ECLI:NL:RBOBR:2026:3931

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/01/424716 / KG ZA 26-97
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • T. Zuidema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen Hilton tegen gunningsbeslissing autoladders Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

Hilton Engineering B.V. heeft in kort geding gevorderd dat de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost de voorgenomen gunningsbeslissing aan Kenbri Fire Fighting B.V. intrekt en primair aan Hilton gunt, subsidiair heraanbesteedt of herbeoordeelt. Hilton stelde dat de beoordelingssystematiek onjuist was toegepast, dat de samenstelling van de beoordelingscommissie niet transparant was, dat Kenbri niet aan de Programma van Eisen voldeed en dat de motivering van de gunningsbeslissing onvoldoende was.

De rechtbank oordeelt dat de beoordelingssystematiek, waaronder de afwijkende wijze van beoordeling van het subgunningscriterium 'Vlucht' en de aanpassing van de korfbelasting, conform het aanbestedingsdocument is toegepast. De samenstelling van de beoordelingscommissie en de gang van zaken tijdens de demo-dag zijn niet in strijd met het transparantiebeginsel. Hilton heeft onvoldoende onderbouwd dat Kenbri niet aan de eisen TE 92, TE 93 en TE 98 voldoet; Kenbri heeft dit adequaat bevestigd.

De motivering van de beoordeling van Hiltons inschrijving is voldoende en sluit aan bij de aanbestedingsstukken. De rechtbank stelt dat de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende dienst breed is en dat slechts marginaal wordt getoetst. Hilton wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten van de Veiligheidsregio en Kenbri. De gevorderde tussenkomst van Kenbri wordt toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Hilton af en bevestigt de gunningsbeslissing ten gunste van Kenbri.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/424716 / KG ZA 26-97
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
HILTON ENGINEERING B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
verweerster in het incident
hierna te noemen: Hilton,
advocaten: mr. H.C. Lejeune en mr. P. Courtens te Maastricht
tegen

1.VEILIGHEIDSREGIO BRABANT-ZUIDOOST,

zetelend te Eindhoven,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Veiligheidsregio
2.
STICHTING BUREAU INKOOP & AANBESTEDINGEN ZUIDOOST-BRABANT,
gevestigd te Oirschot,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Bizob,
advocaten: mr. M.J. Mutsaers en mr. M.A.J. de Groot te Nijmegen
waarin heeft verzocht te mogen interveniëren
KENBRI FIRE FIGHTING B.V.
gevestigd te Stellendam
verzoekster in het incident tot tussenkomst, althans voeging
hierna te noemen: Kenbri
advocaat: mr. L.J.W. Sueters te ‘s-Hertogenbosch

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 maart 2026 met acht producties
- de incidentele conclusie tot interventie van 7 mei 2026
- de conclusie van antwoord van 13 mei 2026 met producties A t/m H
- de akte met producties 1 t/m 3 van 18 mei 2026 van Kenbri
- de mondelinge behandeling die plaats heeft gevonden op 19 mei 2026.
1.2.
Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling van het geschil is de incidentele vordering van Kenbri om in het kort geding te mogen tussenkomen (primair) dan wel zich te mogen voegen (subsidiair) aan de orde gesteld.
Namens Hilton, de Veiligheidsregio en Bizob is desgevraagd aangegeven dat zij geen bezwaar hebben bij voeging dan wel tussenkomst door Kenbri.
In haar incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging concludeert Kenbri in de hoofdzaak tot het niet-ontvankelijk verklaren, althans tot afwijzing van de vorderingen van Hilton, en tot het gebieden van de Veiligheidsregio om de gunningsbeslissing ten gunste van Kenbri in stand te houden en de opdracht definitief aan haar te gunnen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Kenbri toegelicht dat het gevorderde verbod enkel is ingesteld ter onderbouwing de door haar gevraagde tussenkomst.
Voor een tussenkomst is voldoende dat Kenbri een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang heeft om als tussenkomende partij in het geding te komen. Dat belang is aanwezig omdat de Veiligheidsregio in de gunningsbeslissing het voornemen heeft geuit de opdracht aan Kenbri te gunnen. . De voorzieningenrechter heeft de verzochte interventie dan ook gekwalificeerd als tussenkomst, welke vervolgens mondeling ter zitting is toegestaan. Het gevorderde gebod van Kenbri jegens de Veiligheidsregio behoeft tegen deze achtergrond daarom geen nadere bespreking.
Nu de primair gevorderde tussenkomst wordt toegestaan, behoeft de subsidiair gevorderde voeging aan de zijde van de Veiligheidsregio ook geen nadere bespreking. Hilton en gedaagden zullen in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke kosten worden begroot op nihil.
1.3.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter Hilton gevraagd in te gaan op het formele verweer van Bizob, inhoudende dat Hilton jegens haar niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien Bizob niet de aanbestedende dienst is in de in het geding zijnde aanbestedingsprocedure en geen partij is bij de te gunnen opdracht.
Hilton heeft hierop verklaard dat de vorderingen voor zover die zijn ingesteld jegens Bizob als ingetrokken kunnen worden beschouwd.
1.4.
Voorts is overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van het geschil, waarbij Hilton, de Veiligheidsregio en Kenbri hun standpunt hebben toegelicht, mede aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.
1.5.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op termijn van twee weken.

2.De feiten

2.1.
Op 10 december 2025 is de aankondiging van de aanbesteding “Autoladders (redvoertuigen)” via TenderNed gepubliceerd. De aanbesteding is geïnitieerd door de Veiligheidsregio onder begeleiding van Bizob.
De aan te besteden opdracht ziet op het leveren van vijf autoladders, het onderhoud daarvan, en het geven van gebruikstrainingen.
2.2.
