Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
[belanghebbende]uit [plaats] .
Inleiding
derde-partij om het kantoorpand aan [adres] te [plaats] te gebruiken als woonruimte (het bestreden besluit). De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit betreft een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich brengen dat de uitkomst van het beroep niet kan worden afgewacht.
Het college stelt zich op het standpunt dat spoedeisend belang ontbreekt, omdat het bestreden besluit niet ziet op een nieuwe ontwikkeling, maar op de voortzetting van een reeds sinds 2016 bestaande en planologisch vergunde situatie, waarvan de rechtmatigheid bovendien door de rechtbank is bevestigd. De thans verleende vergunning strekt uitsluitend tot verlenging van dit bestaande gebruik, zonder bouwkundige wijzigingen en met een ongewijzigde ruimtelijke uitstraling, aldus het college.
Het college stelt zich op het standpunt dat voor de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een BOPA bepalend is of het gebruik ruimtelijk aanvaardbaar is. Deze beoordeling ziet volgens het college op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en niet op individueel gedrag van bewoners of de wijze waarop het beheer feitelijk wordt uitgevoerd. De door verzoeker gestelde overlast en beheerproblemen betreffen daarmee, aldus het college, in hoofdzaak uitvoerings- en handhavingsaspecten. Het college stelt bij zijn besluitvorming te hebben betrokken dat het tijdelijk gebruik dient als overbrugging tot de voorgenomen herontwikkeling, waarmee leegstand wordt voorkomen. Dit dient vanuit ruimtelijk oogpunt een relevant en legitiem belang. Verder acht het college van belang dat het gebruik plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en dat volledig gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, waardoor geen extra druk wordt gelegd op de beschikbare ruimte. Omdat het gaat om slechts 49 wooneenheden blijven de ruimtelijke effecten, waaronder verkeersbewegingen en parkeerdruk, ook binnen aanvaardbare grenzen. Voorts leidt het gebruik niet tot onaanvaardbare milieugevolgen. Volgens het college is sprake van ETFAL.
52 spaceboxen aan de buitenzijde van het gebouw [adres] te [plaats] niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. Deze woonunits zijn buiten gebruik gesteld en veroorzaken geen extra ruimtelijke belasting. De 52 spaceboxen zullen worden verwijderd als de voorgenomen herontwikkeling plaatsvindt. Voortijdige verwijdering van deze units is volgens het college niet doelmatig en levert geen planologische meerwaarde op.