De rechtbank Oost-Brabant heeft op 27 mei 2026 geoordeeld dat de oproeping van verdachte nietig is. Dit omdat niet is gebleken dat de zaak op de wettelijk voorgeschreven wijze aanhangig is gemaakt en dat de oproeping aan verdachte rechtsgeldig is betekend. De dagvaarding van 16 september 2025 was eerder nietig verklaard en er is geen nieuwe dagvaarding uitgebracht om de zaak opnieuw aanhangig te maken.
De rechtbank constateerde dat uit de akte van uitreiking niet blijkt dat er een poging is gedaan om de oproeping persoonlijk aan verdachte te betekenen. Hoewel er op 13 en 15 mei 2026 pogingen waren om de oproeping persoonlijk uit te reiken, was er al op 13 mei 2026 een OM-betekening van de oproeping gedaan zonder dat het adres vijf dagen na de eerste aanbieding was geverifieerd.
Verdachte is niet verschenen op de terechtzitting van 27 mei 2026. Gezien het ontbreken van een geldige oproeping verklaart de rechtbank de oproeping nietig en kan de zaak niet verder worden behandeld. Dit vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.