De Veiligheidsregio is voornemens de overeenkomst te sluiten met één leverancier die heeft ingeschreven met de beste prijs-kwaliteitverhouding. De beste prijs-kwaliteitverhouding wordt bepaald aan de hand van de ‘gunnen op waarde’ methode. Deze methode gaat uit van de toegevoegde waarde of meerwaarde en de inschrijfprijs. Aan de hand van punten die worden gescoord op de (sub-)gunningscriteria wordt de totale fictieve meerwaarde van een inschrijving bepaald. Vervolgens wordt de beste prijs-kwaliteitverhouding bepaald door de inschrijfprijs te verminderen met het totaal van de meerwaarde voor de aangeboden extra kwaliteit. De inschrijver die na de hierboven beschreven vermindering van de laagste inschrijfprijs heeft, is de winnaar.
2.3.
Het namens de Veiligheidsregio uitgegeven Aanbestedingsdocument (AD) heeft – voor zover van belang – de volgende inhoud.
‘(…)
Bij de beoordeling van de inschrijvingen worden de navolgende gunningscriteria gehanteerd:
(…)
3. 4. 2. Kwaliteit
De kwaliteit wordt beoordeeld op basis van subcriteria, zoals opgenomen in de tabel hierboven.
De indeling van de inschrijving voor het onderdeel kwaliteit komt overeen met de hierna weergegeven criteria op het onderdeel 'kwaliteit'. Voorstellen die invulling geven aan contracteisen leveren geen meerwaarde. Meerwaarde kan alleen worden aangetoond indien inschrijver voorstellen uitwerkt bovenop de minimale eisen c.q. contractvoorwaarden.
Subcriterium l Gebruik, Inrichting en afwerking
Doelstelling
VRBZO (de Veiligheidsregio,
vrzr) beoogt met dit gunningscriterium de kwaliteit van inrichting en afwerking te beoordelen, dit heeft als doet een zo'n veilig, ergonomisch en gebruiksvriendelijk mogelijke autoladder. Het einddoel is om de operationele efficiëntie en betrouwbaarheid van haar redvoertuigen te verbeteren.
In te dienen documenten
- Technische uitwerking van het voertuig, inclusief afmetingen van het voertuig
- Demodag
Beoordeling
Het voertuig wordt minimaal beoordeeld op de volgende onderdelen:
- De mate en wijze van afwerking van gehele voertuig.
Denk hierbij aan: afwerking tussen cabine en podiumkast (fender), toegepaste materialen,
toepassing waterdichtheid, afwatering, scherpe randen, preventie tegen corrosie en (veiligheids)markeringen etc.
- De ruimte en inrichting van de gehele cabine.
Denk hierbij aan: beenruimte, goede veilige zitpositie, stahoogte, opbergplaatsen brand-
weerhelmen, portofoons, mobilofoon, navigatiesysteem, telefoon, Ipad, geluid, zicht en
een volwaardige 3e zitplaats.
- De ruimte en inrichting van de hoofdbedienplaats.
Denk hierbij aan: zicht op het ladderpakket, overzicht op ladder en omgeving, het indicatief geluidsniveau (hoe lager hoe beter), de menustructuur van de beeldschermen, bediening (met handschoenen) joysticks.
- De toegankelijkheid van de opbouw (podium) en cabine.
Denk hierbij aan: instappen, uitstappen cabine, betreden van de opbouw, de bereikbaarheid en de plaatsing van handgrepen, opstaptredes, obstakels. Openen en sluiten van de kasten.
- De ruimte en inrichting van de korf.
Denk hierbij aan: toegankelijkheid, bewegingsruimte in de korf met 3 personen, overzichtelijkheid, bevestiging valbeveiliging, zicht, de bediening (met handschoenen), obstakels, aanstootbeveiliging. Bevestiging valbeveiliging/ademluchttoestel, bereikbaarheid en werken met aanvalsslang, openen/sluiten kastje, bereikbaarheid CEE stopcontacten en afsluiters.
- Het gebruik en bediening van de ladder en brandcarddrager/korfonderdelen.
Ladder: eenvoudige en eenduidige bediening, bedieningselementen zijn duidelijk, overzichtelijk en praktische ingedeeld. De korf en het ladderpakket zijn gedempt in hun bewegingen: oprichten, neigen, in-/uitschuiven en rotatie.
Brandcarddrager en andere korfonderdelen: zijn met zo min handelingen op simpele wijze
te de-/monteren op of aan de korf en nemen in de kasten zo min mogelijk ruimte in.
Blusmonitor: deze is gemakkelijk en eenvoudig te bedienen.
De demodag vindt plaats bij de brandweerkazerne aan De Run in Veldhoven op 18 februari 2026. Na ontvangst van uw inschrijving ontvangt u een bericht met de definitieve planning en locatie.
(…)
Subcriterium 2 Vlucht(de reikwijdte van een uitgeschoven ladder,
vrzr)
(…)
Beoordeling
De aanbestedende dienst beoordeelt de vlucht op basis van 5 posities:
Deze maximale prestatie / optimale invulling is als volgt gedefinieerd:
Het totaal van de afstanden op 0, 90, 180 en 270 wordt bij elkaar opgeteld en gedeeld door 4 om een gemiddelde afstand te bepalen.
De maximale gemiddelde afstand bedraagt 20 meter en resulteert in maximale score op het onderdeel G2 Vlucht.
In afwijking op het andere subcriterium wordt de score voor dit onderdeel vastgesteld middels een totaal gemiddelde op l cijfer achter de komma (een 12,45 wordt dus een 12,5 en een 12,44 wordt een 12, 4).
Het gemiddelde in het beoordelingsformulier van bijlage 12 vult u in het aanbestedingsplatform en is uw score. (…)
(…)
Subcriterium 4 Onderhoud
Doelstelling
Voor VRBZO is betrouwbaarheid van het materieel essentieel, om deze reden wil de aanbestedende dienst het onderhoudsplan beoordelen.
