Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4047

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
01.253395.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van gekwalificeerde opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer op 25 september 2025 in Veldhoven.

De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en ondersteund door forensisch bewijs, waaronder DNA-sporen op messen en letselonderzoek. De verdachte had het slachtoffer gedwongen en bedreigd met messen, haar polsen vastgebonden en haar mond bedekt, waarna hij haar verkrachtte. Ook werd het slachtoffer gedurende ruim twee uur in zijn woning en later in een restaurant effectief van haar vrijheid beroofd.

De verdediging ontkende de feiten en stelde dat het contact consensueel was, maar deze lezing werd door de rechtbank als onaannemelijk verworpen. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest, en legde een schadevergoedingsmaatregel op van €15.431,13, bestaande uit materiële en immateriële schadevergoeding volgens de Rotterdamse Schaal.

Daarnaast werden vier voorwerpen, waaronder twee messen en twee sjaals, verbeurd verklaard. De rechtbank wees de overige civiele vordering af en bepaalde dat dit deel door het slachtoffer bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf en betaling van €15.431,13 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Onderzoek: Ponton
Parketnummer: 01.253395.25
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [2005] ,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 januari 2026, 4 maart 2026 en 28 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 december 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2025 te Veldhoven, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina en/of
- het likken aan haar linker borst en/of
- het geven van kusjes,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- de voordeur van zijn woning op slot te doen en/of
- haar armen vast te pakken en/of
- haar polsen vast te binden en/of haar handen op haar rug vast te binden en/of
- tape en/of een pleister over haar mond te plakken en/of
- haar op/naar de grond te duwen en/of
- haar achterover op het bed te duwen en/of
- twee messen te pakken en/of
- (dreigend) tegen haar te zeggen dat ze stil moest zijn en/of dat als ze iets zou zeggen hij zou gaan steken en/of
- een sjaal in haar mond te duwen en/of voor haar mond te doen en/of
- (dreigend) tegen haar te zeggen dat ze met haar handen langs haar zij op het bed moest liggen en/of dat ze zelf haar kleding moest uittrekken en/of dat ze niet mocht praten en moest doen wat hij zei en/of
- een mes voor haal keel te houden en/of tussen haar borsten te duwen en/of
- haar kleren uit te trekken en/of
- haar keel dicht te knijpen en/of
- (dreigend) te zeggen dat hij haar dood zou maken als zij zou praten en niet stil zou zijn;
2.
hij op of omstreeks 25 september 2025 te Veldhoven, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet naar buiten mocht en/of
- de voordeur van zijn woning op slot te doen en/of de sleutel op een schoenenkast in het toilet te gooien en/of
- die [slachtoffer] met geweld en onder bedreiging te verkrachten en/of
- haar armen vast te pakken en/of
- haar polsen vast te binden en/of haar handen op haar rug vast te binden en/of
- tape en/of een pleister over haar mond te plakken en/of
- haar op/naar de grond te duwen en/of
- haar achterover op het bed te duwen en/of
- twee messen te pakken en/of
- (dreigend) tegen haar te zeggen dat ze stil moest zijn en/of dat als ze iets zou zeggen hij zou gaan steken en/of
- een sjaal in haar mond te duwen en/of voor haar mond te doen en/of
- (dreigend) tegen haar te zeggen dat ze met haar handen langs haar zij op het bed moest liggen en/of dat ze zelf haar kleding moest uittrekken en/of dat ze niet mocht praten en moest doen wat hij zei en/of
- een mes voor haal keel te houden en/of tussen haar borsten te duwen en/of
- haar keel dicht te knijpen en/of
- (dreigend) te zeggen dat hij haar dood zou maken als zij zou praten en niet stil zou zijn
- die [slachtoffer] mee naar buiten te nemen en/of mee te nemen naar een restaurant en/of
- die [slachtoffer] in dat restaurant te volgen naar de wc en/of voor de deur van de wc te blijven staan en/of
- die [slachtoffer] terug naar zijn, verdachtes, woning te brengen en/of
- in die tijd niet van de zijde van die [slachtoffer] te wijken en/of die [slachtoffer] aldus te beletten bij hem vandaan te bewegen en/of weg te gaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Bewijsbijlage.
De rechtbank heeft de bewijsmiddelen opgenomen in een separate bewijsbijlage, gehecht aan dit vonnis.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij met betrekking tot feit 2 partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel van het ten laste gelegde dat buiten de woning van de verdachte zou hebben plaatsgevonden.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gekwalificeerde) opzetverkrachting (feit 1) en wederrechtelijk vrijheidsberoving (feit 2).
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 (woning).
In onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte en de aangeefster op 25 september 2025 in de woning van de verdachte in Veldhoven driemaal seks met elkaar hebben gehad. Wel staat ter discussie of de seks plaatsvond tegen de wil van de aangeefster, of de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat bij haar de wil ontbrak en bovendien of er sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging.
Ook staat ter discussie of de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangeefster door de verdachte. De rechtbank overweegt op deze plaats dat met betrekking tot de ten laste gelegde wederrechtelijk vrijheidsberoving op grond van de bewijsmiddelen twee afzonderlijke situaties zijn te onderscheiden, te weten de situatie in de woning van de verdachte in Veldhoven en de situatie met betrekking tot restaurant [naam] in Veldhoven.
