Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3993

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
26/1237
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrechtArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging omgevingsvergunning woongebruik kantoorpand

Het college van burgemeester en wethouders heeft de omgevingsvergunning voor het gebruik van een voormalig kantoorpand als woonruimte met vijf jaar verlengd, in afwachting van nieuwbouw. Verzoeker, die in de directe nabijheid woont, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het woongebruik te beëindigen vanwege tien jaar durende overlast.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening niet voldoende is, omdat het besluit een voortzetting betreft van een reeds sinds 2016 bestaande en planologisch vergunde situatie. De overlast die verzoeker ervaart, zoals geluid, parkeerdruk en vervuiling, wordt gezien als uitvoerings- en handhavingsaspecten en niet als een ruimtelijk effect dat het besluit onaanvaardbaar maakt.

Ook de aanwezigheid van 52 niet-gebruikte woonunits (spaceboxen) aan de buitenzijde van het pand leidt volgens het college en de voorzieningenrechter niet tot een onaanvaardbare situatie. Verzoeker heeft onvoldoende betwist dat verwijdering van deze units tot een meer verloederde aanblik zou leiden.

De voorzieningenrechter concludeert dat het college zich redelijk heeft opgesteld en dat het verzoek om voorlopige voorziening geen aanleiding geeft tot schorsing van het besluit. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van de omgevingsvergunning voor woongebruik van het kantoorpand wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1237

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigden: mr. G.D. van Leeuwen en mr. A.M. Huiswoud).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[belanghebbende]uit [plaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 10 februari 2026 tot verlenging met een termijn van vijf jaar van de eerder verleende tijdelijke omgevingsvergunning aan
derde-partij om het kantoorpand aan [adres] te [plaats] te gebruiken als woonruimte (het bestreden besluit). De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit betreft een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
2. Verzoeker heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten

7. Het voormalig kantoorpand aan [adres] in [plaats] is sinds 2016 in gebruik als woongebouw met tijdelijke woonunits, waar diverse doelgroepen in werden gehuisvest. Sinds enige tijd is het pand in gebruik bij [naam] en worden er dak- en thuislozen gehuisvest. Bij het besluit van 11 mei 2016 waren er voor een periode van tien jaar 101 wooneenheden vergund, deels in het pand zelf en deels daartegenaan. Bij het thans bestreden besluit is het aantal vergunde wooneenheden teruggebracht naar 49, waarbij alleen nog inpandige units worden bewoond. De verlening van de eerder verleende omgevingsvergunning is aangevraagd om de periode te overbruggen tot aan de voorgenomen sloop van het gebouw en de realisatie van nieuwbouw op deze locatie.