In te dienen documenten
- Onderhoudsplan
In het onderhoudsplan dient het normaal te verwachten onderhoud beschreven te staan voor een periode van 15 jaar. Hierbij dienen minimaal de volgende onderwerpen beschreven te staan:
- TCO van het complete voertuig bestaande uit
o Preventief onderhoud
o Groot onderhoud revisie/ midlife update
o Onderhoudscyclus
- Werkwijze bij zowel preventief als correctief onderhoud bestaande uit
o Transport van het voertuig en eventuele kosten
o Haal en brengservice en eventuele kosten (kosten gelden tevens bij preventief onderhoud)
o Uurtarief monteur bij schadeherstel
o Prijzen van meest voorkomende onderdelen
o Beschrijving van de werkwijze bij preventief, correctief en groot onderhoud inclusief een beschrijving dat het voertuig niet inzetbaar is voor de aanbestedende dienst.
Beoordeling
Het onderhoudsplan wordt minimaal beoordeeld op de volgende onderdelen:
- Te verwachten kosten over een periode van 15 jaar
- Doorlooptijd van het onderhoud
- Service en dienstverlening
(…)
Subcriterium 5 Vakbekwaam worden en blijven
Wens/doelstelling
VRBZO beoogt met dit gunningscriterium dat huidige en toekomstige chauffeurs en bedienaars van de autoladder veilig en effectief kunnen optreden. En dat technisch personeel effectief en efficiënt een eerste "vraagbaak" is bij technische storingen.
(…)
Beoordeling
Het hoofdcriterium kwaliteit wordt per subcriterium beoordeeld. Per subcriterium wordt er een score toegekend tussen de 0 en de 4. Een subcriterium waarbij geen enkele meerwaarde wordt geconstateerd, wordt beoordeeld met de score 0. Bij een uitmuntende beoordeling wordt een maximale score van 4 toegekend aan het betreffende subcriterium. Een verdere toelichting op de scores 0 tot en met 4 is in onderstaande tabel weergegeven.
De leden van de beoordelingscommissie beoordelen eerst afzonderlijk van elkaar de inschrijvingen aan de hand van de subcriteria. Vervolgens vindt er in het collectief een beoordeling plaats teneinde op basis van consensus tot een eensluidende definitieve waardering en beoordeling van de subcriteria op score 0-4 te komen.
De beoordelingscommissie bestaat (onder voorbehoud van wijzigingen en onvoorziene omstandigheden) uit medewerkers met de functie:
- Gebruikers
- Onderhoudstechnici
- Specialisten Repressie
- Specialisten Vakbekwaamheid
- Specialisten Bepakking
- Adviseurs Arbo, Duurzaamheid en Informatieveiligheid
- PL Implementatie
- Specialisten Techniek
- Strategisch Projectleider
De beoordelingscommissie verschilt per subcriterium. Niet ieder onderdeel wordt door de gehele commissie beoordeeld.
(…)’
2.4.
Onderdeel van het AD is bijlage 7, het Programma van Eisen (hierna: PvE).
De voor deze zaak relevante eisen zijn: TE. 92, TE. 93 en TE. 98. Deze luiden als volgt:
2.5.
In de aanbestedingsprocedure zijn er twee inlichtingenrondes geweest. De vragen en antwoorden zijn opgenomen in de nota van inlichtingen (hierna: NvI).
In het kader van de inlichtingenrondes hebben Hilton en Kenbri zich aangemeld voor de door de Veiligheidsregio aangeboden bespreking op 20 januari 2026 van de concept-antwoorden in de tweede inlichtingenronde. Het (gespreks-)verslag is gelijktijdig met de publicatie van de antwoorden in de tweede inlichtingenronde gepubliceerd.
2.6.
Tijdens de bespreking van de tweede NvI hebben de Veiligheidsregio, Hilton en Kenbri gesproken over het aanpassen van de korfbelasting voor subgunningscriterium 2 ‘Vlucht’ van 500 kg naar 250 kg.
Dat de aanpassing zou worden gedaan is door Bizob aan Hilton kenbaar gemaakt bij e-mailbericht van 6 februari 2026, in antwoord op een vraag daarover van Hilton (productie G van de Veiligheidsregio).
2.7.
In de tweede NvI is de aanpassing van de korfbelasting in antwoord op de vraag bij nr. 64 bevestigd:
‘Vraag:
Bij het bespreken van de NVI2 is er gesproken over het aanpassen van de korfbelasting voor subcriterium 2
Antwoord:
het beschreven gewicht voor de korfbelasting wat beschreven is van 500kg wordt aangepast naar 250kg zoals besproken met de partijen.’
2.8.
Op 24 februari 2026 heeft de in het AD aangekondigde demo-dag plaatsgevonden. Het programma voor de demo-dag is bij e-mailbericht van 23 januari 2026 aan Hilton en Kenbri gezonden.
2.9.
Bij brief van 3 maart 2026 heeft de Veiligheidsregio haar (voorlopige) gunningsbeslissing aan de twee inschrijvers (Hilton en Kenbri) bekend gemaakt (productie 6 van Hilton). In de brief is medegedeeld – kort samengevat – dat Hilton als tweede is geëindigd en dat de Veiligheidsregio voornemens is de opdracht aan Kenbri te gunnen omdat zij de inschrijver is met de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Bij de brief is gevoegd de tabel met de scores die Hilton en Kenbri hebben gehaald op de afzonderlijke sub-gunningscriteria en de samenvatting van de toelichting bij de scores.
2.10.
Bij e-mailbericht van 9 maart 2026 aan Bizob heeft Hilton vragen gesteld over de beoordeling van haar inschrijving.
Bizob heeft hierop bij e-mailbericht van 13 maart 2026 gereageerd. Hierna hebben partijen verder gecorrespondeerd over de beoordeling van de inschrijving en bezwaren van Hilton tegen de beoordeling. Dit contact tussen Bizob en Hilton heeft uiteindelijk niet geleid tot berusting door Hilton in de (voorlopige) gunningsbeslissing.