De rechtbank acht het raadzaam hieronder de gebeurtenissen in de woning van de verdachte gezamenlijk te bespreken.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn. De verklaringen zijn onvoldoende consistent en komen niet overeen met verklaringen van derden of bevindingen van de politie. Op cruciale onderdelen heeft de aangeefster wisselend verklaard.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat de aangeefster op drie momenten een verklaring heeft afgelegd, namelijk tijdens het informatief zedengesprek op 25 september 2025, enkele uren na het voorval, tijdens haar aangifte op 28 september 2025 en tegenover de rechter-commissaris op 30 januari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de aangeefster op deze momenten steeds gedetailleerd en consistent verklaard over zowel de seksuele handelingen als over de volgorde waarin en de omstandigheden waaronder die plaatsvonden, zonder wezenlijke verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze verklaringen authentiek over. Dat de door de aangeefster afgelegde verklaringen op enkele punten niet volledig consistent zijn en zij haar verhaal niet steeds als exact dezelfde ‘film’ heeft verteld, is gelet op de werking van het menselijk geheugen goed voorstelbaar en dat maakt haar verklaringen dan ook niet onbetrouwbaar.
Bovendien worden de verklaringen van de aangeefster op verschillende essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, met name de resultaten van het letselonderzoek en het forensisch onderzoek.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar gedurende de verkrachting heeft bedreigd met twee messen en dat zij zich daartegen heeft afgeweerd, ten gevolge waarvan zij (onder meer) wondjes op haar handen heeft opgelopen. Op haar beide handen zijn verschillende huidbeschadigingen geconstateerd.
In de woning van de verdachte zijn een groot mes [AARR9063NL] en een kleiner mes [AARR9062NL] aangetroffen. Op het grote mes werden op bloed lijkende sporen aangetroffen. Met behulp van een TB-test is een indicatie voor de aanwezigheid van bloed verkregen op het lemmet. Met behulp van de Hexagon Obti-test werd een positieve indicatie op humaan bloed verkregen. Van het lemmet van het grote mes werd een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering [AASE7160NL] is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon, met een frequentie van één op één miljard. Het DNA-profiel van het slachtoffer komt overeen met dit DNA-profiel. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat het slachtoffer donor is van het bloed op het lemmet. Ook op het lemmet van het kleinere mes werden op bloed lijkende sporen aangetroffen. Met behulp van een TB-test is een indicatie voor de aanwezigheid van bloed verkregen op het lemmet. Van het lemmet van het kleinere mes werd ook een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering [AASE7159NL] is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-hoofdprofiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-(hoofd)profiel heeft een frequentie van één op één miljard. Het DNA-profiel van het slachtoffer komt hiermee overeen. De rechtbank concludeert hieruit dat het slachtoffer donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op het lemmet van dat mes.
Naast het letsel op haar handen is bij de aangeefster ook letsel aangetroffen op haar gezicht (binnenzijde lippen en wang), hals, borsten en armen, dat naar het oordeel van de rechtbank passend is bij het door de aangeefster omschreven gewelddadige handelen van de verdachte.
Verder heeft de aangeefster verklaard dat op enig moment haar mond werd bedekt met een sjaal en dat daar een ‘pleister’ overeen werd geplakt. Ze omschreef de pleister als grijs van kleur, op een rol van ongeveer 10 centimeter in doorsnee, die niet was bedoeld om op een wond te doen maar om bijvoorbeeld op een doos te plakken. Uit deze omschrijving leidt de rechtbank af dat het slachtoffer met ‘pleister’ de grijze ducttape bedoelde die in de woning van de verdachte is aangetroffen. In het zit- en slaapgedeelte van de woning van de verdachte is een lapje groene stof met rafels aangetroffen. Aan deze groene stof zat een stuk grijze ducttape geplakt. Op het bed werd een blauw/groene shawl aangetroffen met aan een uiteinde dezelfde soort groene rafels als de stof op de grond. Aan de andere zijde van de shawl ontbraken de rafels. Hier was een scheuring van de stof zichtbaar. Ook deze bevindingen bevestigen dit deel van de verklaring van het slachtoffer.
Al het voorgaande in aanmerking genomen acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Het hiervoor genoemde forensische bewijs biedt bovendien de vereiste steun aan de verklaring van de aangeefster dat het zo gegaan is zoals zij heeft verklaard, waardoor de rechtbank uitgaat van de inhoud van haar verklaring.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er sprake is geweest van (gekwalificeerde) opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
(Gekwalificeerde) opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat onomstotelijk uit de door de aangeefster beschreven omstandigheden en uit haar handelingen blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met de verdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor de verdachte duidelijk was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte herhaaldelijk voorbij is gegaan aan door de aangeefster geuite verbale en non-verbale signalen van verzet.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet
worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door
dwang, geweld of bedreiging.
Naar het oordeel van de rechtbank leiden de handelingen van de verdachte, meer in het bijzonder het vastbinden van de polsen van de aangeefster, het bedekken van haar mond met een sjaal/ducttape, het vastpakken en dichtknijpen van haar keel en het bedreigen met messen, ten gevolge waarvan de aangeefster letsel heeft opgelopen in de vorm van (al dan niet oppervlakkige) huidbeschadigingen, onmiskenbaar tot de conclusie dat sprake is geweest opzetverkrachting voorafgegaan en vergezeld door dwang, geweld en bedreiging met geweld.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Er is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) in een situatie waarin men – zonder dat de verdachte daartoe gerechtigd is – iemand doet verblijven op een plaats waarvan of waaruit die persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Een vrijheidsberoving kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo kan bijvoorbeeld het voortdurend in de nabijheid van het slachtoffer verblijven, zodat hem of haar effectief wordt belemmerd het pand te verlaten, vrijheidsberoving opleveren. In zulke gevallen zullen zich vaak bijkomende omstandigheden voordoen, zoals bedreigingen en/of uitingen van geweld, die bij het slachtoffer angst en vrees teweegbrengen en hem ervan weerhouden om de desbetreffende plaats te verlaten.
