Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser in zaak SHE 25/1460 en derde-partij in zaak SHE 25/1503
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser in zaak SHE 25/1503 en derde-partij in zaak SHE 25/1460
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, het college
Samenvatting
Procesverloop
[adres] te [woonplaats] en tegen het gebruik van dat perceel in strijd met de bestemming “Agrarisch -Agrarisch bedrijf”.
Beoordeling door de rechtbank
- € 10.000,00 ineens voor de illegale bewoning van de bedrijfswoning;
- € 10.000,00 ineens voor het strijdige tweede gevestigde bedrijf “ [naam] ”.
Beroepsgronden
Het college heeft in redelijkheid kunnen stellen dat handhavend optreden niet onevenredig is, nu er ook anderszins geen bijzondere omstandigheden waren om van handhavend optreden af te zien. In de omstandigheid dat legalisatie van de illegale activiteiten volgens eiser [naam] op korte termijn kan worden verwacht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser [naam] er zelf voor gekozen heeft om zonder hiertoe gerechtigd te zijn op grond van wet- en regelgeving een grondverzet- en bestratingsbedrijf te exploiteren en de bedrijfswoning te bewonen. Dat eiser [naam] door het bestreden besluit financieel of anderszins wordt getroffen, dient dan voor eigen rekening en risico te komen.
Het college heeft in de omstandigheid dat eiser [naam] zelf pas een legaliserende aanvraag heeft ingediend nadat hij de niet-vergunde activiteiten al was gestart en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds illegale activiteiten zou verrichten, wat daarvan ook zij, evenmin aanleiding behoeven te zien om van handhaving af te zien.
Eiser [naam] heeft het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Conclusie en gevolgen
Het beroep van eiser [naam] is gegrond omdat het college de hoogte van de opgelegde dwangsommen onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen over de hoogte van de dwangsommen.
€ 10.000,00 ineens bedraagt totdat het college een nieuw besluit over de hoogte van de dwangsommen heeft genomen.
Beslissing
- verklaart het beroep van eiser [naam] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de opgelegde dwangsommen;
- verklaart het beroep van eiser [naam] ongegrond;
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de hoogte van de dwangsommen
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn van het bestreden besluit met terugwerkende kracht wordt verlengd tot twaalf weken na verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser [naam] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan
R.G. van der Korput, griffier.