3.Het geschil

3.1.
Hilton vordert - samengevat -:
a. De Veiligheidsregio te veroordelen, de voorgenomen gunningsbeslissing van 3 maart 2026 aan Kenbri in te trekken en ingetrokken te houden;
b. De Veiligheidsregio te verbieden uitvoering te geven aan de voorgenomen gunningsbeslissing van 3 maart 2026 aan Kenbri;
c. De Veiligheidsregio te veroordelen primair te gunnen aan Hilton, subsidiair, -voor zover zij de opdracht nog wil gunnen - te veroordelen tot heraanbesteding, en meer subsidiair tot herbeoordeling van de inschrijvingen binnen de huidige aanbesteding door een (in meerderheid) nieuw samengestelde beoordelingscommissie en meest subsidiair tot het geven van een dragende motivering;
d. de beslissing te nemen die recht doet aan de belangen van Hilton;
e. De Veiligheidsregio te veroordelen in de proceskosten van Hilton.
3.2.
Hilton legt aan de vordering – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag.
Hilton kan zich -kort gezegd- niet verenigen met:
- de gebrekkige aanbesteding en voorgenomen gunning aan Kenbri;
- de gebrekkige beoordeling en puntentoekenning van haar eigen inschrijving.
I.Hilton maakt bezwaar tegen de beoordeling en de aanpassing van onderdelen in het subcriterium 2 ‘Vlucht’.
De meerwaarde en daaruit volgende korting in dit subcriterium is op een andere, niet vooraf kenbare en onbegrijpelijke wijze bepaald. De systematiek zoals die is weergegeven in paragraaf 3.4.2 van het AD onder het kopje ‘beoordeling’, dus kort gezegd 0% meerwaarde bij een score van 0 en 100% van de meerwaarde bij een score van 4 had voor alle onderdelen, ook voor het subcriterium ‘Vlucht’ moeten worden toegepast.
Verder had de Veiligheidsregio volgens Hilton de korfbelasting (250 kg in plaats van 500 kg zoals aangegeven in het AD) niet tijdens de aanbestedingsprocedure mogen aanpassen.
Los daarvan had de vermindering van korfbelasting dienen te leiden tot een proportionele aanpassing van de vluchtposities (het aantal meters) die voor de verlaagde korflast zouden worden getoetst. Hilton stelt dat bij een korfbelasting van 250 kg het aantal meters waarbij een maximale score zou worden toegekend 23 meter had moeten zijn (in plaats van 20 meter).
Verder vindt Hilton het onbegrijpelijk hoe de meerwaarde op het subcriterium 'Vlucht' berekend is en hoe de Veiligheidsregio ertoe is gekomen aan Kenbri met een gemiddelde vlucht van 19,4 meter een meerwaarde van € 97. 000, - (van de maximaal te behalen
€ 100.000,-) toe te kennen, gelet op het feit dat er een verschil zit van 16 decimalen tussen de gemiddelde vlucht van Hilton (21 meter) en de gemiddelde vlucht van Kenbri (19,4 meter).
II.Vervolgens stelt Hilton dat niet consistent is hetgeen is opgenomen ten aanzien van de beoordeling door de leden van de beoordelingscommissie, namelijk dat enerzijds de samenstelling van de beoordelingscommissie wisselt per subcriterium en dat niet elk subcriterium door de gehele commissie wordt beoordeeld, terwijl anderzijds is aangegeven dat in het collectief een beoordeling plaatsvindt op basis van consensus.
Verder stelt Hilton dat het transparantiebeginsel is geschonden omdat zij tijdens de demo-dag werd verrast door het feit dat dit onderdeel van het criterium niet (zoals tot dan toe) werd beoordeeld door het projectteam, maar door een commissie van zo'n 40 personen.
Dit betekent dat ten aanzien van subcriterium l een wijziging in de samenstelling van de beoordelingscommissie heeft plaatsgevonden, die niet was aangegeven in het aanbestedingsdocument. Op de demo-dag heeft Hilton onvoldoende de gelegenheid gekregen om een adequate toelichting te geven bij de voertuigen omdat de schouw gelijktijdig met en op een andere locatie plaats vond als de toelichting van de thema’s onderhoud en vakbekwaamheid. Daardoor kon dhr. [C] van Hilton enkel de toelichting op de voornoemde thema’s geven en geen tekst en uitleg bij de getoonde voertuigen.
III.Ook is Hilton van mening dat Hilton winnaar is omdat Kenbri had moeten worden uitgesloten, aangezien de inschrijving van Kenbri niet aan de eisen TE 92, TE 93 en TE 98 uit het PvE voldoet.
Hilton is ervan op de hoogte dat bij het aangeboden ladderpakket van Kenbri (merk [A] ) een beperking is van de vlucht aan de voorzijde. Het is een technische eigenschap van het aangeboden product van het merk [A] . Dat wil zeggen dat de [A] -ladder in de positie "voorzijde" niet dezelfde vlucht behaalt als elders. Kenbri geeft aan dat de vlucht 22,8 meter is maar gezien de terugval aan de voorzijde kan het niet anders dan dat Kenbri de vlucht van 22 meter aan de voorkant niet haalt. Daarmee voldoet zij niet aan eis TE 92.
Uit het feit dat Kenbri vraagt of de beperking in de vlucht in het gebied boven de cabine acceptabel is (NvI, nr.14), dient te worden afgeleid dat Kenbri ook niet voldoet aan eis TE 93.
Kenbri voldoet volgens Hilton ook niet aan eis TE.98. Bij de beoordeling op dit punt geeft de Veiligheidsregio aan dat de besturing van de [A] -ladder bij de schouw niet altijd vloeiend is. Een vloeiende besturing is een cruciaal bestanddeel van een redvoertuig. Nu bij de schouw gebleken is dat er geen schokvrij systeem was had moeten worden geoordeeld dat Kenbri niet voldeed aan eis TE.98.