Voorafgaand aan de verkrachting heeft de verdachte het slot van de voordeur van zijn woning afgesloten en de sleutel op een schoenenkast in het toilet gegooid. Daarna heeft hij de armen van de aangeefster op haar rug vastgebonden, haar eerst naar de grond en vervolgens op het bed geduwd, en haar daarna zichzelf laten uitkleden. Hij heeft haar daarna verkracht. Ook zette hij haar telefoon op de vliegtuigstand, zodat zij niet bereikbaar was of zelf kon bellen.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen genoegzaam dat de verdachte voorafgaand aan, tijdens en na de (gekwalificeerde) opzetverkrachting de aangeefster heeft belet zijn woning te ontvluchten of hulp in te schakelen, zodat sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangeefster in de woning van de verdachte.
Alternatieve lezing van de verdachte.
De verdachte heeft ontkend zich schuldig gemaakt te hebben aan gekwalificeerde opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Volgens hem vond het seksueel contact plaats met wederzijdse instemming. Verder heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster al wondjes op haar handen had toen zij bij hem in de woning kwam en dat hij zou hebben geprobeerd deze wondjes met ducttape te verbinden. Gevraagd naar de reden waarom de aangeefster dit alles dan zou hebben verzonnen, heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster in samenspraak met haar nieuwe vriend alles van te voren zou hebben bekokstoofd.
De rechtbank beschouwt deze alternatieve lezing van de verdachte als volstrekt onaannemelijk en schuift deze terzijde. Deze alternatieve lezing valt in het geheel niet te rijmen met de resultaten van het DNA-onderzoek met betrekking tot de in zijn woning aangetroffen messen. In zijn lezing zou het bloed van de aangeefster namelijk al eerder op het betreffende (grote) mes terecht moeten zijn gekomen, aangezien de aangeefster al wondjes op haar handen zou hebben gehad toen ze bij zijn woning kwam. De verdachte heeft nog geen begin van een plausibele en aannemelijke verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van het bloed van de aangeefster op (in ieder geval) één van de in zijn woning aanwezige messen. Zijn verklaring dat de aangeefster op een eerder moment – wanneer dat dan ook moge zijn geweest – bij het snijden van een mango mogelijk met dat mes zich zou kunnen hebben verwond, schuift de rechtbank als onaannemelijk terzijde. Door de aangeefster is immers verklaard dat zij voor 25 september 2025 al lange tijd niet meer in de woning van de verdachte was geweest. Uit onderzoek volgt bovendien dat in de woning van de verdachte (medische) wondpleisters zijn aangetroffen. De rechtbank acht het daarom niet logisch dat de verdachte ducttape zou hebben moeten gebruiken om de (beweerdelijk eerder ontstane) wondjes op de handen van de aangeefster te verbinden.
Conclusie
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen (de eendaadse samenloop van) gekwalificeerde opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangeefster in de woning van de verdachte op 25 september 2025.
Ten aanzien van feit 2 (restaurant)
Uit de verklaringen van de aangeefster volgt dat zij en de verdachte na de verkrachting naar een restaurant in Veldhoven zijn gegaan. Op enig moment wilde de aangeefster in het restaurant naar het toilet. De verdachte vond dat goed, maar aanvankelijk moest zij haar telefoon bij hem laten. Uiteindelijk kreeg zij toch haar telefoon. De aangeefster is toen naar het toilet gegaan, maar de verdachte bleef voor de toiletdeur op haar wachten. Volgens de aangeefster ging de verdachte telkens met haar mee. Hierdoor was ze niet in staat om te bellen. Wel heeft zij op het toilet een bericht kunnen sturen naar haar vriend met het verzoek haar te komen helpen. Na het eten zijn de verdachte en de aangeefster weer samen naar de woning van de verdachte gegaan.
Door de verdachte is ter terechtzitting van 28 mei 2026 niet ontkend dat hij eenmaal in de toiletruimte van het restaurant is geweest.
De verklaring van de aangeefster wordt op een wezenlijk punt ondersteund door de verklaring van een werknemer van het restaurant. Deze werknemer heeft verklaard dat hij de jongen en het meisje het restaurant binnen zag lopen. Op enig moment liep het meisje naar het toilet. De jongen bleef aanvankelijk wachten, maar maakte daarna de deur open richting het toilet. Op een gegeven moment kwamen ze weer het restaurant binnen en liepen ze naar buiten om te eten.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende hun verblijf in het restaurant voortdurend in de nabijheid van de aangeefster is verbleven en haar daarmee effectief in haar vrijheid heeft belemmerd. Dat zij zich genoodzaakt voelde om op het toilet een bericht naar haar vriend te sturen met het verzoek haar te komen helpen, draagt bij aan dit oordeel. Dat de aangeefster fysiek niet werd belemmerd om het restaurant te verlaten of anderszins zelf heeft geprobeerd om te vluchten, zoals door de verdediging onder meer is aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Mede in het licht van de nog maar kort daarvoor voorgevallen gewelddadige verkrachting met de daarmee gepaard gaande vrijheidsberoving, levert ook de situatie in het restaurant naar het oordeel van de rechtbank een wederrechtelijke vrijheidsberoving op. Overigens volgt uit het informatieve gesprek wel degelijk dat de aangeefster heeft geprobeerd ‘hulp handgebaren’ te maken naar het personeel van het restaurant, maar dat het personeel (kennelijk) deze gebaren niet begreep.
Conclusie
De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangeefster in het restaurant op 25 september 2025.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de (in de bewijsbijlage) uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