Spoedeisend belang

8.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich brengen dat de uitkomst van het beroep niet kan worden afgewacht.
9.
Het college stelt zich op het standpunt dat spoedeisend belang ontbreekt, omdat het bestreden besluit niet ziet op een nieuwe ontwikkeling, maar op de voortzetting van een reeds sinds 2016 bestaande en planologisch vergunde situatie, waarvan de rechtmatigheid bovendien door de rechtbank is bevestigd. De thans verleende vergunning strekt uitsluitend tot verlenging van dit bestaande gebruik, zonder bouwkundige wijzigingen en met een ongewijzigde ruimtelijke uitstraling, aldus het college.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het kantoorpand door de verlening van de hier aan de orde zijnde omgevingsvergunning in gebruik kan blijven als woonruimte. Verzoeker, die in de directe nabijheid woont en uitkijkt op de locatie, is het hier niet mee eens en wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het gebruik van de locatie voor wonen wordt beëindigd omdat hij reeds tien jaar hiervan overlast ondervindt. Het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is daarmee gegeven.
Tijdelijk karakter
11. Verzoeker brengt naar voren dat de omgevingsvergunning van 11 mei 2026 voor de duur van maximaal 10 jaar is verleend. Het feit dat derde-partij er in tien jaar niet in is geslaagd om op de locatie nieuwbouw te realiseren, mag volgens verzoeker niet op de omwonenden worden afgewenteld.
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning van 11 mei 2026 is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelezen in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Op grond van deze regelgeving was het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor een periode van maximaal tien jaar. Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond hiervan is het college bevoegd om de eerder verleende omgevingsvergunning te verlengen met een periode van vijf jaar, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter zitting heeft het college gesteld dat derde-partij eind 2027 hoopt het pand te kunnen slopen, maar dat dit ook afhankelijk is van mogelijke procedures tegen het nieuwbouwplan.
De voorzieningenrechter zal hierna in het licht van de aangevoerde bezwaren bezien of sprake is van ETFAL.
Aantasting woongenot
13. Verzoeker voert aan dat het college de gevolgen voor de omgeving ten onrechte als beperkt aanmerkt. Sinds gebruik wordt gemaakt van het kantoorpand als woonruimte ondervindt verzoeker structurele overlast op het gebied van geluid, parkeerdruk en vervuiling. Omdat de bewoners van [adres] het vuilnis naast de containers zetten en soms over het hek gooien, is er overlast van knaagdieren en ook wordt er drugsafval, zoals flessen lachgas, gedumpt. Verzoeker wijt de ondervonden overlast aan slecht beheer en gebrekkige begeleiding van de bewoners. Hij stelt dat van derde-partij moet worden verlangd dat er 24/7 twee externe beheerders op de locatie aanwezig zullen zijn en vindt dat er een strikt zero-tolerance uitsterfbeleid dient te zijn bij iedere vorm van overlast.
14.
Het college stelt zich op het standpunt dat voor de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een BOPA bepalend is of het gebruik ruimtelijk aanvaardbaar is. Deze beoordeling ziet volgens het college op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en niet op individueel gedrag van bewoners of de wijze waarop het beheer feitelijk wordt uitgevoerd. De door verzoeker gestelde overlast en beheerproblemen betreffen daarmee, aldus het college, in hoofdzaak uitvoerings- en handhavingsaspecten. Het college stelt bij zijn besluitvorming te hebben betrokken dat het tijdelijk gebruik dient als overbrugging tot de voorgenomen herontwikkeling, waarmee leegstand wordt voorkomen. Dit dient vanuit ruimtelijk oogpunt een relevant en legitiem belang. Verder acht het college van belang dat het gebruik plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en dat volledig gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, waardoor geen extra druk wordt gelegd op de beschikbare ruimte. Omdat het gaat om slechts 49 wooneenheden blijven de ruimtelijke effecten, waaronder verkeersbewegingen en parkeerdruk, ook binnen aanvaardbare grenzen. Voorts leidt het gebruik niet tot onaanvaardbare milieugevolgen. Volgens het college is sprake van ETFAL.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de zorgen van verzoeker voornamelijk gaan over de (sociale) veiligheid in de buurt en de (te verwachten) overlast. Deze door verzoeker gevreesde gevolgen zijn geen beoogd ruimtelijk effect van wat het bestreden besluit mogelijk maakt en die overlast vloeit evenmin noodzakelijkerwijs uit het bestreden besluit voort. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eventuele overlast of aantasting van de sociale veiligheid dusdanig zal zijn dat daarom de gevraagde omgevingsvergunning niet in redelijkheid kon worden verleend. Ter zitting heeft het college onweersproken gesteld dat het dumpen van afval naast ondergrondse vuilniscontainers (helaas) een probleem is dat zich in heel Eindhoven voordoet, ook bij koopappartementen en dat dit niet alleen een probleem is bij de doelgroep die gehuisvest wordt door [naam] . Verder acht de voorzieningenrechter aannemelijk, mede gelet op wat het college ter zitting hierover heeft gesteld, dat leegstand van gebouwen ook kan leiden tot overlast en sociale onveiligheid. Dit heeft verzoeker ook erkend.
Voor zover verzoeker stelt dat er (aanvullende) voorschriften aan de omgevingsvergunning dienen te worden verbonden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit kan worden bezien in het kader van de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
16. Verzoeker stelt verder dat de 52 spaceboxen die niet meer worden gebruikt enkel bijdragen aan de verloedering van [straat] en daarom dienen te worden verwijderd.
17. Het college heeft hierover gesteld dat de enkele aanwezigheid van de
52 spaceboxen aan de buitenzijde van het gebouw [adres] te [plaats] niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. Deze woonunits zijn buiten gebruik gesteld en veroorzaken geen extra ruimtelijke belasting. De 52 spaceboxen zullen worden verwijderd als de voorgenomen herontwikkeling plaatsvindt. Voortijdige verwijdering van deze units is volgens het college niet doelmatig en levert geen planologische meerwaarde op.
18. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet verwijderen van de 52 spaceboxen aan de buitenzijde van het gebouw niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. Ter zitting heeft het college toegelicht dat om de spaceboxen te kunnen plaatsen er aan de buitenzijde van het gebouw aanpassingen zijn gedaan. Het verwijderen van de spaceboxen zal er volgens het college toe leiden dat deze aanpassingen in het zicht komen en toegangen dicht moeten worden getimmerd. Dit zal volgens het college een meer verloederde aanblik geven dan bij handhaving van de spaceboxen aan de buitenzijde van het gebouw het geval zal zijn. Verzoeker heeft dit onvoldoende betwist. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de 52 spaceboxen.
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd voorshands geen aanleiding vormt voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met ETFAL en de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. Derhalve bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.