IV.Hilton stelt tot slot dat de aan haar gegeven beoordeling op verschillende onderdelen onbegrijpelijk/onjuist is.
De beoordeling van gunningscriterium 1 – gebruik, inrichting en afwerking – is volgens Hilton op verschillende onderdelen onjuist. Zo is de fender, die volgens de Veiligheidsregio ontbrak, niet in het PvE opgenomen zodat de afwezigheid van de Fender ten onrechte is meegenomen in de beoordeling. Bovendien heeft de fender ook geen relevante functie.
De beoordeling van het gunningscriterium 4 – onderhoud – beperkt zich tot het wel of niet uitwisselen van de hydraulische slangen en het ontbreken van de midlife update.
Hierbij miskent de Veiligheidsregio dat het grote voordeel van de door Hilton geleverde [B] ladders is dat er geen grote midlife update nodig is om de ladder 17 jaar betrouwbaar in te zetten. De midlife revisie is ook niet voorgeschreven door de fabrikant. De midlife update ontbreekt dus niet als onderdeel van de onderhoudskosten maar is niet opgegeven omdat de onderhoudskosten bij het 15-17 jarig gebruik van de ladders zijn beperkt tot de jaarlijkse beurten en het uitwisselen van de slijtdelen. Dit levert een voordeel voor de klant op waarvoor Hilton beloond had moeten worden.
Voor wat betreft de hydraulische slangen heeft Hilton toestemming om bij redvoertuigen met een inzet tot 20 jaar geen preventieve slangenwisseling aan te bieden. Daarmee wijkt zij in afstemming met [B] af van de in Duitsland voorgeschreven richtlijn om de slangen na 10 jaar uit te wisselen.
De aan Hilton toegekende score voor het gunningscriterium 5 – vakbekwaam worden en blijven – 0% meerwaarde is onbegrijpelijk.
3.3.
De Veiligheidsregio voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Hilton, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hilton, met veroordeling van Hilton in de (na)kosten van deze procedure.
3.4.
De Veiligheidsregio heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd.
I.Ten aanzien van het bezwaar over de beoordeling van subgunningscriterium 2 'Vlucht' stelt de Veiligheidsregio dat in het AD in paragraaf 3.4.2. uitdrukkelijk is opgenomen dat voor dit subgunningscriterium (evenals voor subgunningscriterium 3, garantie) een andere beoordelingssystematiek geldt dan voor subgunningscriteria 1, 4 en 5. Hoe subgunningscriterium 2 wordt beoordeeld is voorts uiteengezet in dezelfde paragraaf.
De aanpassing van het gewicht voor de korfbelasting (van 500 kg naar 250 kg) is gedaan naar aanleiding van het gesprek met beide partijen en is op gepaste wijze kenbaar gemaakt via de NvI op 6 februari 2026 en - voor zover relevant - (dus) ruimschoots vóór de uiterste inschrijfdatum op 18 februari 2026.
De berekening van de fictieve korting die volgens Hilton moet worden toegepast kan de Veiligheidsregio niet volgen. Volgens het AD behaalt de inschrijver met de maximale gemiddelde afstand van 20 meter de maximale score. Hilton had een gemiddelde van 21,0 meter en heeft dan ook de maximale fictieve korting gekregen. Kenbri had een gemiddelde van in totaal 19,4 meter. De berekening luidt dan logischerwijs als volgt:
€ 100.000,-/(20 meter x 10 decimalen) = € 500,- fictieve korting per decimaal.
19,4 meter x 10 decimalen = 194 decimalen. 194 x € 500,- = € 97.000,-.
Bovendien stelt de Veiligheidsregio dat, indien Hilton het met deze rekenwijze niet eens was geweest, zij daarover vragen had moeten stellen c.q. bezwaar daartegen had moeten maken voorafgaand aan de inschrijving.
II.De beoordelaars van de beoordelingscommissie die verantwoordelijk waren voor de beoordeling van de verschillende subgunningscriteria hebben de inschrijvingen eerst afzonderlijk van elkaar beoordeeld en daarna is er in het collectief van de desbetreffende beoordelingscommissie een beoordeling geweest om op basis van consensus tot een eensluidende definitieve waardering en beoordeling te komen. Dit is conform hetgeen is aangekondigd in par. 3.4.2, p. 19 van het AD.
De stelling van Hilton dat er tijdens de demo-dag een beoordelingscommissie van zo’n 40 personen was vindt de Veiligheidsregio volstrekt onnavolgbaar. Volgens de Veiligheidsregio is subgunningscriterium 1 tijdens de demo-dag beoordeeld door in totaal 12 personen. Van elke brandweerpost (dit zijn er 5) zijn twee personen uitgenodigd. Deze 10 personen zijn 'Gebruikers' in de zin van par. 3.4.2, p. 19 van het AD. Daarnaast maakten twee medewerkers met de functie 'Adviseurs Arbo, Duurzaamheid en Informatieveiligheid' onderdeel uit van de beoordelingscommissie van subgunningscriterium 1.
Beide inschrijvers zijn op 23 januari 2026 per mail geïnformeerd over het programma van de demo-dag (zie productie D).
III.Kenbri voldoet wel degelijk aan het PvE, althans er is geen enkele reden om eraan te twijfelen dat de voertuigen van Kenbri te zijner tijd niet aan het PvE zullen (kunnen) voldoen.
In de aanbiedingsbrief bij haar inschrijving heeft Kenbri reeds uitdrukkelijk bevestigd dat haar inschrijving aan de gestelde eisen voldoet. Vervolgens heeft Kenbri bij brief van 5 mei 2026 (productie H van de Veiligheidsregio) op verzoek van de Veiligheidsregio nog eens bevestigd dat zij akkoord is met alle eisen en dat haar aanbieding aan alle eisen voldoet. In de brief gaat Kenbri expliciet in op de eisen TE. 92 en TE. 98 en verklaart zij dat en op welke wijze zij aan deze eisen voldoet.