1.

op 25 september 2025 te Veldhoven met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het duwen en bewegen van zijn penis in haar vagina en
- het likken aan haar linker borst en
- het geven van kusjes,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging, door
- de voordeur van zijn woning op slot te doen en
- haar armen vast te pakken en
- haar polsen vast te binden en/of haar handen op haar rug vast te binden en
- tape over haar mond te plakken en
- haar op/naar de grond te duwen en
- haar achterover op het bed te duwen en
- twee messen te pakken en
- dreigend tegen haar te zeggen dat ze stil moest zijn en dat als ze iets zou zeggen hij zou gaan steken en
- een sjaal in haar mond te duwen en voor haar mond te doen en
- dreigend tegen haar te zeggen dat ze met haar handen langs haar zij op het bed moest liggen en dat ze zelf haar kleding moest uittrekken en dat ze niet mocht praten en moest doen wat hij zei en
- een mes voor haal keel te houden en tussen haar borsten te duwen en
- haar kleren uit te trekken en
- haar keel dicht te knijpen en
- dreigend te zeggen dat hij haar dood zou maken als zij zou praten en niet stil zou zijn;
2.
op 25 september 2025 te Veldhoven opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet naar buiten mocht en
- de voordeur van zijn woning op slot te doen en de sleutel op een schoenenkast in het toilet te gooien en
- die [slachtoffer] met geweld en onder bedreiging te verkrachten en
- haar armen vast te pakken en
- haar polsen vast te binden en/of haar handen op haar rug vast te binden en
- tape over haar mond te plakken en
- haar op/naar de grond te duwen en
- haar achterover op het bed te duwen en
- twee messen te pakken en
- dreigend tegen haar te zeggen dat ze stil moest zijn en dat als ze iets zou zeggen hij zou gaan steken en
- een sjaal in haar mond te duwen en voor haar mond te doen en
- dreigend tegen haar te zeggen dat ze met haar handen langs haar zij op het bed moest liggen en dat ze zelf haar kleding moest uittrekken en dat ze niet mocht praten en moest doen wat hij zei en
- een mes voor haal keel te houden en tussen haar borsten te duwen en
- haar keel dicht te knijpen en
- dreigend te zeggen dat hij haar dood zou maken als zij zou praten en niet stil zou zijn
en
op 25 september 2025 te Veldhoven opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, door:
- die [slachtoffer] mee naar buiten te nemen en mee te nemen naar een restaurant en
- die [slachtoffer] in dat restaurant te volgen naar de wc en voor de deur van de wc te blijven staan en
- die [slachtoffer] terug naar zijn, verdachtes, woning te brengen en
- in die tijd niet van de zijde van die [slachtoffer] te wijken en die [slachtoffer] aldus te beletten bij hem vandaan te bewegen en weg te gaan.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft matiging van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf bepleit. Daartoe heeft zij onder meer verwezen naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, de eendaadse samenloop tussen beide feiten en de inhoud van het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 28 april 2026. Verder heeft zij aangevoerd dat de verdachte dringende persoonlijke belangen heeft. Hij is zijn woning en werk kwijtgeraakt en heeft zijn opleiding moeten onderbreken. De verdachte heeft aangegeven zijn leven weer op de rit te willen krijgen en dat een combinatie van een (deels voorwaardelijke) taakstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandeling dat zou bemoedigen. In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte op de dag van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht dan wel het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf te matigen en een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering in haar rapport van 28 april 2026 heeft geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van slachtoffer [slachtoffer] . De verdachte heeft de armen van het slachtoffer op haar rug gebonden en haar mond dichtgeplakt en haar op een gewelddadige en onbeschermde wijze verkracht. Tijdens de verkrachting werd haar keel dichtgeknepen en werd zij met twee messen bedreigd. Het slachtoffer moet doodsangsten hebben uitgestaan. Als gevolg van deze verkrachting heeft zij ook over haar hele lichaam letsel opgelopen, heeft zij in het ziekenhuis een lichamelijk onderzoek moeten ondergaan en heeft zij medicatie moeten nemen. Door zijn gedragingen heeft de verdachte op zeer ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer zwaar aan.
Ook rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij de aangeefster ruim twee uur lang in zijn greep heeft gehouden. Ze kon geen kant op. Ook toen de verkrachting was gestopt, tijdens hun verblijf in het restaurant, bleef de verdachte voortdurend in de nabijheid van de aangeefster en belemmerde hij haar daarmee volledig in haar vrijheid.
