Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] B.V.
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.Waar gaat de zaak over
2.De procedure
- de conclusie van antwoord van 22 januari 2025;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
3.De feiten
[A] is op haar beurt sinds 10 november 2020 enig aandeelhouder en enig bestuurder van [B] B.V. (“ [B] ”). De activiteiten van [B] zijn onder andere het op projectbasis detacheren van personeel en het maken van stalen constructies en het verwerken daarvan. In het handelsregister was per 25 november 2024 vermeld dat [B] één werknemer in dienst had.
4.Het geschil
Subsidiair doen zij een beroep op matiging ex. artikel 2:248 lid 4 BW Pro.
5.De beoordeling
Op grond van artikel 6 lid 1 juncto Pro artikel 3 lid 1 EIV Pro is de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de aan de insolventieprocedure verwante vordering ex artikel 2:248 BW Pro.
De op artikel 2:248 BW Pro gebaseerde vordering vloeit namelijk rechtstreeks voort uit de in Nederland geopende faillissementsprocedure van [gefailleerde] en hangt daarmee in ieder geval nauw samen. De vordering op grond van artikel 2:248 BW Pro vereist immers dat een faillissement is uitgesproken en geeft een curator een exclusieve bevoegdheid om (voormalige) bestuurders en feitelijk beleidsbepalers aansprakelijk te stellen. De vordering is daarmee een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg van de insolventieprocedure. [2]
Voor zover [gedaagde 1] zelf metaal bewerkte, is niet toegelicht dat en waarom dat niet door derden zou kunnen gebeuren.
3geen verklaring voor het feit dat volgens het door Dexters q.q. overgelegde crediteurenoverzicht vanaf januari 202
1tot de datum van faillietverklaring stelselmatig geen loonheffing en BTW zijn betaald.
Dexters q.q. heeft er daarbij op gewezen dat de “coronamaatregelen” vooral in 2020 en 2021 golden en (bijna) niet meer in 2022. Dat is door [gedaagden] niet weersproken.
In totaal hebben [gedaagden] in een periode van nog geen drie maanden € 83.745,23, ofwel bijna twee modale jaarinkomens, aan het vermogen van [gefailleerde] onttrokken. Een reden of rechtvaardiging voor die onttrekkingen hebben [gedaagden] niet gegeven.
De wet bepaalt voor dit soort gevallen in artikel 106c lid 1 Fw dat bij de vordering tot het opleggen van een bestuursverbod een uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd van de andere rechtspersonen waarvan de betrokken bestuurder of commissaris is. Artikel 106c lid 2 Fw schrijft voor dat de rechtbank die rechtspersonen vervolgens in de gelegenheid stelt om hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan naar voren te brengen. Hierbij kunnen deze rechtspersonen niet worden vertegenwoordigd door de bestuurder jegens wie een bestuursverbod is gevorderd, tenzij deze de enige bestuurder van de betrokken rechtspersoon is.
Als zodanig is dit punt tijdens de mondelinge behandeling ook besproken. Daarbij heeft mr. Kemps namens [gedaagde 1] en [A] verklaard:
De rechtbank merkt daarbij op dat, hoewel het hier niet gaat om een verstekzaak, het moment van onherroepelijk worden van dit vonnis in deze zaak op tegenspraak niet zonder nadere informatie van (een van) partijen zal kunnen worden vastgesteld door de griffier. Niet ongebruikelijk is dat een appeldagvaarding wel binnen of zelfs aan het eind van de appeltermijn wordt uitgebracht, waarbij op lange termijn is gedagvaard en de eerst dienende dag bijvoorbeeld drie of zes maanden later ligt. De appeldagvaarding zal in die gevallen ook pas veel later ter inschrijving aangeboden hoeven te worden aan de griffie van het gerechtshof. Gedurende die tijd is het vonnis niet onherroepelijk maar de griffies van de rechtbank en het gerechtshof zijn daarmee niet bekend.