IV.De manier van beoordelen door de beoordelingscommissie is in overeenstemming met de aangekondigde spelregels.
Ten aanzien van het subciterium 4 ‘Onderhoud’ stelt de Veiligheidsregio dat Hilton bij haar inschrijving niets heeft opgenomen over de midlife-update van haar ladderpakket, dit terwijl de inschrijvers (wel) expliciet gevraagd was uit te werken hoe het zit met ‘groot onderhoud revisie / midlife update’ en inzicht te geven in de te verwachten kosten.
Dat Hilton nu stelt dat zij geen midlife-update heeft opgenomen in haar inschrijving omdat dit bij de door haar geleverde [B] -ladders niet nodig zou zijn is (nagekomen) informatie waarmee de Veiligheidsregio niets mee kan en mag doen.
Met betrekking tot de hydraulische drukslangen blijkt uit de door Kenbri ingediende gebruikershandleiding van [B] (productie 2 en 3 van Kenbri) dat deze slangen om de 10 jaar moeten worden vervangen. Uit de door Hilton ingediende inschrijving blijkt niet dat de met (eventuele) vervanging van de hydraulische slangen gepaard gaande kosten zijn verdisconteerd in haar aanbieding. In dit verband heeft de beoordelingscommissie geoordeeld dat het onderhoudsplan van Hilton op de langere termijn minder voorspelbaar is omdat na verloop van tijd onverwacht onderhoud nodig kan zijn.
Ten aanzien van het subcriterium 1 ‘Gebruik, inrichting en afwerking’ stelt de Veiligheidsregio dat in de motivering bij de gunningsbeslissing (productie 6 van Hilton) duidelijk is uitgelegd waarom de beoordelingscommissie de inschrijving van Hilton niet op een hogere score dan de door haar gegeven score 1 heeft gewaardeerd.
Over het verschil tussen de score van Kenbri (score 3) en de score van Hilton heeft de Veiligheidsregio in de onder meer opgemerkt dat de beoordelingscommissie het feit dat bij de inschrijving van Kenbri de brancard op de bodem van de korf kan worden geplaatst, hetgeen bij Hilton niet het geval is, als een (zeer) relevant extra aangeboden aspect heeft gewaardeerd. De Veiligheidsregio is ook ingegaan op de andere namens Hilton naar voren gebrachte bezwaren.
Over de beoordeling en waardering van subgunningscriterium 5 stelt de Veiligheidsregio dat de beoordelingscommissie de inschrijving van Hilton op dit criterium terecht met een score van 0 heeft gewaardeerd, omdat een (volledige) toelichting op de mimimaal te beschrijven punten ontbrak. De toegekende score is conform de beoordelingstabel in paragraaf 3.4.2 van het AD.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In de tussenkomst:
3.6.
Kenbri heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaren van Hilton in haar vorderingen, althans deze af te wijzen, en tot het gebieden van de Veiligheidsregio om de gunningsbeslissing ten gunste van Kenbri in stand te houden en de opdracht definitief aan haar te gunnen, indien en voor zover de Veiligheidsregio de opdracht nog wenst te gunnen.
Subsidiair vraagt Kenbri een voorziening te treffen in goede justitie te bepalen die recht doet aan haar belangen.
3.7.
Kenbri heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat zij een geldige inschrijving heeft gedaan die voldoet aan alle eisen in het PvE. Hilton haalt de eisen TE92 en TE93 van het PvE, en het subgunningscriterium 2 door elkaar en stelt vervolgens ten onrechte dat Kenbri niet aan deze eisen voldoet.
De door Kenbri aangeboden ladders realiseren bij een korfbelasting van 90 kg. een vlucht van rondom minimaal 22 meter, dit is door de Veiligheidsregio bij Kenbri geverifieerd. Hiermee voldoet Kenbri aan TE92.
Bij het subgunningscriterium 2 ‘Vlucht’ gaat het om de gemiddelde vlucht op basis van vier posities bij een korfbelasting van 250 kg. Deze bedraagt bij Kenbri 19,4 meter.
Bij eis TE93 wordt geen eis gesteld ten aanzien van het aantal meters vluchtafstand. Ook aan deze eis voldoet Kenbri onverkort.
Ook aan TE98 voldoet Kenbri. Dat tijdens de demo door de Veiligheidsregio is geconstateerd dat de bediening van de ladder niet altijd even vloeiend is doet daar niet aan af, nu het erom gaat dat het besturingssysteem is uitgerust met een stabilisatie- en dempingssysteem dat vibraties en schokken dempt zoals volgt uit eis TE98.
Voorts stelt Kenbri dat van schending van aanbestedingsregels- en beginselen geen sprake is. De beoordelingssystematiek blijkt uit het AD en daaruit blijkt ook dat voor subgunningscriteria 2 en 3 een andere systematiek gold.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Hilton daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van het gevorderde.
4.2.
Hilton heeft haar vorderingen gebaseerd op – samengevat – vier stellingen:
I. Er is sprake van een gebrekkige beoordelingssystematiek in verband met het subgunningscriterium 2 ‘Vlucht’;
II. De Veiligheidsregio is (tijdens de demo-dag) afgeweken van hetgeen in het AD is opgenomen over de wijze van beoordelen door de beoordelingscommissie c.q. de samenstelling van de beoordelingscommissie;
III. Kenbri voldoet niet aan de eisen TE.92, TE.93 en TE.98 van het PvE;
IV. De beoordeling in de voorlopige gunningsbeslissing van 3 maart 2026 is onvoldoende gemotiveerd.
Hierna worden deze vier stellingen besproken.
De beoordelingssystematiek bij subgunningscriterium 2 (Vlucht).
4.3.
