De rechtbank Oost-Brabant heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor mensensmokkel. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €10.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, maar wijzigde dit tijdens de zitting naar €1.500, gebaseerd op een rapport van november 2021 en de feitelijke veroordeling die enkel mensensmokkel betrof.
De rechtbank baseerde haar schatting op verklaringen van een betrokkene die een maand verbleef in een woning van veroordeelde en daarvoor €50 per dag betaalde, wat resulteerde in het bedrag van €1.500. Dit bedrag werd als het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en veroordeelde werd verplicht dit aan de staat te betalen.
Daarnaast bepaalde de rechtbank een maximale gijzelingstermijn van 15 dagen, gelijk aan één dag gijzeling per €100 van het ontnomen bedrag, voor het geval de betaling niet volledig zou plaatsvinden. De rechtbank constateerde een schending van de redelijke termijn, maar achtte deze voldoende gecompenseerd door matiging van de straf in de strafzaak.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de procedure vond plaats in combinatie met de strafzaak tegen veroordeelde, waarbij de bewijsvoering uit die strafzaak werd betrokken.