik dat wilde via de huisarts, dat was geen verplichting maar mocht ik zelf kijken of dat iets was. Misschien is dat ook wel slim om via de huisarts wat op te starten, ik kan altijd even een afspraak maken en kijken wat daar uitkomt en wat de huisarts adviseert.”
3.5.
Op de zitting heeft verzoekster een “rapport psychologisch onderzoek” overgelegd, wat is opgesteld na onderzoek op 2 februari 2026 in opdracht van MijnGemeenteDichtbij, door [naam VOF] , specialist in Arbeidpsychologisch advies. Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Op basis van het huidige onderzoek kan worden gesteld dat mevrouw [naam] op dit moment onvoldoende in staat is om continuïteit te bieden in werk.”
en

Behandeling (…) is noodzakelijk en voorliggend om de kans op duurzaam functioneren te vergroten.”
en

Er wordt geadviseerd om via de huisarts een doorverwijzing te vragen voor psychologische behandeling (…).”
de verklaringen
3.6.
Uit de bij de dossierstukken gevoegde eigen verklaring van verzoekster van 30 september 2025, blijkt dat de schulden zijn ontstaan nadat verzoekster in 2023 haar baan kwijtraakte. Een nieuwe baan is in de proefperiode beëindigd omdat het werk niet te combineren zou zijn met de zorg voor haar dochter. Op de zitting verklaarde verzoekster dat ze te kampen heeft met een burn-out. Zij heeft zich hiervoor (nog) niet onder behandeling laten stellen. Verzoekster verklaarde dat zij zich voor hulp heeft gewend tot de gemeente [gemeente] . Op advies van de gemeente heeft ze geprobeerd om vrijwilligerswerk te gaan doen. Dit werk was voor haar te veel en te snel, zo gaf ze tijdens de zitting aan. Hierop heeft ze een traject doorlopen om weer onder de mensen te komen. Desgevraagd verklaarde verzoekster, op de zitting, dat ze een week na de toelatingszitting een afspraak heeft met haar huisarts voor een doorverwijzing voor een psychologische behandeling.
de overwegingen
3.7.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro, onder b faillissementswet (Fw) het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en / of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster niet te goeder trouw is in het onbetaald laten van haar schulden. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich maximaal heeft ingespannen om haar schulden (gedeeltelijk) af te betalen. In 2023 is verzoekster haar baan verloren en sindsdien heeft zij niet gewerkt of gesolliciteerd. Volgens haar eigen verklaring heeft ze sindsdien te kampen met een burn-out en kan zij daardoor niet werken. Verzoekster heeft zich niet laten behandelen hiervoor.
3.9.
Uit de overgelegde emailcorrespondentie tussen de consulent participatie van de gemeente [gemeente] , de beschermingsbewindvoerder en verzoekster (zie overweging 3.4) maakt de rechtbank op dat verzoekster een passieve houding heeft aangenomen in het herstel van haar psychische situatie. Afspraken worden niet nagekomen en het advies dat in januari 2026 wordt gegeven om contact op te nemen met haar huisarts voor een doorverwijzing wordt door haar niet direct opgevolgd. Pas een week na de zitting wordt een afspraak ingepland bij de huisarts voor een doorverwijzing. Daar komt bij dat betrokkene in ieder geval vanaf het ondertekenen van de schuldhulpverleningsovereenkomst (eind 2024) op de hoogte was van het feit dat ze actief moet gaan solliciteren in het kader van het schuldhulpverleningstraject. Vervolgens heeft verzoekster van de gemeente [gemeente] diverse trajecten aangeboden gekregen. Stukken waaruit blijkt hoe het re-integratietraject, het vrijwilligerswerk, en het traject bij Forta4U zijn verlopen, zijn, niet overgelegd. Gelet op het voorgaande, is het voor de rechtbank niet vast te stellen dat verzoekster zich volledig heeft ingezet om te herstellen.
3.10.
Verder is het de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal (kunnen) nakomen. In de eigen verklaring van 30 september 2025 over het ontstaan van de schulden geeft verzoekster aan dat haar situatie inmiddels enige tijd stabiel is, maar dat zij nog wel heel veel last heeft van stress en spanningen. Ook gaf zij, in haar verklaring, aan onder behandeling te zijn voor haar burn-out klachten en daarom nog niet te kunnen werken. Op de zitting heeft verzoekster aangegeven dat er tot op heden geen behandeling heeft plaatsgevonden maar dat zij een afspraak heeft bij haar huisarts voor een doorverwijzing. De rechtbank stelt vast dat verzoekster nog behandeling dient te ondergaan. Een verklaring als bedoeld in punt 7.3.3. van het Procesreglement onder Bijlage III: Landelijke uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling, waaruit zou blijken dat de psychische problematiek van verzoekster al enige tijd beheersbaar is, is niet voorhanden. Dat verzoekster haar leven voldoende op de rit zou hebben en dat zij zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aannemelijk gemaakt.
3.11.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient, gelet op het voorgaande, te worden afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verzoekster toch toe te laten tot de Wsnp (met toepassing van de hardheidsclausule) Verzoekster wordt daarom niet toegelaten tot de Wsnp.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan verzoekster en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld door een verzoekschrift in te dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.