Eén van de in de dagvaarding geuite bezwaren in verband met de beoordelingssystematiek bij subgunningscriterium 2 is dat de beoordeling had moeten worden toegepast met de scores 0-4 zoals die zijn opgenomen in de beoordelingstabel in paragraaf 3.4.2 van het AD. De Veiligheidsregio heeft in haar conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen deze stelling waarna Hilton hier niet meer op terug is gekomen.
Voor zover Hilton haar stelling nog handhaaft overweegt de voorzieningenrechter dat deze geen doel treft reeds omdat uit het AD duidelijk blijkt dat bij subgunningscriterium 2 niet de in de tabel weergegeven beoordelingssystematiek wordt toegepast:
- onder toelichting in het AD met betrekking tot het subgunningscriterium ‘Vlucht’ is aangegeven dat de score ‘
in afwijking op het andere subcriterium’ wordt vastgesteld middels een totaal gemiddelde op l cijfer achter de komma.
- en onder dezelfde toelichting staat:
‘het gemiddelde in het beoordelingsformulier van bijlage 12 vult u in het aanbestedingsplatform en is uw score’. (vgl. paragraaf 3.4.2 van het AD, en citaat bovenstaand onder overweging 2.3).
4.4.
Een ander bezwaar met betrekking tot subgunningscriterium 2 is de aanpassing van de korfbelasting van 500 naar 250 kg en het feit dat er (vervolgens) geen aanpassing heeft plaatsgevonden van de beoordelingssystematiek.
Hierover is door de Veiligheidsregio onweersproken gesteld dat deze aanpassing in overleg met Hilton en Kenbri (tijdens de bespreking van de tweede nota van inlichtingen) is vastgesteld. Dit blijkt ook uit de door de Veiligheidsregio overgelegde e-mail van Bizob aan Hilton van 6 februari 2026, en uit het antwoord op vraag 64 van de NvI.
Voorts is niet weersproken dat Hilton vragen heeft gesteld over een (eventuele) andere beoordelingssystematiek naar aanleiding van de gewichtsaanpassing.
De Veiligheidsregio heeft subgunningscriterium 2 beoordeeld conform hetgeen daarover in het AD is bepaald, waarbij de maximale score wordt toegekend bij de maximale gemiddelde afstand van 20 meter met een korfbelasting van 250 kg. (vgl. paragraaf 3.4.2 van het AD, en citaat bovenstaand in overweging 2.3).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze beoordelingsystematiek de (enige) juiste. De door Hilton voorgestelde beoordeling waarbij wordt uitgegaan van een maximale score bij een vlucht van 23 meter wijkt af van het AD en zou neer komen op het toepassen door de aanbestedende dienst van een afwijkende beoordelingssystematiek zonder dit vooraf aan de inschrijvingsdatum aan de inschrijvers kenbaar te maken, hetgeen op gespannen voet staat met het transparantiebeginsel.
De stelling van Hilton dat na de gewichtsaanpassing een correcte en proportionele aanpassing van de beoordelingssystematiek had moeten plaatsvinden leidt niet tot een ander oordeel. Indien Hilton van mening was geweest dat de bijstelling in gewicht gevolgen had moeten krijgen voor de beoordelingssytematiek dan had zij hierover vragen moeten stellen, dat heeft zij nagelaten.
De (samenstelling van de) beoordelingscommissie en de beoordeling tijdens de demo-dag
4.5.
Ook op dit punt van bezwaar is de Veiligheidsregio in gegaan in haar conclusie van antwoord. De Veiligheidsregio heeft verklaard dat de samenstelling van de beoordelingscommissie niet af is geweken van hetgeen daarover is bepaald in het AD. Ook heeft de Veiligheidsregio verklaard dat er bij de demo-dag niet 40 beoordelaars aanwezig waren, zoals Hilton stelt, maar 12 beoordelaars, en de Veiligheidsregio heeft toegelicht uit welke personen deze groep van 12 bestond. Hilton heeft hierop vervolgens niet gereageerd anders dan het herhalen van haar (niet nader gemotiveerde/onderbouwde) stelling dat er 30-40 personen bij de schouw aanwezig waren.
De voorzieningenrechter gaat gelet op de door de Veiligheidsregio gegeven toelichting uit van de juistheid van de verklaring van de Veiligheidsregio.
4.6.
Voor wat betreft verdere bezwaren van Hilton tegen de gang van zaken tijdens de demo-dag, zoals de stelling dat de beoordeling met betrekking tot het subgunningscriterium ‘gebruik, inrichting en afwerking’ en de beoordeling met betrekking tot het subgunningscriterium ‘vakbekwaamheid’ op gelijke tijdstippen op twee verschillende plekken plaatsvond, rijst de vraag of deze stelling niet tardief is aangezien deze eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zitting naar voren is gebracht.
Los daarvan geldt dat de inschrijvers tijdig zijn geïnformeerd (via het mailbericht van 23 januari 2026 met het programma van de demo-dag) op welke wijze de schouw plaats zou vinden. Niet gesteld of gebleken is dat Hilton naar aanleiding van het vooraf ontvangen programma richting Bizob en/of de Veiligheidsregio heeft gereageerd of vragen heeft gesteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat Hilton tijdens de demo-dag bezwaren heeft geuit tegen de gang van zaken. Indien Hilton van mening was dat zij tijdens de demo-dag onvoldoende de gelegenheid kreeg tekst en uitleg te geven (zoals in de pleitnotitie wordt gesteld) had het op de weg van Hilton gelegen dit op dat moment kenbaar te maken aan de Veiligheidsregio en niet pas na het indienen van haar inschrijving.
Ook deze bezwaren van Hilton treffen geen doel.
De eisen TE 92, TE 93 en TE 98
4.7.
Als verweer tegen de door Hilton naar voren gebrachte stelling dat Kenbri niet (volledig) voldoet aan het PvE is zowel door de Veiligheidsregio als door Kenbri zelf gesteld (en nader toegelicht) dat Kenbri voldoet aan de eisen TE 92, TE 93 en TE 98 (en ook overigens aan de in het PvE gestelde eisen).