Bij slachtoffers van verkrachting blijven in het algemeen lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid bestaan. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en hij heeft zich geenszins om het welzijn van het slachtoffer bekommerd. Dat de feiten een behoorlijke impact op het slachtoffer hebben gehad en nog steeds hebben, blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en haar schriftelijke verklaring die ter terechtzitting door haar raadsman is voorgedragen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat de verdachte geen noemenswaardige strafrechtelijke documentatie heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 28 april 2026. Uit dit rapport komt naar voren dat de verdachte in 2019 met zijn ouders, broers en zussen vanuit [land] naar Nederland is gevlucht. Hij heeft in de afgelopen jaren, met vallen en opstaan, een bestaan in Nederland opgebouwd. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten woonde hij in een woonunit in [plaats] , woonbegeleiding was enige tijd daarvoor afgerond. Hij deed een opleiding en had werk bij een bedrijf in bestratingen. Hij heeft wel wat moeilijkheden op praktisch/financieel gebied gehad, maar zegt geen problemen te ervaren op het gebied van psychosociaal functioneren of middelengebruik. Wegens zijn ontkennende proceshouding is het voor de reclassering niet mogelijk gebleken om tot een delictanalyse te komen. Door de reclassering is geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling/begeleiding gericht op schuldenproblematiek en wonen. De reclassering ziet geen signalen van (seksuele) problematiek waarvoor een behandeling ingezet dient te worden.
De op te leggen straf
Namens de verdachte heeft de raadsvrouw (onder meer) verzocht aan de verdachte een (voorwaardelijke) taakstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de door de verdachte begane feiten enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Een taakstraf zou, ook in combinatie met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in het geheel geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten zijn mede een weerslag van strafopleggingen in eerdere (op hoofdlijnen) vergelijkbare zaken en dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Met de oriëntatiepunten wordt onder meer beoogd om in vergelijkbare gevallen tot vergelijkbare bestraffing te komen. De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten een richtsnoer vormen bij het bepalen van de op te leggen straf, waarbij het de rechter vrijstaat om van deze oriëntatiepunten af te wijken.
In dit geval heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor het oude artikel 242 Sr Pro, te weten ‘verkrachting met ernstig geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang’. Als uitgangspunt geldt daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden.
De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten onder feit 1 en feit 2, voor zover gepleegd in de woning van de verdachte, sprake is van eendaadse samenloop. De in de woning van de verdachte gepleegde strafbare feiten vormen het zwaartepunt voor de straftoemeting in de onderhavige zaak.
De rechtbank ziet aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen die het hiervoor genoemde uitgangspunt in het oriëntatiepunt overstijgt. Dat oriëntatiepunt is, als gezegd, een weerslag van strafopleggingen in eerdere (op hoofdlijnen) vergelijkbare zaken. De rechtbank is evenwel niet blind voor de breed gedragen roep uit de samenleving om seksueel geweld en geweld, al dan niet in de relationele sfeer, tegen (in het bijzonder) vrouwen stevig te bestrijden en streng te bestraffen.
Door de raadsvrouw is nog verzocht de gevangenisstraf te beperken tot het voorarrest dan wel het onvoorwaardelijke deel te matigen met een deel voorwaardelijk en daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals de reclassering heeft geadviseerd.
In de straf die de rechtbank passend vindt in onderhavige zaak, die recht doet aan de ernst van de gewelddadige verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsbeneming, is er wettelijke gezien geen ruimte voor een voorwaardelijk deel, aangezien de op te leggen gevangenisstraf de vier jaar overstijgt. Indien reclasseringsbegeleiding of een ambulante behandeling op enig moment noodzakelijk wordt geacht, kan dit eventueel worden vormgegeven in de fase van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank zal een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat de hierna aan de verdachte op te leggen straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles overziend, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.
De rechtbank zal bevelen dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer] .

Benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 20.431,13, vermeerderd met de wettelijke rente.
De vordering is als volgt opgebouwd:
  • € 78,54 voor reiskosten;
  • € 352,59 voor medische kosten;
  • € 20.000,- voor immateriële schade (opzetverkrachting € 13.000,- en wederrechtelijke vrijheidsberoving € 7.000,-).
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 15.431,13, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie voorgesteld de hoogte daarvan te beoordelen aan de hand van de Rotterdamse Schaal (art. 242 Sr Pro (oud), categorie b ‘ernstig’, met een bandbreedte van € 7.500,- tot € 15.000,-) en het hoogste bedrag als uitgangspunt te nemen (€ 15.000,-).
De verdediging heeft gelet op de door haar bepleite vrijspraak zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bij wijze van een subsidiair standpunt heeft de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding met verwijzing naar jurisprudentie forse matiging bepleit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade
De rechtbank acht dit onderdeel van de vordering als niet weersproken en voldoende onderbouwd, geheel toewijsbaar.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade
Ingevolge artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde partij onder meer recht op immateriële schadevergoeding indien diegene ‘op andere wijze aangetast is in zijn persoon’. Van die aantasting is – zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad – onder meer sprake als de aard en de ernst van de normschending maken dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij een gewelddadige opzetverkrachting sprake van die situatie, zodat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. De rechtbank overweegt dat het zwaartepunt van het psychisch lijden van de benadeelde partij is gelegen in de gebeurtenissen die zich in de woning van de verdachte hebben afgespeeld en in mindere mate in wat er in het restaurant is gebeurd. Met de officier van justitie acht de rechtbank het passend om categorie 15.1 sub b (‘ernstig’) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt te nemen. In de onderhavige zaak gaat het om een verkrachting waarbij de verdachte driemaal is overgegaan tot geslachtsgemeenschap, met ernstige gevolgen, waarbij sprake is geweest van ernstig geweld en waarbij de benadeelde partij ook van haar vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. De bandbreedte voor het toekennen van smartengeld ligt in dit geval tussen € 7.500,- en € 15.000,-.
De rechtbank beschouwt de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de woning als een wezenlijk onderdeel van de (gekwalificeerde) opzetverkrachting. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om per afzonderlijk feit een immateriële schadevergoeding vast te stellen, zoals in de toelichting op de vordering wel is gedaan. Gezien de mate van het toegepaste geweld en bedreiging met geweld in combinatie met de wederrechtelijke vrijheidsberoving, acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, de bovenkant van de toepasselijke bandbreedte passend. Alles overwegende, begroot de rechtbank dan ook de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 15.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde immateriële schade. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dat deel van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente, kostenveroordeling en schadevergoedingsmaatregel
De toegewezen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding.
Voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank met betrekking tot de materiële schadevergoeding uit oogpunt van efficiëntie de datum waarop de vordering is ingediend (26 mei 2026) als uitgangspunt nemen. Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding zal de rechtbank de datum van het bewezen verklaarde als aanvangsdatum nemen.
Met inachtneming van het voorgaande bepaalt de rechtbank de aanvangsdata van de wettelijke rente dan als volgt:
  • ten aanzien van de post materiële schade (€ 431,13) op 26 mei 2026;
  • ten aanzien van de post immateriële schade (€ 15.000,-) op 25 september 2025.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De rechtbank zal tot slot bepalen dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

