Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2026;
- een proces-verbaal van aangifte van 15 maart 2024, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , pag. 10-11, 14-15;
- een proces-verbaal van verhoor slachtoffer van 4 maart 2024, opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pag. 16-19.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit en van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van 2.000,00 euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot aan de dag der algehele voldoening.