In de conclusie van antwoord (punt 56) heeft de Veiligheidsregio de verklaring van Kenbri in de aanbiedingsbrief bij haar inschrijving gekopieerd waarin Kenbri bevestigt dat de door haar aangeboden voertuigen conform het bestek en de Nota van Inlichtingen zijn, en voldoen aan de eisen.
Naar aanleiding van de namens Hilton tegen de voorlopige gunningsbeslissing naar voren gebrachte bezwaren heeft de Veiligheidsregio aan Kenbri verzocht (nogmaals) schriftelijk te bevestigen dat zij aan alle eisen voldoet, hetgeen Kenbri gedaan heeft bij brief van 5 mei 2026 (productie H van de Veiligheidsregio). In deze brief gaat Kenbri tevens in op de eisen TE 92 en TE 98 en licht zij toe dat en op welke wijze zij aan deze eisen voldoet.
De Veiligheidsregio heeft verklaard dat zij zich hiermee voldoende geïnformeerd acht en dat zij geen aanleiding ziet eraan te twijfelen dat Kenbri aan het PvE voldoet.
Hilton kan vervolgens zonder deugdelijke onderbouwing, die ontbreekt, niet volstaan met de (herhaalde) stelling dat Kenbri niet aan de eisen voldoet.
Voor zover Hilton beargumenteert dat aan haar geen informatie is verstrekt waaruit zij kan afleiden dat Kenbri inderdaad aan de eisen voldoet, miskent Hilton dat zij niet de partij is aan wie informatie moet worden verstrekt, maar de aanbestedende dienst omdat het oordeel of voldaan wordt aan het PvE in eerste instantie ook bij de aanbestedende dienst ligt.
Waar Hilton vervolgens stelt dat de aanbestedende dienst onjuist geoordeeld heeft, dient Hilton voldoende aanknopingspunten te geven op basis waarvan aannemelijk wordt dat niet (volledig) voldaan is aan het PvE. Deze aanknopingspunten ontbreken in hetgeen door Hilton naar voren is gebracht, zodat de voorzieningenrechter raan de stelling van Hilton voorbijgaat.
De beoordeling en de motivering van de gunningsbeslissing
4.8.
De overige bezwaren van Hilton hebben betrekking op de beoordeling door de Veiligheidsregio van de inschrijving van Hilton op gunningscriteria 1, 4 en 5.
In de correspondentie die Hilton en Bizob in maart 2026 voerden naar aanleiding van de gunningsbeslissing (productie 7 bij dagvaarding), heeft Bizob aan de hand van de vragen van Hilton ten aanzien van voornoemde gunningscriteria uiteengezet hoe de commissie tot de beoordeling is gekomen. In de tijdens de mondelinge behandeling ter zitting voorgedragen pleitnotie is namens de Veiligheidsregio (opnieuw) ingegaan op deze punten.
4.9.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de rechtspraak breed wordt gedragen dat het in beginsel aan de aanbestedende dienst is om inschrijvingen te beoordelen en te waarderen en dat de aanbestedende dienst daarbij een ruime vrijheid toekomt, ook omdat de door haar aangewezen beoordelaars geacht mogen worden juist te zijn aangewezen vanwege hun specifieke deskundigheid. Enige mate van subjectiviteit is daarbij onvermijdelijk. De voorzieningenrechter dient zich terughoudend op te stellen. Hij mag niet op de stoel van de aanbestedende dienst gaan zitten maar mag slechts marginaal toetsen of de door de beoordelaars uitgevoerde beoordeling – score en motivering daarvan – voldoende grondslag vindt in de aanbestedingsstukken.
4.10.
In het licht van bovenstaand uitgangspunt overweegt de voorzieningenechter dat niet gebleken is van een onbegrijpelijke motivering van de beoordeling van de inschrijving van Hilton. De gegeven motivering kan de toegekende scores dragen.
Evenmin is gebleken dat het beoordelingsproces niet zou hebben plaats gevonden conform de in de aanbestedingsdocumenten beschreven beoordelingsprocedure en gunningscriteria.
4.11.
Van bepaalde aspecten die volgens Hilton ten onrechte niet door de Veiligheidsregio zijn meegenomen in de beoordeling (zoals de midlife-update die bij de door Hilton geleverde ladders niet nodig zou zijn) heeft de Veiligheidsregio onweersproken gesteld dat Hilton deze niet heeft benoemd in de inschrijving.
Het is aan Hilton om een inschrijving te doen die volledig is en waarin alle voordelen waarvan zij vindt dat deze moeten worden meegewogen in de beoordeling duidelijk voor het voetlicht worden gebracht.
Het feit dat de Veiligheidsregio ontbrekende onderdelen in de inschrijving niet heeft meegenomen in de beoordeling leidt dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van een motiveringsgebrek.
4.12.
Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat Hilton niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inschrijving van Kenbri niet voldoet aan het PvE. Hilton heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen gunningsbeslissing en/of de daaraan ten grondslag liggende beoordeling van haar inschrijving in strijd is met (één van) de beginselen van het aanbestedingsrecht. De vorderingen van Hilton dienen daarom te worden afgewezen.
4.13.
Hilton is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de Veiligheidsregio en van Kenbri betalen. De proceskosten van de Veiligheidsregio worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.766,00
Totaal
2.501,00
4.14.
De proceskosten van de Veiligheidsregio worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.766,00
Totaal
2.501,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
In het incident:
5.1.
staat de gevorderde tussenkomst van Kenbri in de hoofdzaak toe,
5.2.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak:
5.3.
wijst de vorderingen van Hilton af,
5.4.
veroordeelt Hilton in de proceskosten van de Veiligheidsregio, tot op heden begroot op € 2.501,00,
5.5.
veroordeelt Hilton in de proceskosten van Kenbri, tot op heden begroot op € 2.501,00,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.