De motivering met betrekking tot het beslag.

De rechtbank stelt aan de hand van de beslaglijst vast dat er nog beslag rust op een viertal voorwerpen, te weten:
8. een mes (goednummer 2391350);
9. een mes (goednummer 2391353);
10. een sjaal (goednummer 2391355);
11. een sjaal (goednummer 2391367).
De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van deze voorwerpen gevorderd. De verdediging heeft zich voor wat betreft het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat genoemde voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat het voorwerpen zijn waarmee de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 55, 57, 243 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

De rechtbank:
verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
gekwalificeerde opzetverkrachting
en
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straf:

* een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;
legt op de volgende
bijkomende straf:

verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten:

8. een mes (goednummer 2391350);
9. een mes (goednummer 2391353);
10. een sjaal (goednummer 2391355);
11. een sjaal (goednummer 2391367);
legt op de volgende
maatregel:
* een
maatregel van schadevergoedingvan
€ 15.431,13, te vervangen door 102 dagen gijzeling;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer, [slachtoffer] , van een bedrag van € 15.431,13,-, bestaande uit € 431,13,- voor vergoeding van materiële schade en € 15.000,-, voor vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 102 dagen gijzeling;
bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente
- ten aanzien van de post materiële schade (€ 431,13) op 26 mei 2026;
- ten aanzien van de post immateriële schade (€ 15.000,-) op 25 september 2025;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 15.431,13,-, bestaande uit € 431,13,- voor vergoeding van materiële schade en € 15.000,- voor vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente
- ten aanzien van de post materiële schade (€ 431,13) op 26 mei 2026;
- ten aanzien van de post immateriële schade (€ 15.000,-) op 25 september 2025;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Maas, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 11 juni 2026.